Opinie

Schimmenspel en mist horen niet bij koninklijke uitgaven

paleiskosten

Commentaar

In zijn eerste reactie op het uitvoerige onderzoek van NRC naar de bekostiging van de paleisinventaris van leden van het Koninklijk Huis toonde minister-president Mark Rutte (VVD) zich maandag rolvast: de kwestie klein maken – het ging volgens hem om „spulletjes” en „meubeltjes” – en de zaak mystificeren – het had te maken met de „complexiteit van de jaren zeventig” en was zodoende „verschrikkelijk ingewikkeld”. Op deze laconieke wijze handelde Rutte in het verleden al vaker lastige vragen over de uitgaven van de Oranjes af.

Rutte heeft natuurlijk gelijk: afgezet tegen de totale rijksbegroting betreft het minuscule bedragen. En dat de boekhouding van het Koninklijk Huis, zeker die van voor 2010 toen een nieuwe regeling tot stand kwam, uiterst gecompliceerd was, is evident. Maar dit rechtvaardigt op geen enkele wijze de ‘niets-aan-de-hand’ houding die de premier nu tentoonspreidt. Juist omdat het gaat om uitgaven van het Koninklijk Huis is uiterste zorgvuldigheid en transparantie vereist. Zoals een door Rutte zelf ingestelde evaluatiecommissie in 2015 adviseerde: uitgaven kunnen pro-actiever en uitvoeriger worden toegelicht.

Het oestergedrag van Rutte is hiermee in strijd. Dat geldt ook voor de onder de minister-president vallende Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) die zijn uit de jaren zestig van de vorige eeuw daterende bijnaam Rjjksverzwijgingsdienst weer alle eer aandeed. Vragen van NRC om nadere informatie over stukken die waren verkregen op basis van een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur werden in het geheel niet dan wel summier beantwoord.

Het past allemaal in het patroon dat uit de openbaar gemaakte stukken naar voren komt. De financiering van het Koninklijk Huis werd doelbewust schimmig gehouden. Om de hoogte van de uitgaven te maskeren werden deze over de begrotingen van vier grote ministeries verspreid zodat, aldus de toenmalig premier Piet de Jong, de kosten minder politieke en publieke aandacht zouden trekken.

Sinds 2010 heet het dat de uitgaven van het Koninklijk Huis overzichtelijker in de begroting staan. De uitgaven zijn vanaf dat jaar te vinden onder één hoofdstuk. De aanpassing kwam tot stand op basis van een rapport van een stuurgroep onder leiding van oud-minister van Financiën Gerrit Zalm. Maar ondanks dat de zaak toen flink is opgeschoond, zijn de vragen, onduidelijkheden en verrassingen gebleven.

Zoals het onderzoek van NRC laat zien zijn het de afspraken uit het verleden die nog altijd meetellen in de huidige uitgaven. De Nederlandse overheid betaalt het staatshoofd al ruim dertig jaar voor het onderhoud van paleisinventarissen terwijl die inventaris ook al op kosten van de overheid wordt onderhouden. Jaarlijks is hier een bedrag van ongeveer 320.000 euro mee gemoeid. Bovendien, zo blijkt uit archiefstukken, heeft de overheid van koningin Juliana historische meubels gekocht die al in het bezit van het Rijk waren.

In 2010 werd met de nieuwe begrotingsopzet van de koninklijke uitgaven helderheid beloofd. Dat is niet gelukt. Niet-openbare afspraken uit het verleden blijken nog altijd belastend voor de toekomst.

De schuldvraag is in tegenstelling tot wat premier Rutte in zijn eerste reactie suggereerde („ze doen het niet expres”) niet aan de orde. Een uit andere tijden stammend instituut als het Koninklijk Huis waar Nederland nu eenmaal voor heeft gekozen dient boven elke twijfel verheven te zijn. Dat gebeurt niet door zaken weg te moffelen, maar door maximale transparantie.