De bevrijding van Nederland

Nederland werd 75 jaar geleden bevrijd. NRC volgt die bevrijding op de voet, door met de laatste ooggetuigen te spreken.

bevrijd gebiedonder water

1 november 1944

Interview De broers Willeboord (93) en Adriaan (91) Gabriëlse wonen al hun hele leven aan de dijk van Westkapelle op Walcheren. Bombardementen van de Engelsen kostten veel dorpsbewoners het leven. „Bij het opgraven van lijken stuitten we op een duim.”

Al hun hele leven zijn ze samen. Met zijn tweeën wonen de gebroeders Gabriëlse onderaan de dijk van Westkapelle, op het uiterste puntje van Walcheren, Zeeland. In hun enorme moestuin verbouwen ze aardappelen, prei en tomaten. Tot in de herfst springt Willeboord (93) bijna dagelijks in zee om te zwemmen en mossels van de paalhoofden te trekken. Zijn jongere broer Adriaan (91) rijdt liever een rondje op de fiets, zegt hij. „Ik heb al veertig jaar niet gezwommen.”

In hun woonkamer met schrootjeswanden blikken ze terug op het enige moment waarop hun broederband werd verbroken: het laatste jaar van de Tweede Wereldoorlog. Vaak onderbreken ze elkaar. Willeboord is de onstuimige van de twee: „Ik weet alles nog van a tot z! Elk detailtje!” Adriaan is bedaarder: „Er is zo machtig veel gebeurd, dat kun je niet allemaal onthouden.”

Adriaan en Willeboord Gabriëlse Foto Frank Ruiter

De breuk ontstond in het begin van 1944, toen de 18-jarige Willeboord werd opgeroepen voor de Arbeitseinsatz. „Ik hoorde bij de laatste lichting”, zegt hij. „Dat was niet mis. Geloof maar dat je van die Duitsers op je donder kreeg.” Terwijl hij in Brabant turf stak, of in Drenthe aardappelen moest rooien, bereidden de geallieerden Operation Infatuate voor: de bevrijding van Walcheren en de rest van Zeeland.

Slag om de Schelde

In september van dat jaar hadden de Britten de haven van Antwerpen in handen gekregen. Alleen kon die niet worden gebruikt omdat de Duitsers de enige aanvoerroute – de Westerschelde – vanuit Walcheren met zwaar bunkergeschut onder vuur namen. Die bereikbaarheid werd het hogere doel van de ‘Slag om de Schelde’, waarvoor de geallieerden Walcheren – en Westkapelle in het bijzonder – wilden opofferen.

De bedoeling was namelijk de Duitsers verdrijven door het hele schiereiland onder water te zetten. Op 3 oktober 1944 staken daarom 247 Engelse Lancaster-bommenwerpers de Noordzee over. Tussen één en vier uur ’s middags gooiden ze – in negen ‘golven’ – 1.270 ton aan bommen op de Westkappelse zeedijk.

Adriaan werpt een strooibiljet op tafel. „Kijk”, zegt hij. „Dat is het begin van de ellende.”

WAARSCHUWING aan bewoners van de eilanden in de monding van de rivier de Schelde”, staat op het gele papier, dat daags voor het bombardement boven het dorp werd uitgestrooid. „ONMIDDELLIJKE EVACUATIE! Waarschuwt uwe buren… gaat weg zonder uitstel. Het is zeer waarschijnlijk, dat de vijandelijke troepen en installaties op uwe eilanden binnenkort aan een hevig bombardement zullen blootstaan. Het gevaar van overstroming bedreigt eveneens uw leven en dat van uwe families. Verlaat de eilanden en indien dat niet mogelijk is, verhuist dan ONMIDDELLIJK naar een veilige plaats.

Adriaan: „Die biljetten zijn hier helemaal niet terechtgekomen. Ze waaiden over het dorp heen. De Engelsen hadden beter moeten waarschuwen, dan waren er meer mensen gevlucht. Die werden nu mooi doodgegooid.”

Willeboord: „Veel mensen begrepen die waarschuwing ook niet. Waar moest je dan naartoe?”

Adriaan: „Ik reed toevallig op mijn fiets in de polder toen die pret begon. Om te schuilen, ben ik in een eenmansgat gekropen.”

Willeboord: „Schützenloch, noemden de Duiters dat. In zo’n put, of in de sloot, zat je veilig.”

Adriaan: „Daar zag ik hoe het dorp de lucht invloog. Op het laatst werd het zo erg dat ik niet meer durfde te kijken. Toen er ook vlakbij bommen vielen, ben ik naar Aagtekerke gevlucht. Soms werd het stil en probeerde ik terug naar huis te fietsen. Maar ik kreeg de kans niet, want telkens begon het opnieuw.”

