De bevrijding van Nederland

Nederland werd 75 jaar geleden bevrijd. NRC volgt die bevrijding op de voet, door met de laatste ooggetuigen te spreken.

bevrijd gebiedonder water

20 september 1944

De 97-jarige Amerikaan Don Jakeway vocht in september 1944 bij Arnhem. Hij is de enige van zijn groep die nog leeft. „Als ik de begraafplaats in Normandië bezoek, denk ik: waarom slaap ik daar niet?”

Vijfenzeventig jaar geleden hoorden Don Jakeway en zijn kameraden op de luchtmachtbasis in Langley, Groot-Brittannië, dat ze de volgende dag zouden worden gedropt voor een operatie. Doel: de bruggen over de Waal veroveren op de Duitsers en zo de weg vrijmaken voor de bevrijding van het bezette noorden van Nederland. De kans dat ze het er heelhuids vanaf zouden brengen, zei de generaal, was 15 procent. „In onze opleiding was er een ijzeren discipline ingehamerd. Je deed domweg wat je had geleerd. Wij waren er zo zeker van dat ons niks kon overkomen.”

Beluister hier onze podcast NRC Vandaag: De bevrijding was méér dan 5 mei alleen

Jakeway loopt heelhuids door zijn huis in Johnstown, Ohio, aait zijn hond, zegt tegen zijn vrouw dat hij zich even terugtrekt in zijn ‘museum’. Zij blijft onverstoorbaar schommelen in de stoel voor de tv. In januari wordt hij 97, zegt Jakeway, terwijl hij de kamer van zijn verleden inloopt. Van alle mensen die met hem in Nederland waren in september 1944 is hij de enige die nog leeft. Een gek gevoel.

Don Jakeway Maddie McGarvey

Paratroopers

In 1923 werd Don Jakeway geboren in hetzelfde Johnstown, een paar mijl verderop, op een tuinderij. Hij was een sportieve jongen, die football, honkbal en basketbal speelde op school. Toen hij een sportheld van een andere school had verslagen, kwam die hem na afloop opzoeken met twee formulieren. „Hé stoere”, zei die. „Ik ga me aanmelden bij de paratroopers. Doe je mee?” Jakeway zei ja. „Ik had geen idee wat een paratrooper was.” Het hielp ook dat de soldij 100 dollar per maand was, het dubbele van wat een gewone soldaat kreeg. „Mijn vader verdiende 18 dollar per maand.”

Twee jaar intensieve training later werd Jakeway, 21 inmiddels, overgevlogen naar Europa. Eerst Belfast, toen Nottingham en in de nacht van 6 juni 1944 werd hij achter de Duitse linies gedropt in Normandië. „Ik landde om tien voor half één, tien voor half twee Franse tijd”, zegt hij met een precisie die verraadt dat hij dit veel, veel vaker heeft verteld.

Op zijn dijen had hij twee landmijnen gebonden, verder droeg hij zes halve pakken TNT, een C2 plastic explosief, een gammon grenade om tanks mee uit te schakelen, drie banden met munitie voor zijn karabijn en nog vier handgranaten - Jakeway was een demolition-expert. „Als ik door luchtafweergeschut was geraakt, zou ik nog een heel eind hoger in de hemel zijn gekomen.”

Hij kwam in een boom terecht, in de tuin van een kerk in Saint-Clair-sur-l’Elle, bijna dertig kilometer van Utah Beach. „Ik was doodsbang.” De Duitsers hadden zoveel Amerikaanse toestellen neergehaald, dat de parachutisten over het hele gebied waren verspreid. „Het heeft mij tien dagen gekost om mijn compagnie terug te vinden.” Van de 130 kameraden met wie Jakeway op D-Day werd gedropt, leefden er een maand later nog 39.

Dakota’s vliegen over de beltkorenmolen in Bergeijk op 17 september 1944.
ANP
Luchtfoto van de gevechten op de brug in Arnhem. Gemaakt 19 september 1944.
Dakota’s bij Bergeijk en een luchtfoto van de gevechten bij Arnhem uit 1944.
ANP, Fotocollectie Elsevier

Berg en Dal

Zondag 17 september is een zonnige dag. Operatie Market Garden gaat van start. De Britse veldmaarschalk Montgomery wil met een verrassingaanval de bruggen over de Nederlandse rivieren veroveren, met gebruik van drie divisies parachutisten.

