De ontslagvergoeding is geen schadevergoeding

Economie en recht Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week: fiscaal recht.

Foto Bart Maat/ANP

Hij werkt bijna zestien jaar voor een hogeschool, maar niet altijd met evenveel plezier. Als hij voor de tweede keer een burn-out krijgt, maakt hij afspraken over een afvloeiingsregeling. Een eerste aanbod voor een ontslagvergoeding wijst hij af – te laag. In gesprekken met zijn werkgever zegt hij grote financiële en emotionele schade te hebben geleden omdat de beloofde doorgroei niet is doorgegaan en door de slechte verstandhouding met zijn leidinggevende na zijn overplaatsing binnen de hogeschool. De gesprekken leiden tot een nieuw aanbod – de man krijgt een eenmalige ontslagvergoeding van ruim 107.000 euro, het dubbele ten opzichte van het eerste aanbod. De man tekent.

De door de Belastingdienst ingehouden loonbelasting vindt de man onterecht: de ontslagpremie zou gedeeltelijk moeten worden aangemerkt als een vergoeding voor immateriële schade.

Het hof Arnhem-Leeuwarden buigt zich over de zaak. Daar stelt de man dat er geen verband is tussen een deel van de vergoeding en de dienstbetrekking. Jarenlange spanning en frustratie over het uitblijven van de beloofde hogere inschaling en over de overplaatsing hebben geleid tot gezondheidsschade voor hem en zijn gezin. De vergoeding heeft betrekking op dat leed, niet op het werk, aldus de man. De Belastingdienst wijst op het beëindigingscontract waarin staat dat de ontslagpremie „alleen dient” ter compensatie van inkomensschade. Het hof gaat met die redenering mee. Bovendien heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat zijn werkgever „een deel van de ontslagvergoeding heeft bedoeld als vergoeding van immateriële schade en om welk bedrag het gaat”.

Uitspraak: ECLI:NL:GHARL:2019:6653