Willeboord: „Die vliegtuigen kwam in vlagen.”

Adriaan: De eerste die ik zag toen het was afgelopen, was een gewonde Duitser. Die droeg alleen nog zijn jas, zonder hemd, en stond huilend langs de kant van de weg. Maar ja, ik heb niet naar die vent omgekeken. Ik wist niet waar mijn ouwe lui zaten en of ze wel of niet in leven waren, dus ik ben doorgefietst.”

Willeboord: „Ik zat toen in Drenthe, maar ik wist precies wat er in Westkapelle gebeurde. Wij hadden stiekem een radio op zolder: ‘TOM-TOM-TOM-TÔÔÔM! Dit is Radio Oranje. De stem van strijdend Nederland.’ Daar hoorde ik dat de dijk kapot was gegooid en dat er veel doden waren gevallen.”

Adriaan: „Ons huis was nog heel. Er waren alleen wat dakpannen gesneuveld.”

Willeboord: „Huis-je. Het was maar een klein kotje hoor, ook al woonden we er met zijn negenen: onze ouwelui, drie meisjes en vier jongens.”

Foto Frank Ruiter
Foto Frank Ruiter

Adriaan: „Maar er was niemand thuis, dus toen werd ik toch wel ongerust.

Willeboord: „Ik had natuurlijk helemaal geen idee of iedereen nog leefde.”

Adriaan: „Uiteindelijk bleken ze in een van de molens op het dorp te hebben geschuild, de goede gelukkig…”

Verkeerde molen

Er was namelijk ook een ‘verkeerde molen’: molen De Roos. Van de 47 Westkappelaars die daar tijdens het bombardement bescherming zochten, zouden er slechts drie overleven. De rest verdronk toen de molen instortte en brokstukken de uitgang versperden. In totaal kwamen 157 van de 2.369 inwoners om bij het bombardement. Omdat het dorp grotendeels was verwoest en het zeewater steeds verder oprukte, vluchtten de meeste bewoners naar hoger gelegen gebieden, zoals het nabijgelegen Domburg. Dat deed ook het gezin Gabriëlse.

Adriaan: „Daar woonden we in verschillende barakken en bunkers. Soms lagen we met tachtig mensen in een schuur te slapen. Overdag ging ik naar Westkapelle om te helpen met puinruimen.”

Willeboord: „En lijken opgraven. Dat moest ook gebeuren.”

Adriaan: „Bij het graven stuitten we op een duim. Toen vonden we twee vrouwen en een kind van negen jaar. Er was geen schrammetje te zien. Ze waren, zoals veel anderen, meteen gestorven door de luchtdruk. Op 17 oktober was ik weer in het puin aan het werk, toen ze opeens kwamen waarschuwen: ‘Wegwezen, de Engelsen gaan weer bombarderen!’”

Willeboord: „Die wilden het stroomgat in de dijk vergroten.”

Adriaan: „Op weg naar Domburg vlogen de bommenwerpers recht boven mijn hoofd. Ik dacht: waar moet ik nu toch naar toe? Ik ben over een sloot gesprongen en heb mezelf in een grote stapel voederbieten gegooid. Pas toen ik in de gaten kreeg dat ze dit keer vooral tijdbommen gooiden, durfde ik verder te fietsen.”

Na extra bombardementen op de dijken van Vlissingen, Ritthem en Veere was de inundatie van Walcheren voltooid en stond 16.200 van de 18.000 hectare onder water. Voor het slotoffensief verzamelden de geallieerden zich op drie locaties: op 31 oktober landden Canadese en Franse militairen in Vlissingen en op de Sloedam, de enige verbindingsweg met Zuid-Beveland. Een dag later, vandaag 75 jaar geleden, klommen Britse, Belgische en Noorse commando’s vanuit landingsboten aan wal in Westkapelle. Dat dorp werd dezelfde dag bevrijd. Maar in Domburg maakten de Britten een fatale rekenfout. Bij hun de aanval op de Duitse bunkers in de duinen gebruikten ze de watertoren als oriëntatiepunt in plaats van de kerktoren. Gevolg: alle granaten vielen op het dorp, waarbij tientallen burgers omkwamen.

Adriaan Gabriëlse Foto Frank Ruiter

Adriaan: „De eerste november was een verschrikking. De beschieting van Domburg is met geen pen te beschrijven.”

Willeboord: „Hele huishoudens werden weggevaagd.”