Amerikaanse para’s – de 101ste en 82ste Airborne Division – landen rondom Eindhoven en Nijmegen, terwijl de Britten van de 1ste Airborne Division springen bij Arnhem, waar de Rijnbrug het ultieme doel is. Over het tapijt dat zij uitrollen, moeten de Britse grondtroepen doorstoten naar het noorden, waarna de rest van Nederland bevrijd kan worden - én met een bocht naar rechts het hart van Duitsland binnen bereik is.

Even voor half twee in de middag scheren de paratroopers van de 82ste Luchtlandingsdivisie laag over de grond. Ze zien mensen zwaaien met oranje wimpels. Het is de grootste luchtarmada die tot dan toe op pad is gestuurd. „Toen wij boven Nederland uit ons vliegtuig sprongen, moesten de laatste toestellen van het eskader nog opstijgen in Engeland.”

De paratroopers van Jakeways 508ste regiment moesten de landingsplaats veilig maken voor de zweefvliegtuigen met het materieel. Duitse troepen hadden hun artillerie gericht op de uiterwaarden langs de Waal. „Die hebben we verjaagd.”

In de dagen erna leverden de Amerikanen gevecht op gevecht. Ze lagen op een steile helling even buiten Beek. Dag na dag verjoegen ze de Duitsers en dan trokken ze het dorp weer uit. Kwamen de Duitsers terug. Dat ging zo drie dagen achter elkaar. Op de vierde dag zei kapitein Louis Toth tegen de manschappen: „Ditmaal gaan we niet terug.” Jakeway, destijds sergeant: „We drongen ze helemaal terug tot in Duitsland.”

Was Toth een goeie commandant? Jakeway zwijgt even. „Weet je, de man leeft niet meer en zo. Toth had zes Purple Heart-medailles, maar ik weet dat hij er eentje heeft gekregen omdat hij zijn arm had opengehaald aan prikkeldraad. Hij was de enige officier die ik echt heb leren kennen, omdat ik toen als sergeant diende. Natuurlijk heb je officieren nodig, maar de oorlog wordt gewonnen door de sergeants die de mannen hun orders geven in het gevecht.”

Nederlandse burgers zag Jakeway haast niet tijdens de gevechten. Maar toen de Amerikanen voor Berg en Dal lagen, kwam een vrouw haar huis uit en nodigde de soldaten uit. „Wij zaten in schuttersputjes en ik liet mijn jongens een voor een naar binnen gaan. Ik ging als laatste. Toen ik kwam, stonden op tafel borden met vijf aardappelen en wat vlees. Ik voelde me ellendig, ik dacht: dat is hun rantsoen voor weken en dat maken ze nu op voor ons.”

Toen ze uiteindelijk hotel Groot Berg en Dal innamen, een hoofdkwartier, was de koffie in de kopjes nog warm, zo overhaast waren de Duitsers vertrokken. In de kelder van het hotel lag alles wat de Duitsers hadden opgeslagen: vlees, eieren. „We hebben het met veel plezier naar buiten gesleept en teruggegeven aan de mensen in het dorp.”

Nadat de Duitsers zich hadden teruggetrokken, zagen de paratroopers zich voor een nieuw probleem gesteld. „De mensen kwamen allemaal hun huis uit om ons te begroeten, snel oprukken was onmogelijk geworden. We kwamen er niet doorheen met ons materieel.”

Geen gevangenen

Don Jakeway Maddie McGarvey

Net als in Normandië kregen de parachutisten voor ze werden afgeworpen boven Nederland van hun superieuren de order mee: geen gevangenen in de eerste tien dagen. Jakeway: „Waar hadden we ze ook kwijt gemoeten? We sprongen met zo’n zesduizend paratroopers, er lagen tienduizenden Duitsers. Wat doe je dan met gevangenen?”

