Foto Merlijn Doomernik

Reinbert de Leeuw: ‘Ik ben erger dan compromisloos’

Reinbert de Leeuw Na vijftig jaar op het podium gaat componist/dirigent/pianist Reinbert de Leeuw (81) het rustiger aandoen. „Bij het pianospelen stuit ik op mijn afgenomen krachten. Dat valt me wel zwaar.”

Zijn ruime appartement op de begane grond dankt hij aan schrijver J. Bernlef, die eerst boven hem woonde. Een paar huizen verderop, aan dezelfde laan achter het Vondelpark, begonnen de ouders van Reinbert de Leeuw in de jaren dertig hun huwelijksleven.

„Ik heb nooit ergens anders dan in Amsterdam gewoond”, zegt De Leeuw. Om hem heen: boekenkasten, een vleugel, asbakken, rouwkaarten van overleden vrienden en een pakje Tuc.

„In Amsterdam ben ik geworteld, het muziekleven was hier ook fascinerender dan elders. Mijn dagelijks werk, de opbouw en bloei van het Schönberg Ensemble (later ASKO|Schönberg), de intensieve samenwerkingen met De Nationale Opera – dat was elders allemaal ondenkbaar.”

Was?

„De muzikale bloeitijd in Nederland is wel voorbij, ja. Wat Halbe Zijlstra als VVD-cultuurstaatssecretaris heeft afgebroken, is gruwelijk. Het beetje subsidiegeld dat er was voor componisten: weg. Het ASKO|Schönberg Ensemble: gemarginaliseerd – en niet als enig ensemble. Het was mijn levenswerk een podium te scheppen waarop musici en levende componisten met elkaar in dialoog konden gaan. Ik worstel ermee dat we niet voldoende in staat zijn geweest dat te verdedigen, waardoor een essentieel deel van de muziek van de 20ste eeuw nu totaal van de radar dreigt te verdwijnen. Het probleem is alleen dat je je slecht verweert tegen de term ‘elitair’. Een componist bestáát om iets te scheppen wat er eerder nog niet was: daar zit per definitie niet meteen iemand op te wachten. Zo onbekend en onbemind begon Louis Andriessen ook. Maar ik heb later veertig voorstellingen van zijn opera’s gedirigeerd, en die waren altijd uitverkocht.”

Merlijn Doomernik

Had u liever in een andere tijd geleefd?

„Nee, ik vond en vind mijn eigen tijd op de ravage van deze laatste jaren na geweldig. Maar het Wenen van het fin-de-siècle had ik ook heel graag meebeleefd. Genieën als Freud, Mahler, Klimt en Schönberg leefden daar naast elkaar. Muziek, literatuur, beeldende kunst, architectuur, psychoanalyse – alles gistte en broeide onder de naderende catastrofe van de Eerste Wereldoorlog. De muziek zoals men die tot die tijd kende, barstte uit haar voegen. Neem de verpletterende Gurre-Lieder, door Arnold Schönberg geschreven toen hij 25 was. Twee uur muziek, geen noot zonder betekenis. Maar het was Schönbergs lot pionier te moeten zijn en de taal waarin hij geniaal was, los te moeten laten. Daarin was immers alles al gezegd. Maar Schönbergs latere twaalftoonsmuziek heeft me nooit zo geraakt als zijn vroege.”

Uw tijd kende zijn eigen revoluties, maar was wel onbezorgder, denk ik.

„Ongetwijfeld. Al hunkerde ik in de jaren vijftig erg naar een muzikaal klimaat dat minder intellectueel en meer verdraagzaam was, hoor. Als componist in die tijd van hardcore avant-gardisme was er erg veel wat je niet ‘mocht’. Een drieklank of een octaaf noteren, luisteren naar Sjostakovitsj of Britten, allemaal verboden. Pas later vond ik bij Charles Ives wat ik zocht: een volstrekt eigen en vrije nieuwe muziek.”

U bent pianist, componist en dirigent. In welke volgorde?