Adriaan: „Toen de eerste granaten vielen, belandden we op de markt in een drom volk. Alles stond in brand. Door de luchtdruk werden er voortdurend mensen tegen de vlakte geslagen. Of die nu dood of levend waren, weet ik niet. Ik had mijn kleine zusje op mijn schouder en werd tegen het postkantoor geblazen. In de gang van een getroffen huis zag ik een vrouw liggen. In stukken. Er speelde zich daar wat af hoor. Een moeder zat klem onder het puin, terwijl haar dochtertje de hele tijd tevergeefs aan haar arm liep te trekken. Die vrouw is gewoon verbrand. Dat meisje had nog maar één krul van haar haren over en kon alleen maar huilen.”

Willeboord: „Dat kwam door de Warspite! Dat Engelse oorlogsschip lag voor de kust en moest Duitse bunkers onder vuur nemen.”

Adriaan: „Ze hebben er bijna geen een geraakt.”

Willeboord: „Ze schoten alles mis!”

Adriaan: „Als je die granaten hoorde fluiten, was je nog veilig. Maar hoorde je dat niet, dan waren ze akelig dichtbij hoor. Ik weet nog dat ik bij het Badhotel van bom naar bom rende. Ik zag een huilende vrouw weglopen, die lag even later dood, naast twee Duitsers. Ik ben daar goed weggekomen.”

Willeboord: „Het is nogal wat als je dat je allemaal meemaakt, hè?”

Adriaan: „Drie dagen is er vreselijk geschoten. Toen waren we opeens bevrijd. De eerste soldaat die ik zag, was een Belg. Hij schreeuwde naar een paar Duitsers die zich in een schuur hadden verstopt dat ze tevoorschijn moesten komen. Later zag ik hoe een tank de watertoren beschoot tot de laatste Duitsers zich daar overgaven.”

Walcheren verwoest

Op 8 november was Walcheren bevrijd. Maar ook verwoest. Het laatste gat in de dijk bij Fort Rammekens werd pas in februari 1946 gedicht. Het duurde nog vele jaren voordat de verzilte akkers weer enigszins bruikbaar waren voor de landbouw. En: ondanks de bevrijding zouden er ook nog maanden verstrijken voordat de gebroeders Gabriëlse weer herenigd waren.

Willeboord: „Ik had geen idee of iedereen nog leefde. Zij wisten dat inmiddels wel van mij, want ik had via het Rode Kruis een brief gestuurd. Op Dolle Dinsdag was ik met een maat weggelopen. Er kwam er zo’n hoge pief naar ons toe – dat bleek ‘een goeie’ te zijn – die zei: ‘Jongens, smeer hem.’ We zijn de hei opgerend, maar konden nergens terecht. We droegen werkuniformen: niemand wilden ons hebben. Uiteindelijk kregen we burgerkleding en vervalste persoonsbewijzen. Daar stond niet langer op dat we ‘tewerkgestelden’ waren, maar ‘evacués’. Oftewel: we waren vrij!”

Adriaan: „Je moest maar zien hoe je thuiskwam.”

Willeboord: „Van ‘s ochtends tot ‘s avonds: lopen! Af en toe verbleven we een tijdje bij een boer. Daarna konden we onderweg eieren voor sigaretten ruilen. Pas toen ik in Goes een oom tegenkwam, hoorde ik dat mijn oude lui nog leefden en in Domburg woonden.”

Adriaan: „In een bunker onder de watertoren.”

Willeboord Gabriëlse Foto Frank Ruiter

Willeboord: „Het allerlaatste stukje, van Zoutelande naar Westkapelle, moesten we door de duinen lopen. Dat paadje was een karrenspoor breed, aan beide kanten kolkte de zee. Maar toen we eindelijk aankwamen, konden we de oversteek naar het dorp niet maken.”

Adriaan: „In het dijkgat voer een bootje heen en weer, maar alleen bij hoog water. Met afgaand tij werd de stroming veel te sterk. Als dat bootje omsloeg, werd je zo de zee ingetrokken. Zo zijn er na de bevrijding nog heel wat mensen verdronken. Die hadden geen schijn van kans.”

Willeboord: „We zijn omgekeerd, en hebben die nacht in een bunker geslapen. De volgende ochtend voer het bootje wel. Toen we aankwamen, stond mijn vader op het strand, samen met twee van mijn zusjes. Stomtoevallig, omdat hij die dag vrij was.”

Adriaan: „Ik weet het nog goed. Op derde Pinksterdag zaten we voor de bunker in een bomgat te kaarten, toen hij kwam aanlopen.”

Willeboord: „Ik was weer thuis. We waren er doorheen gerold.”