Op een dag raakten ze in een vuurgevecht. „Ik zat achter een machinegeweer. Het ging wel een uur over en weer. En ineens werd het helemaal stil. Ik zit daar. Wachten. Een Duitse soldaat staat op, met een rood kruis op zijn rug, een hospik. Hij raapt een gewonde Duitser op, draait zich om en loopt weg. Ik riep tegen mijn mannen: ‘Niet schieten.’ Hij klom over een muurtje. Een kwartier later hoorden we wat rumoer en daar komen over de weg eenenzestig Duitse soldaten aanlopen om zich over te geven. Ik weet zeker dat ze niet waren gekomen als we die hospik hadden doodgeschoten. Die soldaten hebben we twee aan twee in een schuur opgesloten, ik weet niet wat er daarna met hen is gebeurd.”

In Normandië, zegt hij, was hij erbij toen Duitsers die zich hadden overgegeven, vanaf een truck neer werden gemitrailleerd.

Gewonnen!

Market Garden is de meest monumentale mislukking van de geallieerde campagne na D-Day. De grondtroepen raakten niet tot in Arnhem. Wanneer merkten de soldaten op de grond dat de strijd verloren was? „Verloren? Wij dachten dat wij hadden gewónnen! De 82ste Airborne heeft in Nederland al zijn doelen bereikt.”

Uit de kast onder zijn M1-geweer haalt Don Jakeway een boek tevoorschijn. Hij hoeft het niet eens open te slaan. Zijn divisie moest oversteken en de spoorbrug innemen, zodat de Britse tanks daar konden oversteken. De operatie is misgelopen door verkeerde beslissingen van de Britse generaal Montgomery.

Het 504de regiment van de 82ste Airborne divisie stak met bootjes de Waal over om de spoorbrug te veroveren. „Met hun geweerkolven, met hun handen peddelden ze om de overkant te bereiken, onder moordend vuur van de Duitsers.” Maar ze raakten aan wal en wisten op de noordelijke oever een cirkel van zo’n anderhalve kilometer veilig te stellen. Zo zouden de Britse tanks de rivier over kunnen en vervolgens doorsteken naar Arnhem, waar zo’n 12.000 Britse militairen met de Duitsers in gevecht waren. „Maar toen Montgomery met zijn tanks eenmaal in de cirkel waren gekomen, wilde hij niet verder. Hij was bang dat zijn tanks zouden worden uitgeschakeld op de smalle wegen naar Arnhem. Hij offerde zijn soldaten op om zijn tanks te redden. In Arnhem hebben niet meer dan tweeduizend Britten het overleefd. Als ze ons hadden laten optrekken, misschien dat we een tank hadden verloren. Nou en?”

Vrienden

Jakeway raakte eind september in Nederland zwaargewond, maar knapte snel genoeg op om het Ardennenoffensief van de Duitsers te helpen keren. „Dat was pas verschrikkelijk, het vroor dat het kraakte.”

Is hij door de oorlog anders naar het leven gaan kijken?” „Nee, ik geloof in de Almachtige. Zodra je geboren bent, begin je met doodgaan.” Toch raakt hij af en toe van zijn stuk tijdens het gesprek. Dat is niet als hij vertelt over zijn verwondingen, niet als hij spreekt over het gevaar. Het is als hij spreekt over de kameraden die in Normandië zijn begraven. „Ze zeggen altijd dat je moet proberen geen vrienden te worden met je kameraden. Misschien lukt dat nog wel bij nieuwe rekruten. Maar als je twee jaar lang samen bent opgetrokken, dan word je vrienden. Een jongen stierf daar in mijn armen. Hij vroeg me: ‘Denk je aan mij?’ Als ik de begraafplaats in Normandië bezoek, dan zie ik daar zeventien jongens liggen met wie ik tegelijk ben opgeleid. Dan denk ik: Waarom slaap ik daar niet?”

Tekst: Bas Blokker
Foto’s: Maddie McGarvey
Kaarten: Roos Liefting
Ontwerp: Janko Bosch
Techniek: Ruud Puylaert
Productie: Bart Funnekotter, Miriam Vieveen

Don Jakeway laat zijn foto’s zien die tijdens de oorlog zijn genomen. Maddie McGarvey

12 september 1944

Op 12 september 1944 werd het Limburgse Mesch als eerste Nederlandse dorp bevrijd. De Duitsers vluchtten weg, ineens waren er Amerikanen.

