In de koranschool leren kinderen dat Nederland niet hun land is

Salafistisch onderwijs Salafisten krijgen meer greep op het islamitisch onderwijs in Nederland, zegt inlichtingendienst AIVD. Wat leren jongeren bij salafistische organisaties? „Het is een verplichting van elke moslim om afkeer te hebben van de ongelovigen.”

In het onderkomen van Stichting Taubah in Veenendaal leerden kinderen onder andere over de grote risico’s van het aanbidden van meerdere goden.
In het onderkomen van Stichting Taubah in Veenendaal leerden kinderen onder andere over de grote risico’s van het aanbidden van meerdere goden. Foto Bram Petraeus

‘Per consensus verboden!”, roept Aboe Aicha door het leslokaal tegen de jongeren. Het is „een verschrikkelijk grote zonde” als jij je buren of collega’s prettige kerstdagen wenst.

Van achter een tafel in een Eindhovense moskee windt de islamdocent zich al tien minuten op over moslims die niet genoeg afstand nemen van Kerstmis. Een opname van de les is te bekijken via YouTube. Vanaf een laptop leest Aboe Aicha, met een geruite sjaal om zijn nek gewikkeld, teksten voor van Saoedische geleerden die uitleggen dat moslims niet mogen lijken op de ongelovigen, laat stáán zich mogen inlaten met hun feestdagen.

Een felicitatie met kerst, zegt Aboe Aicha, houdt in dat je er tevreden mee bent dat christenen God een zoon hebben toegekend. „Maar Allah heeft geen zoon, Allah heeft geen zoon nodig!”

Luister het fragment over feliciteren met kerst

Je kunt nog beter iemand feliciteren met een moord, dan met kerst, zegt Aboe Aicha. Dat laatste is een „grotere zonde”.

Dertiger Mohammed Riani – die zichzelf Aboe Aicha noemt – hoort bij een nieuwe generatie jonge predikers die in Nederland het salafisme onderwijst. Kenmerkend voor deze fundamentalistische stroming: het streven om terug te keren naar de ‘zuivere’ islam van de eerste generaties moslims, de salaf. Inclusief de omvangsvormen, wetgeving en staatsinrichting uit die tijd, vijftienhonderd jaar geleden.

Salafisten krijgen steeds steviger greep op het islamitisch onderwijs in Nederland, schreef de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD) dit jaar in zijn jaarverslag. Zij leren kinderen een „onverdraagzame boodschap” die hen vatbaar kan maken voor gewelddadig jihadisme. De waarschuwing maakte verschillende reacties los. Moskeebestuurders riepen de geheime dienst op met concrete voorbeelden en cijfers te komen, omdat op deze manier het héle islamitische onderwijs in een kwaad daglicht zou worden gesteld. Ook de Tweede Kamer wil weten wat salafisten precies aan kinderen leren en in welke omvang ze dat doen. Reden voor NRC en Nieuwsuur om onderzoek te doen.

We beginnen met het aanleggen van een salafistische ‘kaart’ van Nederland. Daarvoor raadplegen we salafisme-experts, interne overheidsmemo’s, openbare rapporten en bekijken via sociale media waar salafistische predikers lessen verzorgen. Zo identificeren we vijftig onderwijsorganisaties met sterke salafistische invloeden. De meesten zitten in de Randstad, opvallend vaak in Amsterdam.

Vergeleken met het totale aanbod van islamitisch onderwijs is vijftig organisaties een beperkt aantal. Zo telt Nederland minstens vijfhonderd moskeeën die vaak ook iets doen aan educatie. Tegelijkertijd vertellen die absolute getallen niet het hele verhaal. Wie online op zoek gaat naar islamitische kennis, komt vrijwel zeker uit bij salafisten. Wat betreft communicatie en financiële middelen loopt de beweging ver voor op de rest. Waar traditionele moskeeën nog discussiëren over de vraag of zij op Facebook moeten, zijn salafisten al bezig met het ontwikkelen van eigen apps. Ze streamen bijeenkomsten live op sociale media, leiden eigen docenten op, ontwikkelen Nederlandstalig lesmateriaal, boeken, flyers en cartoons, bijgestaan door geldschieters uit Koeweit, Qatar en Saoedi-Arabië. Zo hebben salafisten, hoewel relatief klein in aantal, een veel groter bereik dan de andere spelers in het islamitische onderwijsveld.