Adriaan: „Je moet geluk hebben hoor, en dat hebben we gehad ook. En toen het allemaal voorbij was, had je een reuzeleven. Je kon doen wat je wilde! We liepen hele dagen met geweren te schieten en handgranaten te gooien.”

Willeboord: „En die granaatscherven verkochten we vervolgens als oud ijzer, haha!”

Adriaan: „Het was een nare tijd geweest, maar we leefden nog. Maar vergeten doe je het nooit.”

Tekst: Frank Provoost
Foto’s: Frank Ruiter
Kaarten: Roos Liefting
Ontwerp: Janko Bosch
Techniek: Ruud Puylaert
Productie: Bart Funnekotter, Miriam Vieveen, Pauke van den Heuvel

25 september 1944

Tweede Wereldoorlog Sandy Cortmann sprong als 22-jarige paratrooper uit een vliegtuig. Maar zijn bataljon kwam bij Arnhem onder vuur te liggen. Op 25 september 1944 werd hij krijgsgevangen genomen. „Ik kon niet zwemmen.”

Als Sandy Cortmann, gezeten in zijn rolstoel in een verzorgingstehuis in Aberdeen, vertelt over Arnhem, dan praat hij niet, maar ervaart hij die dagen aan de Nederrijn opnieuw. Zijn ogen draaien weg, zijn benen schudden, zijn armen zwaaien. „Takatakatakatakak. Prrrrrrrrrrt. Overal kogels. Bam. Bam. Bam. Bam. Bam. Bam. Het regent mortiergranaten. We schuilen bij een kerk. Bam. Bam. Bam. Bam. Een soldaat, een jongetje nog, krijst. Mamma. Mamma. Mamma.” Cortmann ligt in een greppel op zijn rug, de piepjonge soldaat op zijn buik. Hij grijpt de vinger van de Britse paratrooper en kalmeert. Het geschiet houdt aan. Aarde stuift op en slaat in zijn gezicht. „Ik kijk naar de jongen. Grote ogen. Dood. Bam. Bam. Bam. Bam. Opeens is het stil. Diep ademhalen. De lads sleuren mij uit de greppel. Sandy! Gaat het? Ja, ja, ja, ja. Fucking German bastards.”

Dan barst Cortmann (97) in huilen uit. Hij slaakt een oerkreet en maakt een vuist, alsof hij 75 jaar na de Slag om Arnhem de oorlog in zijn hand wil vermorzelen. Als 22-jarige private bij het 3rd Battalion Parachute Regiment sprong hij op 17 september 1944 uit een vliegtuig boven Arnhem.

De Britse paratrooper Sandy Cortmann landde in september 1944 bij Wolfheze: „ik zag iemand blood wegrennen. Opeens kleurde zijn here rug rood. Doodgeschoten.”Merlin Daleman

Britse verrassingsmachine

Cortmann was een van de duizenden radertjes in de grote verrassingsmachine van de Britse veldmaarschalk Bernard Montgomery. Die had een plan. In plaats van gestaag vanuit Frankrijk op te rukken en het Duitse leger terug te duwen, wilde Montgomery geallieerde parachutisten achter de Duitse verdedigingslinies droppen. Zij moesten de bruggen veroveren waarover de grondtroepen naar het noorden zouden trekken.

Amerikaanse paratroopers van de 82ste en 101ste Airborne Divisions sprongen bij Nijmegen en Eindhoven. De Britten en Polen sprongen bij Arnhem, om bruggen over de Nederrijn in handen te krijgen. Montgomery wilde snel en effectief een einde maken aan de oorlog in 1944. Home by Christmas, was het idee.

Aanvankelijk was Cortmann geen para. Hij diende bij een legeronderdeel dat het Britse burgerverzet trainde ter voorbereiding op een Duitse invasie. „Na de Battle of Britain was duidelijk dat er geen invasie aanstaande was. We verzamelden in een zaal om overgeplaatst te worden. Ik wilde naar de Gordon Highlanders, de Schotse infanterie. Maar al mijn makkers zeiden dat ze naar de paratroopers wilden. En jij, vroeg de officier. Ik hoorde mijzelf zeggen: para’s. Wat heb ik gedaan, dacht ik onmiddellijk.”

Cortmann werd klaargestoomd. Zijn training bestond uit acht keer springen, zeven keer overdag, een keer ’s nachts. „Dat deden we met zijn vijven tegelijk uit een heteluchtballon.” Alles wat kon vliegen, werd ingezet om te trainen. „Je moet met je benen uit het bakje van de ballon bungelen. Dan volgt die vrije val en de ruk van de parachute die opengaat. Je glijdt langzaam naar beneden tot je op de grond ploft. De eerste keer was ik verschrikkelijk bang. Daarna kreeg ik er lol in. De nachtsprong vond ik weer vreselijk. Terwijl ik door de zwarte nacht suisde, dacht ik: Sandy, waar ben je mee bezig.”