Het Limburgse Mesch werd als eerste Nederlandse dorp bevrijd. De Duitsers vluchtten weg, ineens waren er Amerikanen.

Van de bezetting hadden ze eigenlijk geen last. Tot de laatste dagen voor de bevrijding. Opeens waren ze daar, de Duitsers. Door de geallieerden verdreven uit Frankrijk en België kwamen ze aan in het dorpje Mesch in Zuid-Limburg. Al snel gevolgd door de Amerikanen. Mia Brouwers (91) zat met haar ouders en tweelingbroer in de kelder. „Boem, boem, boem, hoorden we. Niemand durfde naar buiten.”

Naast de eettafel in haar woonkamer hangt een schilderij van De Laathof, de boerderij waar Brouwers is opgegroeid. De boerderij, een carréhoeve, is opgezet in een vierkant met de poort aan de straatkant. Op de binnenplaats ligt een berg stro waar kippen scharrelen. De stallen voor de koeien en paarden zijn net niet afgebeeld. „Als we uit school kwamen, moesten we meewerken op de boerderij”, vertelt Brouwers. „Bieten snijden voor de koeien en stro halen voor de kachel.” Het was leuk, zegt ze, een fijne jeugd. „Nog steeds ga ik terug naar mijn ouderlijk huis.”

‘Boem, boem, hoorden we. Niemand durfde naar buiten’

In Zuid-Limburg hadden ze het tijdens de bezetting, zeker als boeren, niet slecht. „We konden onze voedselbonnen soms weggeven, omdat we genoeg hadden.” Duitsers kwamen ze niet tegen. Alleen naar school gaan was op een gegeven moment niet meer mogelijk. „We zaten op school in Visé, in België. Elke dag gingen we op en neer met de fiets. Tot opeens ons paspoort werd ingenomen, toen was het klaar. Heel jammer.”

Voorspoedige opmars

Ondanks de bezetting ging het leven in Limburg gewoon door. Pas in die laatste dagen werden ze echt overvallen door de oorlog. „Het ging snel”, zegt ze. De bezetter was bezig aan de terugtocht en overal hoorde ze „schieten, met kanonnen”. Pas achteraf werd het duidelijk dat de Amerikanen net over de grens zaten, in België. Nog geen honderd meter bij Mesch vandaan.

Drie legeronderdelen van het XIXe Amerikaanse Legerkorps, dat vanwege zijn wapenschild bekend stond als Tomahawk, hadden een vlugge en vrij voorspoedige opmars door België gemaakt. Meer dan vijfduizend manschappen stonden 11 september aan de grens met Nederland. Rond tien uur ’s ochtends, dinsdag 12 september, was het zover. Het 117e regiment infanterie kwam tussen grenspaal 35 en 36 Zuid-Limburg binnen. Daar in de boomgaarden, tussen de grens en het dorpje Mesch, ontbrandde een felle strijd tussen bezetter en bevrijder.

„Niemand durfde naar buiten”, zegt Brouwers, terwijl ze met haar handen over de houten tafel wrijft, haar felblauwe ogen even naar beneden gericht. Ze denkt terug aan toen ze in de kelder zat, zestien jaar oud. „Zoveel schieten, zoveel lawaai. De Duitsers liepen rond met die dikke schoenen en geweren.” Ze vat samen: „De mensen waren allemaal bang. Het was geen oorlog daarvoor geweest, we hadden niks meegemaakt, maar toen was de strijd opeens bij ons.” Alle inwoners van het dorp zaten op dat moment in hun kelders. „Daar hoopten we veilig te zijn.”

Mia BrouwersFrank Ruiter

„Boem, boem, boem, hoorden we.” Met handgebaren zet ze haar woorden kracht bij. „De Duitsers liepen om de boerderij, we hoorden overal knallen.” Het werd haar vader te veel. Hij besloot met het hele gezin naar zijn broer te gaan, de straat uit, naar rechts, en nog een stuk rechtdoor. Waarom haar vader ervoor koos de kelder uit te gaan, terwijl het daar juist zo veilig was, weet ze niet. Ook hij was bang, denkt ze. Hij heeft het er nooit meer over gehad.

