Wie meepraat over kunst, ziet meer

Nabespreken De laatste jaren is er een toenemende aandacht voor de ervaring van bezoekers van musea en theaters. Het helpt toeschouwers als ze niet alleen hoeven luisteren naar de makers of naar een deskundige, maar in gesprek kunnen met elkaar.

Hoe vergroot je het effect van kunst op de bezoeker? Dat is een vraag die veel theaters, kunstinstellingen en makers steeds meer bezighoudt. „Er wordt veel gesproken over de kracht van kunst, maar minder over de vraag of de kunst ook daadwerkelijk binnenkomt bij het publiek”, aldus Johan Idema, die onderzoek deed naar de impact van kunstbezoek en er deze zomer het boek Raak of vermaak: waarom kunst meer teweeg kan brengen over publiceerde.

Impact is het nieuwe toverwoord voor de marketingafdelingen van theaters. Idema definieert het begrip als „de mate waarin een kunstwerk de bezoeker raakt of tot denken aanzet; het gaat dus niet om maatschappelijke of economische impact”. Bezoekersaantallen en tevredenheidsonderzoeken volstaan dan ook niet om de impact te meten. Hij beschouwt eerder de ervaring van de toeschouwer als graadmeter voor succes.

Vorige week organiseerde het Theaterfestival enkele bijeenkomsten over de kwestie, met diverse belangstellenden uit de sector. Idema zei daar onder meer: „De ongemakkelijke waarheid, zoals ook blijkt uit onderzoek van het Sociaal Cultureel Planbureau, is dat voor het gros van de bezoekers een bezoek aan een museum of theater gewoon een leuke avond of middag uit is. Niet dat er iets mis is met vermaak. Vermaak kan ook een voorwaarde zijn voor andere effecten van kunst, zoals troost of stimulans. Maar als kunstenaar of schouwburg kun je het idee hebben dat niet alle betekenis van het kunstwerk is overgedragen.”

Publiek snakt vaak naar uitleg en context en krijgt dat te weinig

Nagesprek

Een voor- of nagesprek is een beproefd middel om de overdracht van betekenis te versterken. Maar het kan ook simpel met informatie op een A4 of met een wand met artikelen, aldus Idema. Publiek snakt vaak naar uitleg en context en krijgt dat te weinig, is zijn indruk. Toeschouwers willen de kunst graag begrijpen, een ervaring kunnen plaatsen of anderszins graag hun gevoel onder woorden brengen. Een gesprek of meer informatie kan daarbij helpen.

Marelie van Rongen, sinds begin dit jaar directeur van de Toneelschuur in Haarlem, zei tijdens een bijeenkomst dat ze het als een belangrijke taak voor haar theater ziet om in gesprek te gaan met het publiek over het effect van voorstellingen. „Met theatermakers voer ik voortdurend gesprekken over het verschil tussen hun intentie en het effect van hun werk in de zaal. Het liefst zou ik elke avond een nagesprek voeren, want dat kan een essentiële toegevoegde waarde zijn.”

Wat Idema betreft zouden theaters zelfs minder voorstellingen moeten programmeren en minder aan marketing moeten doen om geld te investeren in een betekenisvollere beleving. Op de begrotingen van theaters wordt er echter nauwelijks geld of menskracht gereserveerd voor de rol van het theater als bemiddelaar. Volgens Van Rongen moet die investering gedaan worden, omdat de samenleving de kunstsector om transparantie en het afleggen van rekenschap vraagt. „Ik ga daar geld voor vrijmaken. Het vergroten van de impact is onze verantwoordelijkheid. Je moet doen wat je kunt om het publiek daarin bij te staan.”

Dramaturg Tobias Kokkelmans deed onderzoek naar methodes om de kloof tussen toeschouwer en kunstwerk te verkleinen. Hij is ook co-auteur van het boek De taal van de toeschouwer, dat onder meer een inventarisatie van de talrijke initiatieven op dit terrein en een handleiding voor het voeren van een nagesprek bevat. Bij gesprekken met toeschouwers wordt nog vaak gekozen voor een hiërarchische vorm, waarbij makers of deskundigen het woord voeren, vertelde hij bij zijn presentatie op Het Theaterfestival. Zo wordt de toeschouwer in een ondergeschikte positie gezet. „Terwijl sommige toeschouwers toch al reageren met: ‘Wat weet ik er nou van?’.”

Oordeel uitstellen

Nieuwe methodes geven de toeschouwer de ruimte om zelf zijn beschouwing te formuleren. Bij Theater Rotterdam en Frascati ontwikkelde Kokkelmans met collega’s een methode voor een nagesprek die ze ‘Het Laatste Woord’ noemen en die de eigen kijkervaring van de toeschouwer als uitgangspunt heeft. Dat gesprek vindt bij voorkeur plaats op een drukke plek bij de bar of in de loop, zodat mensen makkelijk kunnen aansluiten, en rond een tafel met wijn en nootjes, voor een ontspannen sfeer. De taak van de gespreksleider is niet om zelf het woord te voeren, maar om het gesprek op gang te houden, benadrukt Kokkelmans.

De belangrijkste regel is dat een oordeel zo lang mogelijk wordt uitgesteld. Kokkelmans: „De eerste vraag is: ‘Wat hebben we gezien?’. Dat klinkt simpel en bescheiden, maar daar zit zoveel in. Lang niet iedereen is hetzelfde opgevallen. Het is een vraag die vaak wordt overgeslagen. Het is ook een goede manier om iedereen meteen aan het woord te laten.”

Daarna kan er worden ingegaan op opvallende observaties of kan de gespreksleider een kenmerk aandragen. Met het idee dat de toeschouwers reageren op de vraag of ze een observatie herkennen of kunnen relateren aan hun leven. Kokkelmans: „Als je het oordelen achterwege laat, komen er allerlei betekenissen boven. Ik heb makers meegemaakt die alleen maar luisterden van een afstand en tot tranen geroerd waren.”

Het gesprek is niet gericht op het beter waarderen van de kunst. Kokkelmans: „Er was ook een keer een man die zei: ‘Ik vind het nog steeds een klotevoorstelling, maar nu ga ik met opgeheven hoofd naar huis.’ Hij zag scherper wat hij er mis aan vond en voelde zich niet alleen maar dom omdat hij de kunst misschien niet had begrepen. Zo’n gevoel is ook van grote waarde. Voor hem en voor het theater. Want de kans dat zo’n bezoeker nog een keer terugkomt, is veel groter dan zonder dat gesprek.”

Raak of vermaak, door Johan Idema. Inl: raakofvermaak.nl De taal van de toeschouwer, door Marieke Dijkwel, Simone van Hulst, Tobias Kokkelmans. Inl: denieuwetoneelbibliotheek.nl