„Als ik terugkijk, kan ik een interessant verhaal houden over hoe het allemaal zo kwam. Maar de waarheid is dat levens lopen zoals ze lopen, voortgestuwd door talloze factoren. Voor een grote pianocarrière had ik het talent noch de ambitie. Toen ik klaar was met het gymnasium, ben ik eerst nog een tijd Nederlands gaan studeren. Een universitaire studie – dat hoorde zo. Maar de muziek trok zo hard, het was onvermijdelijk dat ik naar het conservatorium zou gaan. Hoe meer onbegrijpelijk mooie muziek ik daar ontdekte, des te minder ik wist hoe ik daaraan zelf als componist nog iets zou kunnen toevoegen. Daarbij waren de kennismakingen met Messiaen, Ligeti en Kurtág en mijn vroeg ontstane band met Andriessen ook lotsbepalende blikseminslagen. Voor de ideale uitvoeringen van hun muziek wilde ik álles doen. En een componist vervolgens ook echt gelukkig zien, is voor mij het allerhoogste.”

Wat een dienstbaar lot. Hoe rijm ik dat met uw eigen, uitgesproken persoonlijkheid?

„Ik heb een expliciete voorliefde voor componisten die compromisloos autonoom zijn. Componeren is zo complex, de muziekgeschiedenis zo lang en rijk; wanneer een componist dan toch een eigen stem vindt en een klankwereld ontsluit die voordien niet bestond, is dat een mysterie waarvoor ik me graag volledig inzet.”

Valt dat raadsel te analyseren?

„Niet écht. Toen ik jong was, dacht ik natuurlijk van wel. Maar dat was jeugdige overmoed. Dat ik al bijna moet huilen bij de gedachte aan ‘Erbarme dich’ uit Bachs Matthäus-Passion bewijst dat. 99 procent van de schoonheid van die muziek kun je verklaren. Maar niet de essentie: waarom je die tranen in je ogen krijgt.”

Is dat een frustrerend of een troostrijk raadsel?

„Troostrijk! Want stel je zou het antwoord wel weten, dan was dat het einde van de muziek. Om een aforisme van Harry Mulisch aan te halen: het beste is het raadsel te vergroten. Want kleiner krijg je het sowieso niet. En dat is de kern.”

Eigenlijk bent u dus gewoon een romanticus.

„Dat is vaker gezegd. Maar pas op, ik speel ook een rol, die wordt bepaald door de taal van de componist die ik uitvoer. Stravinsky moet koel, helder en vlijmscherp klinken, zonder slagroom. Zo ook Louis Andriessen. Maar er zijn ook componisten wier muziek er als het ware om smeekt je temperament in te zetten. Mahler bijvoorbeeld, Liszt, Kurtág.”

Als uitvoerende staat u tussen de componist en de luisteraar. Toen ik Andriessen eens vroeg of hij zich tijdens het componeren voorstelde hoe zijn muziek op de luisteraar zou overkomen, werd hij boos.

„Grote componisten proberen iets te maken wat nieuw is, niet iets wat mensen sowieso mooi gaan vinden. Beethoven gaf gedurende zijn leven alles om nieuwe vormen te vinden, en vond die ook. Liszt, die als piano-idool van de Romantiek prinsessen het hart op hol bracht, begaf zich aan het eind van zijn leven in Via Crucis in een bedreigend niemandsland. Dat hij dat kon, zich op hoge leeftijd blijven vernieuwen en zijn verleden afschudden, vind ik ten diepste inspirerend.”

‘Ik geloof niet dat ik mezelf op mijn 81ste nog kan veranderen’

Over inspiratie en ouderdom gesproken: waarvoor springt u ’s ochtends uit bed?

„Voor mijn nieuwste obsessie. Met Het Collectief, een klein Vlaams ensemble, heb ik afgelopen zomer mijn bewerking van Mahlers Das Lied von der Erde uitgevoerd. Die muziek houdt me enorm bezig, ik kan de hele dag met mijn neus in die partituur zitten. Ik wil er graag een cd-opname van maken.”

Lijkt me uiterst haalbaar.

„Wie weet. Maar het is een feit dat ík niet meer alles kan. Je energie neemt af, en ook bij het pianospelen stuit ik op mijn afgenomen krachten. Dat valt me wel zwaar.”