„Buiten waren overal Duitsers met geweren.” Ze doet voor hoe ze zijn gaan lopen, met hun handen in de lucht. „Ze hebben ons niks gedaan. Niks gezegd. Ik dacht nog, straks beginnen ze te schieten, maar ze deden niks.” Na een angstaanjagende tocht komen ze bij haar oom aan. Ze gaan de kelder in. Daar bleef ze met haar vier nichtjes, tante, oom, tweelingbroer, vader en moeder. Maar precies weten doet ze het niet. „Toen kwamen buren ons roepen: ‘kom maar, we zijn bevrijd!’”

Mesch bevrijd

Om twee uur ’s middags, vier uur nadat de Amerikanen Nederland binnenkwamen, werden de laatste Duitsers uit Mesch verdreven. Het eerste Nederlandse dorp was bevrijd. Heel even kon het gezin feestvieren. Tot haar vader werd weggeroepen. De stallen van zijn boerderij stonden in brand. „Niemand heeft gezien wat er is gebeurd”, zegt Brouwers. Ze vermoedt dat het gebouw in brand is gestoken door de Duitsers. „Ik denk dat ze zich achter de rook wilden verschuilen of dat als afleiding wilden gebruiken. Of misschien was het wel een ongeluk.”

Ze wijst naar het schilderij. „Die dikke balk, daar tussen het huis en de stallen, is doorgezaagd, zodat de vlammen niet van de stal over konden slaan op het huis.” Ze kijkt naar haar handen. „Het ergst vond ik het voor het vee.” Een paar paarden konden uitbreken, maar het grootste deel van de koeien en paarden zat vast. „Het vuur heeft ze gepakt. Het was verschrikkelijk. We hadden de vreugde van de bevrijding, maar voor ons zat er ook leed aan verbonden.”

Frank Ruiter

Rond half vijf ’s middags kwam een ander deel van het Amerikaanse 117e regiment aan in Eijsden, zo’n tweeënhalve kilometer bij Mesch vandaan. Vanaf de fabriek vochten ze zich een weg richting het station. Het was een hevige strijd, maar de Duitsers waren niet opgewassen tegen de Amerikanen. Die dag lukte het ze de helft van het dorp te bevrijden, tot aan het station. Terwijl een deel van de bewoners de nacht van 12 op 13 september in vrijheid door kon brengen, sliep de rest nog in bezet gebied. Ook de wijk Breust, waar Bèr Pachen (83) is opgegroeid, zou pas de ochtend daarna bevrijd worden. Hem deerde het niet. Hij vond het een romantische en spannende tijd. „We zaten overal met onze snufferd bovenop.”

Fiets

De kinderen uit de wijk speelden tot aan de voorlaatste dag van de bezetting buiten. Ook Pachen. Een jonge Duitse soldaat vroeg hem om een fiets. „Ik ging door de grond. Mijn vader had nog een fiets, maar dat zei ik natuurlijk niet.” De soldaat ging toch even bij zijn ouders langs, maar liet zich – zonder fiets – vrij makkelijk wegsturen. Toen hij later met een oudere soldaat weer terugkwam, was de fiets verstopt achter het schot op zolder en was zijn vader ondergedoken.

Nog maar acht jaar was Pachen en hij vond de Duitse soldaten maar oud en ongemotiveerd. De soldaten moesten eigenlijk voor mangaten langs de weg buiten het dorp zorgen. „Niet dat die veel zijn gebruikt”, lacht Pachen. „Nog voor de Amerikanen aankwamen, waren de meeste Duitsers al vertrokken. Zij die een fiets hadden kunnen bemachtigen per fiets, de rest ging lopen.”

Hij noemt het de grote uittocht, het vertrekken van de Duitsers op 12 september. „Ze marcheerden langs en onze ouders hielden ons binnen.” Zijn ouders waren bang dat hij de soldaten zou irriteren als hij zich zou laten zien, maar vanachter het raam, verstopt achter het rolgordijn, keek hij stiekem toch.

