Vijf minuten, niet zes, om parkeerkaartje te kopen

Economie en recht Deze rubriek belicht elke week kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Ditmaal: fiscaal recht.

Foto Getty Images/iStockphoto

Hij parkeert zijn auto in een gebied voor betaald parkeren. Zes minuten nadat een scanauto van de Haagse parkeerwacht registreert dat de auto geparkeerd staat zonder het parkeergeld te hebben betaald, wordt bij een parkeerautomaat betaald voor de auto. Maar de parkeerboete, van 63,75 euro, zit al in het systeem en wordt dan ook verstuurd. Onterecht, vindt de man.

Hij vecht de boete aan bij de rechter. Die geeft hem ongelijk, waarop de man de zaak aan het gerechtshof in Den Haag voorlegt. Immers, hij heeft een parkeerkaartje gekocht, bij de dichtstbijzijnde parkeerautomaat. Hij wil dan ook dat de boete wordt kwijtgescholden.

Het hof oordeelt dat de man helemaal niet naar de dichtstbijzijnde parkeerautomaat is gegaan. Uit kaarten van de parkeerwachten blijkt dat er twee parkeerautomaten op tien respectievelijk veertig meter van de geparkeerde auto staan. De door de man gekozen parkeerautomaat ligt wel driehonderd meter van zijn auto af. Natuurlijk moet een parkeerder een ‘redelijke termijn’ worden gegund om een parkeerkaartje te kunnen kopen, maar in dit geval is „een tijdspanne van in totaal vijf minuten ruim voldoende voor het lopen naar één van deze twee automaten” om het parkeergeld te betalen, aldus het hof. De boete blijft staan.

Uitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2019:2348