Minder kunnen wringt met uw compromisloosheid.

„Ja, en ik ben erger dan compromisloos, ik ben obsessief. Dat was zeker niet altijd even makkelijk, voor anderen noch mezelf. Hoofdpijn, faalangst, het is me allemaal bekend. Maar ik geloof niet dat ik mezelf op mijn 81ste nog kan veranderen. De sensatie van begrip, het steeds dichter bij inzicht en waarheid komen, is een te euforische sensatie.

„Ik herinner me nog precies hoe ik als kind van elf op de piano mijn eigen Treurmars in b-mineur uitvoerde; Chopin was toen mijn held. Het stukje zelf betekende op zich niets, maar dat besefte ik toen niet. Waar het om ging was dat het op papier stond, en dat ik het had gemaakt: iets wat er voordien niet was. Die gelukzalige sensatie wil je steeds opnieuw beleven. Maar dat is heel moeilijk.”

Dan heeft u het over componeren. Maar ook als uitvoerder staat u bekend als bezeten door gedrevenheid.

„Ja, want ook daar lonkt de euforie. Wanneer je het eerste akkoord van de Matthäus-Passion inzet, voel je je direct onderdeel van een magistraal bouwwerk. Alsof je opstijgt; alles valt weg, je betreedt een andere dimensie. Dát is de kracht van de muziek, en dat is een sensueel genoegen. En er zijn veel meer voorbeelden. Het slot van de Gurre-Lieder in C majeur, zo stralend – daar heb je geen fysieke weerstand tegen. Messiaen aan het einde van Saint François d’Assise, ook C-groot. Dat is overweldigend. Je moet van steen zijn wil je dan niet verpletterd worden.”

Bach en Messiaen waren diep gelovig. Dat is ook wat je daar voelt.

„Ik heb nooit geloofd, en ik heb het nooit gemist. Maar dat geloof componisten heeft geïnspireerd tot de allermooiste dingen die er zijn, daarvan ben ik me zeer bewust.”

U leefde wel als een soort monnik. Alleen dan in dienst van de muziek.

„Daar zit wat in. Ik heb een onwankelbaar geloof in de kracht van muziek. In het uitdragen daarvan heb ik het fanatisme van de gelovige. Als je niet van Bach houdt, wat een armoedig leven heb je dan.”

Dat eist wel een prijs. U was nooit getrouwd, heeft geen gezin…

„Ik heb nooit planmatig geleefd. Mensen en dingen komen wel of niet op je weg en alles verandert sowieso voortdurend. Je kunt op talloze manieren je leven leiden, dit is de mijne. Maar doet dat ertoe? Brengt de wetenschap dat Bach veel kinderen had mij iets dichter bij zijn muziek? Gepsychologiseer, laat dat maar aan mijn vrienden over.”

Zijn vrienden belangrijk voor u?

„Zeker, ik was net zes weken in Frankrijk in mijn vakantiehuis, omringd door vrienden. Dat is voor mij een ideale manier om de zomer door te brengen. Maar veel van mijn vrienden zijn inmiddels ook overleden. Degenen met wie ik wilde jaren beleefde op kunstenaarssociëteit De Kring, bijvoorbeeld. Van de zeven makers van de opera Reconstructie zijn ook nog maar twee over. De bekoring van de Herenclub rondom Harry Mulisch en Hans van Mierlo hing voor mij aan hen, en ook zij zijn er niet meer. Zo verdwijnt langzaam een deel van je leven en je geschiedenis. Sommigen mis ik heel erg. Wie heel eigen is, laat ook een enorme lege plek achter. Een bizarre bijkomstigheid is dat ik de laatste tijd veel bezoek krijg van biografen. Robert Ammerlaan was hier om over Mulisch te praten, Jacqueline Oskamp over Louis Andriessen, enzovoort. En anders dan bij mijn eigen biografie krijg ik mijn quotes steeds netjes te lezen.”

Is de dood een vijand of een vriend?

„Ik vind het idee onbevattelijk. Maar het zou toch nog erger zijn als de dood niet bestond. De zin van het leven is dat het eindig is.”