Om een beeld te krijgen van salafistische educatie, besluiten NRC en Nieuwsuur tien van de vijftig organisaties te bekijken waarvan we de meeste lesstof weten te bemachtigen. We beluisteren en bekijken zo’n zeventig uur aan audio- en video-opnames van lessen die de organisaties zelf online zetten. Ook bellen of schrijven we naar organisaties met de vraag welk onderwijsmateriaal zij gebruiken, ons voordoend als ouders die hun kind overwegen in te schrijven. Dit doen we nadat we merken dat de deur dichtgaat zodra we met open vizier te werk gaan. Zo krijgen we een beeld van wat salafisten in buurtcentra en moskeescholen, buiten het zicht van de Inspectie van het Onderwijs, leren aan Nederlandse kinderen.

DEEL I
De ander, de vijand

Op het raam van een voormalig glasbedrijf, ingebouwd tussen de garages, hangt een vel papier met daarop ‘Stichting Taubah’ en een telefoonnummer. Het is de ruimte in Veenendaal die Aboe Aicha een paar jaar geleden betrekt met een aantal gelijkgestemden. Ze zijn dan net uit de Marokkaanse moskee van Veenendaal gewerkt, waar geloofsgenoten niet op hun lessen zaten te wachten.

Taubah, volgens haar website „opgericht om de Veenendaalse gemeenschap te adviseren, onderwijzen, begeleiden en bij te staan waar nodig”, gaf vorig jaar aan 65 kinderen wekelijks islamitische les, in de weekenden en op vrijdagavond.

Foto Bram Petraeus In het onderkomen van Stichting Taubah in Veenendaal leerden kinderen onder andere over de grote risico’s van het aanbidden van meerdere goden.

In een video van zo’n les is te zien hoe tientallen kinderen van basisschoolleeftijd in een kring om de docent heen zitten. Een voor een komen ze voor hem staan om iets te vertellen wat ze in de les hebben geleerd. Een jongetje in een bruine trui vertelt over polytheïsme (het aanbidden van meerdere goden).

Met zachte stem: „Polytheïsme is dat je eerst in Allah gelooft maar dan denk je: ‘Nee, ik geloof in Jezus.’ En dat is niet goed. Allah wordt dan boos.”

„Allemaal effe opletten!” De docent knipt in zijn vingers. „Dus polytheïsme, is dat goed of fout?”

Fout, zegt het jongetje.

„Ja, maar is dat fout of heel erg fout?”

„Heel erg fout.”

„Ja, maar is het heel erg fout of is het de érgste fout?”

„Ergste fout!”, roepen alle kinderen tegelijk.

„Góéd zo”, zegt de docent. Hij legt zijn handen op beide schouders van het jongetje. „Er is één zonde die Allah nooit vergeeft, en dat is?”

„Polytheïsme!”

Met deze boodschap begint het salafistisch onderwijs voor de jongsten. Niets of niemand anders dan Allah mag aanbeden worden. Aanbid je iemand naast Allah, ben je een polytheïst. Aanbid je niemand, ben je een kafir (ongelovige).

Polytheïsme is de zonde „die koste wat het kost vermeden moet worden!!!”, staat in De Regenboog, het ‘handboek voor pedagogisch onderwijs van de basis van de islam’. De reeks van acht boeken wordt door diverse moskeeën in Nederland gebruikt voor islamles aan kinderen vanaf zes jaar.

Op het eerste oog verschilt deze boodschap niet van die van andere monotheïstische religies: onze god bestaat, andere goden niet. Maar salafisten gaan een stap verder. Andersgelovigen worden in de boekjes afgeschilderd als de vijand.

Het aanbidden van iets anders dan Allah is „een vorm van verzet tegen Allah”, lezen we in De Regenboog. En wie zich verzet, heet verderop in het boek een „vijand” van de islam.

„Wat doet Allah met de vijanden van de Islam?”, luidt de vraag in het lesboekje. Het antwoord moeten worden gevonden op de pagina ervoor, in een verhaal over twee vijanden van de islam: „Allah heeft beloofd om hen te straffen in een Vuur van vlammen.”

Een ander hoofdstuk is gewijd aan ‘schijnheiligen’: mensen die zich moslim noemen, maar in werkelijkheid niet geloven. Ook zij zijn „vijanden” en „een zware vorm van kwaad en een gevaar voor de maatschappij”. Het boekje beschrijft hoe zo iemand is te herkennen: als iemand te lui is om te bidden, is dat „een teken van schijnheiligheid”.