Bèr Pachen Frank Ruiter

Slapen in de kelder

Die nacht sliep het gezin, zoals elke avond die periode, in de kelder. Zich onbewust van het feit dat een ander deel van het dorp al bevrijd was. Die nacht, net als elke nacht daarvoor, waren er luchtgevechten, maar dat geluid weerklonk in de kelder maar zacht. „Heel soms mochten we buiten kijken naar de luchtgevechten, maar niet lang, er konden altijd granaatscherven bij mensen terecht komen.”

Na het „vuurwerk” moest hij snel terug de kelder in, waar ze met zijn tienen sliepen. Zijn vader had de kelder gestut, en de luchtgaten afgeschermd met zand. De jonge Bèr vond het spannend en romantisch. „Lichaam aan lichaam, de geur van het stro, ik vond het heerlijk.”

Op de ochtend van 13 september was het stil in de wijk. De Duitsers waren weg, maar er was ook nog geen bevrijder gezien. „Dus gingen we voetballen. Tot we in de namiddag, ik kan het me nog goed herinneren, door het doorkijkje naar de doorgaande weg tussen de bomen beweging zagen.” Heel langzaam, zegt hij, als een slak.

Zijn moeder lag op het moment dat de Amerikanen langs het dorp trokken doodziek in bed, maar zijn vader liet haar toch even alleen. Hij was een te nieuwsgierig mens om het spektakel aan zich voorbij te laten gaan, zegt Pachen. „Wij wilden natuurlijk ook kijken, maar mochten niet. Veel te gevaarlijk, zeiden ze. Maar ja, dat moet je tegen kinderen zeggen, een uur later waren wij er ook.” Het bleek een stoet tanks te zijn, van een ander legeronderdeel dan de dag ervoor Eijsden tot aan het station had bevrijd. Dit was een eskadron van de 113e cavaleriegroep, bijgenaamd Red Horse. Weerstand was er niet meer, nagenoeg alle Duitsers waren vertrokken.

„De hele club die aan het voetballen was, is er naartoe gegaan. Door het steegje naar de rijksweg, waar het gebeurde. Je moest er met je snufferd bij zijn natuurlijk. ‘Viva Amerika’ moet je roepen, zei een buurvrouw. Dat brengt wat op.” De Amerikanen gooiden vanaf hun tanks snoep naar de kinderen. „Kauwgom en chocola, dat hadden we eigenlijk nog nooit gezien.” De kinderen renden achter de tanks aan. „Nooit genoeg, hè”, lacht Pachen.

Moeilijke dagen

Voor zijn moeder had de bevrijding niet veel langer op zich moeten laten wachten. „Het waren moeilijke dagen voor haar. Op 2 september was ze bevallen van mijn broertje Henrie, maar het was misgegaan bij het borstvoeding geven. Een zwerende borst noemden ze dat toen.” Het was onmogelijk om bij het ziekenhuis in Maastricht te komen. „De dokter kwam wel, met paard en wagen, maar hij kon haar niet wegbrengen. De straten waren onbegaanbaar.” Dus behandelde de dokter zijn moeder in huis. „Hij heeft haar kunnen helpen, maar niet kunnen genezen. Er was geen ontstekingsremmende medicatie.” Ze bleef koorts houden.

„Twee dagen waren we bevrijd, toen de dokter een Amerikaanse legerarts heeft aangesproken voor medicijnen. Ik zie hem nog staan. Hoe ze het deden weet ik niet, de een sprak alleen Nederlands en de ander alleen Engels maar het is gelukt.” Pachen glimlacht opgelucht. „Het is dankzij de bevrijding zo gegaan, anders was het misschien niet goed afgelopen.”

Tekst: Sarah Ouwerkerk
Foto’s: Frank Ruiter
Kaarten: Roos Liefting
Ontwerp: Janko Bosch
Techniek: Ruud Puylaert
Productie: Bart Funnekotter, Miriam Vieveen

Luister naar de podcast NRC Vandaag: ‘De bevrijding was méér dan 5 mei alleen’