Opinie

Transparant parlement? Een onhaalbaar ideaal

Veelgehoorde kritiek: in de Tweede Kamer wordt niet gediscussieerd. Klopt, schrijft , politici willen niet elkaar maar kiezers overtuigen.
Een drukbezette publieke tribune van de oude Tweede Kamer in 1969.
Een drukbezette publieke tribune van de oude Tweede Kamer in 1969. Foto ANP

De positie van het parlement als arena van debat en besluitvorming staat onder druk, betoogde Bastiaan Rijpkema in NRC (Waarom hebben we eigenlijk een parlement?, 31/8). Hij beroept zich daarbij op de omstreden Duitse rechtsfilosoof en democratie-criticus Carl Schmitt, die stelde dat het parlementaire stelsel op twee fundamentele principes gefundeerd is: inhoudelijke discussie en openbaarheid. Volgens Rijpkema schiet de Tweede Kamer op beide punten tekort, omdat „macht en besluitvorming” in toenemende mate „aan het zicht [van burgers] worden onttrokken”.

Er is echter geen enkele reden om ons parlement te beoordelen aan de hand van de criteria van deze antidemocraat en nazi-ideoloog. De naoorlogse politieke denker Dolf Sternberger fileerde Schmitts argumentatie al in 1962. Sternberger stelt dat het een misvatting is om te denken dat het parlement traditioneel een plek van openbare discussie en debat is. Dit is een romantische illusie, afgeleid van het ideaal van de Atheense democratie waar burgers samen tot besluiten kwamen (de politieke praktijk was ook toen al minder fraai). In werkelijkheid zijn de westerse parlementaire instituties ontsproten uit de middeleeuwse standenvergaderingen, waarna zij langzaam transformeerden tot overleginstanties en rechtsprekende organen bestaande uit de adel, de geestelijken en de gegoede burgerij.

Lees het opiniestuk van Bastiaan Rijpkema: Waarom hebben we eigenlijk een parlement?

Het klopt dat in deze vergaderingen daadwerkelijk werd gediscussieerd, maar dat had met bepaalde historische factoren te maken die nu (gelukkig) niet meer bestaan: de parlementariërs vormden een homogene en elitaire groep, zij vertegenwoordigden alleen zichzelf en legden geen enkele verantwoording af aan de bevolking. Ook waren deze vergaderingen niet openbaar.

Onder invloed van de democratiseringsbeweging vanaf de negentiende eeuw werden deze vergaderingen in toenemende mate publiek. Zo zijn de vergaderingen voor de Tweede Kamer sinds 1815 openbaar – de Eerste Kamer volgde in 1848. Voor de Commissievergaderingen van de Tweede Kamer geldt dit pas sinds 1980, in de Eerste Kamer zijn deze vergaderingen in de regel nog altijd besloten(!).

Democratisering door opkomst politieke partijen

Het ontstaan van kranten en politieke berichtgeving, een beter geschoolde bevolking en de uitbreiding van het stemrecht maakten dat burgers in toenemende mate betrokken werden bij het politieke proces. De groei in het electoraat was ook een belangrijke factor in de opkomst van politieke partijen. Die partijen waren organisaties die kiezers mobiliseerden op basis van een duidelijk politiek programma en die voor parlementariërs tevens een middel waren om zich te verantwoorden tegenover partijleden en uiteindelijk hun kiezers.

Met de komst van de politieke partijen nam de vertegenwoordiging van burgers en dus het democratisch gehalte van het parlement toe. Het gevolg was wel dat de discussie zich vanuit het parlement naar de fractiekamers en partijorganen verplaatste. Voorafgaand aan de parlementaire vergadering nemen fracties immers een inhoudelijk standpunt in zodat de partijleden in de politieke arena met één stem spreken en de partij een duidelijk profiel ontwikkelt. Fractiediscipline is daarmee een indirect gevolg van de uitbreiding van het algemeen stemrecht.

De historische ontwikkeling van het parlement laat zien dat Schmitts criteria van discussie en openbaarheid geen wezenlijke kenmerken van het parlementaire stelsel zijn en bovendien haaks op elkaar staan. Zij die pleiten voor méér inhoudelijk debat en minder partijpolitiek in de Tweede Kamer, bepleiten daarmee feitelijk een terugkeer naar het achttiende-eeuwse, predemocratische ‘notabelenparlement’ dat slechts de elite vertegenwoordigt, of naar een parlement dat discussieert, maar dan niet in het openbaar.

Naarmate politici in het parlement steeds meer partijpoliticus werden, zijn zij steeds minder gaan proberen om elkaar te overtuigen in het parlement. Hun overtuigingskracht ging zich des te meer op de kiezer richten. Het moderne parlement is een theater waarin politieke partijen hun standpunten etaleren en duidelijk maken hoe ze zich van elkaar onderscheiden.

Niet openbaarheid, maar verantwoording

Daarmee is politieke machtsvorming voor de burger inzichtelijker dan ooit tevoren – het publiek is dan misschien niet aanwezig bij het nemen van „de echte besluiten”, zoals Rijpkema stelt, maar dat is het ook nooit geweest. Totale transparantie is een onhaalbaar ideaal. Het gaat erom dat burgers ambtsdragers en politici via de stembus ter verantwoording kunnen roepen.

Ook de Europese bestuurslagen doen aan die inzichtelijkheid niets af. Het politieke besluitvormingsproces in Brussel verschilt in essentie maar weinig van het besluitvormingsproces in Den Haag. Het probleem is eerder dat het reilen en zeilen in de EU te weinig onderdeel is van het publieke debat. Terwijl juist Europese wetgeving een grote impact op burgers heeft – neem bijvoorbeeld het verbod op pulsvisserij of de nieuwe privacy-wetgeving – en onze vertegenwoordigers in het Europees Parlement en de Raad van Ministers grote invloed hebben op hoe deze wetgeving eruitziet.

Meer aandacht voor de vraag hoe de Europese Unie besluiten neemt, zou daarom zeer wenselijk zijn, maar dat is op zichzelf geen reden om aan het parlementair stelsel te sleutelen. Tenzij we antidemocraat Schmitt geloven, functioneert ons parlement namelijk zo slecht nog niet.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.