Lees ook het eerste deel van het onderzoek naar moskeefinanciering

Als we Micha de Winter, hoogleraar pedagogiek aan de Universiteit Utrecht, de lesstof laten lezen, schrikt hij. „Wat hier aan jonge kinderen wordt geleerd, is dat mensen die niet precies hetzelfde denken als jij, per definitie slecht zijn”, zegt De Winter, die al jaren onderzoek doet naar radicalisering. „In de wetenschap noemen we dat othering: de ander krijgt allerlei slechte eigenschappen toegekend. Hiermee leer je kinderen dat zij geen respect hoeven te hebben voor andere levenswijzen.”

Naarmate de kinderen ouder worden, wordt het begrip ‘polytheïsme’ steeds verder opgerekt, blijkt uit ander lesmateriaal. Dan krijgen ze te horen dat ook mensen die zelf wetten bedenken – zoals in een democratie – afgoderij plegen. Allah is de enige die wetten mag maken.

„Mensen die zelf wetten verzinnen en ze aan anderen voorschrijven, spelen volgens de leer van de islam voor God”, vermeldt bijvoorbeeld het boek Basiskennis islam dat de islamitische basisscholenkoepel ISBO op haar website aanbiedt in de categorie tweedeklassers op de middelbare school. Ook in andere lessen weerklinkt dat landen alleen met de wetten van Allah mogen regeren, niet met ‘mensgemaakte’ wetten.

Het is een uitgangspunt dat haaks staat op het democratische bestel in Nederland. Welke consequentie moslims hieraan moeten verbinden, wordt pas duidelijk in de lessen voor de oudere pubers.

DEEL II
Loyaliteit en afkeer

De vijftig salafistisch geïnspireerde lesorganisaties maken deel uit van een breder netwerk. De docenten zijn veelal opgeleid door een handvol imams die het salafisme vanaf de jaren tachtig in Nederland verspreiden. Een van die grondleggers is de Marokkaanse imam Abdillah Bouchta, voorman van de ‘apolitieke’ salafisten die loyaal zijn aan het Saoedische koningshuis. Zeker dertien van de vijftig organisaties kunnen aan hem worden gelinkt.

Een ander centraal figuur is de Syriër Ahmed Salam uit Tilburg, die in 2004 in het nieuws kwam omdat hij de hand weigerde te schudden van toenmalig minister Rita Verdonk. Samen met zijn zoon Suhayb Salam heeft hij veel van de huidige salafistische predikers opgeleid. In 2014 doet Suhayb Salam in een lezing uit de doeken welke strategie hij voor ogen heeft voor het opvoeden van moslimkinderen in Nederland. Eerst leer je het kind over Allah, het paradijs en de hel. Daarna leer je hem „dat er moslims zijn, en kuffar [ongelovigen]”, zegt Suhayb Salam. En dat de moslims naar het paradijs gaan, en de kuffar naar de hel. „Zo maak je hem bewust dat er goede mensen zijn, en slechte mensen.” Vervolgens moet het kind weten hoe hij omgaat met de kuffar. Dat hij ze op afstand moet houden. Zodat het voor het kind „geen gewone zaak wordt” om „viezigheid en zedeloosheid” te zien.

Het op afstand houden van ongelovigen is een belangrijk principe in het salafisme. Er bestaat zelfs een speciale term voor: al-wala wal-bara, wat ‘loyaliteit en afkeer’ betekent. „Salafi’s gebruiken die term om aan te geven dat je loyaal moet zijn aan moslims en weg moet blijven bij alles wat niet-islamitisch is”, zegt Joas Wagemakers, universitair hoofddocent islam en Arabisch aan de Universiteit Utrecht. „Inherent aan dat concept is dat er een scheiding wordt aangebracht. Je sluit je eigenlijk op in je eigen club. Dat kan leiden tot isolationisme en, in sommige gevallen, ook tot radicalisering.”

De begrippen loyaliteit en afkeer komen we in de onderzochte lesprogramma’s op verschillende manieren tegen. Het boekje De Regenboog vermeldt dat kinderen geen „kleding van ongelovigen” mogen dragen: want als je op hen lijkt, ben je één van hen. In Arabische stencils waaruit de El Tawheedmoskee in Amsterdam lesgeeft, wordt kinderen uitgelegd hoe zij hun vrienden moeten uitkiezen: „Wees alleen bevriend met een gelovige.”

Fragment uit de les voor jongeren van Mohammed Youyou

„Het is een verplichting voor elke moslim om een afkeer te hebben van de ongelovigen. Zelfs als het je naasten zijn”, zegt prediker Mohammed Youyou in een les voor jongeren in de Almeerse moskee Aboe Bakr Assadik, gestreamd op Facebook. Dat wil niet zeggen dat je niet vriendelijk tegen ze mag zijn, zegt hij. Maar je mag ongelovigen niet prijzen, loven, of van ze houden. Veel moeite zal dit niet kosten, want volgens Youyou heeft ieder mens „van nature” een „afkeer van het slechte”. Youyou: „Je houdt bijvoorbeeld ook niet van moordenaars.”

Nog beter is het om helemaal niet om te gaan met mensen die afwijken van de ‘juiste’ leer, is de boodschap tijdens jongerenlessen van de Maastrichtse onderwijsstichting As-Sunnah. Mensen die „niets met de waarheid te maken willen hebben, hebben ook niets met jou te maken”, vertelt islamleraar Abu Muqbil in zo’n les, te beluisteren op de website van As-Sunnah. „Om vriendschappen met deze mensen te hebben, en etentjes, en voetbalwedstrijden, et cetera: dit is niet de bedoeling. Dit zijn de manieren waarop zij hun bida [nieuwlichterij] geven aan jou.”

Een andere manier om andersgelovigen te behandelen, is hen ‘boycotten’, doceert Abu Muqbil. Als een moslim zó ver is afgedwaald dat hij ongelovig is geworden, is het zelfs „verplicht” om hem te boycotten. Dat houdt in: „Je praat niet met hem, je kijkt hem niet aan, niks.”

Lees ook: Salafistische scholen leren kinderen zich af te keren van Nederland

DEEL III
De emigratie

Waar leidt het toe, als je in een seculiere maatschappij enkel de ‘zuivere’ islam mag volgen en alles daarbuiten moet schuwen?

„Dan krijg je een sekte”, zegt pedagoog Micha de Winter. „Kinderen krijgen het idee dat de eigen wereld goed is en al het andere slecht en dat je daar van moet wegblijven. Wat de religieus leider jou onderwijst moet je aannemen en als je daarover twijfelt is dat heel slecht. Het betekent eigenlijk dat je kinderen van jongs af aan afleert zelf na te denken.” Dat kan ook voorkomen in fundamentalistische christelijke of joodse gemeenschappen, zegt De Winter, maar dat andersdenkenden worden gedefinieerd als de vijand waarmee je geen contact moet hebben, is volgens De Winter in die kringen ongebruikelijk.

Voor mensen die in gedrag of geloof afwijken van de ‘ware’ islam bestaan sancties, leren jongeren op het merendeel van de tien onderzochte locaties. In de El Tawheedmoskee in Amsterdam krijgen kinderen een multiplechoicevraag over wat de straf is voor iemand die zich inlaat met zwarte magie: a. zweepslagen, b. stenigen, c. doden met een zwaard (het laatste is juist). Dezelfde moskee raadt 15-jarigen een boek aan waarin staat wat de straf is voor degene die niet alle ‘zuilen’ (de belangrijkste verplichtingen) van de islam erkent: „Hij moet worden gedood omdat hij ongelovig is.”

Foto Koen van Weel/ ANP Op de Amsterdamse El Tawheed-moskee kregen kinderen een multiple choicevraag over de straf voor iemand die ‘zwarte magie’ bedrijft.

Zo is er een door Allah voorgeschreven straf voor ieder ‘delict’. In Veenendaal heet het dat afvalligen de doodstraf verdienen, in Rotterdam is steniging de sanctie voor overspeligen, in Maastricht horen jongeren dat iemand die niet wil bidden ook de doodstraf kan krijgen.

In de lessen wordt erbij gezegd dat deze straffen alléén gelden in een islamitische staat, niet in Nederland. Maar het islamitische rechtssysteem wordt wel gepresenteerd als het ideaal. „Mensen stelen, bedriegen, hoe komt dat? Omdat het systeem niet klopt”, zegt Aboe Aicha in een les voor jongeren vanaf 14 jaar bij stichting Taubah in Veenendaal, waar hij eind vorig jaar is vertrokken. In tijden dat er met de ‘islam’ werd geregeerd, zegt hij, kwam stelen bijna niet voor. „Waarom niet? Als je steelt, gaat je hand eraf. Een dief moet dan echt goed nadenken of hij gaat stelen. Uiteindelijk doe je het niet.”

Aboe Aicha verheerlijkt de oorlogen die moslimleiders in het verleden hebben gevoerd om de islam te verspreiden. „Een oorlog oftewel de islamitische jihad, dat verricht de leider onder zijn vlag”, doceert hij. „Zo zijn ze altijd gevoerd [..] alleen vandaag de dag houden de leiders ons daarvan af. De leiders zijn bezig met andere zaken. Het gevolg voor ons allemaal als individu is dat je als moslim niks meer waard bent, en dat ze ons uitlachen.”

Saoedi-Arabië komt nog het meest in de buurt van de ideale staat die Aboe Aicha voor zich ziet. Toen hij daar op bedevaart was, vertelt hij tijdens de les, werd iemand op een plein geëxecuteerd wegens ‘tovenarij’. „Prap! Weg ermee. Ja. Ga maar aan tovenarij doen – dan ga je wel honderd keer nadenken wat je doet. [..] Dat zijn geweldige zaken.” Laten we eerlijk zijn, zegt de docent: „Iedereen wenst daar te leven.”

En bij een wens blijft het niet. Predikers door het hele land roepen jongeren op om zich klaar te maken voor vertrek. De Maastrichtse docent Abu Muqbil zegt dat het voor moslims „verplicht” is om „uit het land van shirk” (afgoderij) te verhuizen naar moslimlanden. „Zodat je je kinderen kunt opvoeden op de islam. Dat je ze de waarden kunt leren die jij wil.” In Nederland, zegt Abu Muqbil, mag je niet eens je kind slaan als hij iets heeft gestolen. „Hier kun je niet de opvoeding geven die jij wil. In vele opzichten: wij dienen hier weg te gaan.”

Luister het fragment ‘Nederland is niet ons land’

Ook de imam van de grootste moskee van Nederland, Said Abarkan van de Essalammoskee in Rotterdam, roept in een les die hij eerder gaf in Den Haag moslims op te vertrekken. „Iedereen moet de intentie hebben om uiteindelijk uit dit land te moven”, zegt hij. Want: „Nederland is niet ons land. Ook al heb je een Nederlands paspoort: Nederland is niet ons land.”

Ook in 2014 klonk de oproep tot emigratie ‘uit de landen van afgoderij en ongeloof’. Maar toen uit de mond van terreurbeweging IS die haar kalifaat had gesticht in Syrië en Irak. In alle IS-propaganda kwam deze oproep tot emigratie voor. Duizenden Europese jongeren gaven er gehoor aan. Ook een aantal jongeren die lessen volgde bij de salafistische school in Maastricht. Onder hen Sultan Berzel, die zichzelf kort na zijn vertrek zou opblazen in Bagdad waarbij 23 mensen omkwamen.

Lees ook de reactie van enkele vooraanstaande imams op het onderzoek van NRC en Nieuwsuur

Volgens strafrechtgeleerde Marloes van Noorloos van de Tilburg University, gespecialiseerd in haatzaaien en ronselen, zijn dergelijke lessen niet strafbaar, maar wel erg onwenselijk. „Als je vijandbeelden leert over andere groepen mensen, is de kans aanwezig dat mensen daarnaar gaan handelen. Niet iedereen zal naar het kalifaat vertrekken, maar op jongeren die er toch al gevoelig voor zijn kan het wel die uitwerking hebben. Je kunt dit soort lessen alleen niet aanpakken via het strafrecht: ze vallen binnen de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst.”

„We hebben in Nederland een grote mate van vrijheid en dat is een groot goed”, zegt pedagoog De Winter. „Maar die vrijheid is wel gebaseerd op een gemeenschappelijke basis van democratische waarden. De boodschap die hier aan jongeren wordt gegeven is: vestig je hier niet, integreer hier niet. De agenda is om ze zo ver mogelijk weg te houden bij de Nederlandse samenleving.” De overheid zou daar veel nadrukkelijker een boodschap tegenover moeten zetten, zegt De Winter. „We moeten in het reguliere onderwijs veel sterker aan kinderen uitleggen: wat betekent onze rechtsstaat? Wat is die vrijheid precies? Wat is respect voor anderen? Zorg dat kinderen van jongs af aan op school leren wat het betekent om te leven in een democratie.”

„Tegelijkertijd moet je je afvragen: waarom is die boodschap van het salafisme voor sommigen zo aantrekkelijk? Waarom is Saoedi-Arabië als systeem ineens aantrekkelijker dan het perspectief hier? Dat is omdat er jongeren zijn die opgroeien in een situatie waarin zij denken: ik doe er niet toe, ik word met de nek aangekeken omdat ik moslim ben. Ik wil geen slachtoffers van ze maken, maar die cultuur van achterstand, armoede en buitengesloten voelen is een enorme voedingsbodem voor dit soort bewegingen.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie NRC Vandaag: In de Koranschool leren kinderen dat Nederland niet hun land is

U kunt zich ook abonneren via Apple Podcasts, Stitcher, Spotify, Castbox of RSS.