In gevechtshouding landen

Het was de bedoeling dat de parachutisten op hun voeten landden, zodat ze meteen met hun geweer paraat in de gevechtshouding stonden. „Dat is mij nooit gelukt. Ik landde altijd op mijn kont.”

Na de opleiding belandde Cortmann op een basis gerund door Amerikanen in Spalding, in graafschap Lincolnshire. Op een gegeven moment kregen ze te horen wat hen te wachten stond. „Arnhem? Nog nooit van gehoord. Geen idee waar het lag.”

Een dag voor vertrek, wandelde Cortmann door het stadje, op weg naar zijn vriendin. „Kwam er een jongetje naar mij toe. Ik weet waar jij heengaat, zei hij. Ik voelde mij betrapt, want ik dacht dat hij mijn meisje bedoelde. Zegt dat joch: springen bij Arnhem. Hoe wist-ie dat?” Naderhand gingen er verhalen dat de plannen van de verrassingsaanval waren uitgelekt en ook bekend waren bij de Duitsers.

Cortmann weet nog dat zijn makkers en hij op de 17de september midden in de nacht uit bed moesten. In het donker werden ze achterin vrachtwagens naar de vliegtuigen gebracht. Het gebulder van de motoren was luid, zoals altijd, maar alles was goed georganiseerd en de mannen waren rustig. „We dacht dat dit een klus was die we even gingen klaren. Tot we bij de Nederlandse kust kwamen. Toen brak de hel los. Aan alle kanten knalde de Duitse luchtafweer. Bij heel wat jongens liep het dun door de broek.”

De sprong zelf en de landing waren betrekkelijk kalm, zegt Cortmann. Zijn bataljon landde bij Wolfheze, ten westen van Arnhem en aan de noordkant van de Rijn. Ze begonnen met hun mars richting de stad. „Het was er groen en stil. Huizen waren niet beschadigd.”

Merlin Daleman

Auto met Duitse officier

Op een gegeven moment komen de mannen een geparkeerde Duitse auto langs de kant van de weg tegen. Voorzichtig kijkt Cortmann naar binnen. „Erin zat een officier, een redelijk hoge. Morsdood. Zijn scalp bungelde halverwege zijn nek. Ik kon zijn hersens zien. Ik riep naar de mannen: goh, ik heb nog nooit de binnenkant van iemands hoofd gezien. Dat klinkt nu vreemd om te zeggen, maar zo gingen wij met zaken om.”

Het heeft geen zin om Cortmann te vragen naar het verloop van de slag. Dat weet hij niet meer. Iedere vraag die hem gesteld wordt, beantwoordt hij door een luikje naar het verleden open te zetten. Flarden daarvan staan hem bij, het overzicht niet meer. Eigenlijk net als toen. Rondom Arnhem hadden de soldaten geen idee in wat voor situatie ze waren beland. Het Duitse verzet bleek heviger dan verwacht. De geallieerden hielden in hun plannen geen rekening met twee pantserdivisies van de SS die zich schuil hielden bij Arnhem. De Duitsers stuurden ook snel versterkingen en hadden zwaardere wapens tot hun beschikking.

Dat merkte Cortmann ook. „Opeens stond ik pal voor een Duitse Tiger-tank, een enorm ding, met een reusachtig kanon. Hoe moet ik met mijn geweer dat ding verslaan? Onmogelijk.”

Een losse schoen

Zijn bataljon kwam zwaar onder vuur te liggen. „De Duitsers hadden machinegeweren die alles en iedereen neermaaiden. Op een gegeven moment sta ik naast mijn maat Gordon Matthews. Er wordt geschoten. Iedereen duikt weg. Opeens is Gordon weg. Ik zie een losse schoen liggen, geef er een trap tegenaan en zie dat er een voet, een onderbeen en dij aan vastzit. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat dat Gordon was.”

De Duitsers dreven Cortmann en zijn mannen uit elkaar. Ze vielen terug en zochten onderdak in een kerk. „Een officier, majoor Lonsdale, beklom de kansel en sprak ons moed in. Hij zei dat wij moesten hergroeperen en opnieuw richting de stad zouden trekken”, zegt Cortmann.

De toespraak van Richard Lonsdale, op 20 september, is een bekend moment geworden in de Slag om Arnhem. Gewond en bebloed zei Lonsdale tegen de soldaten: „We’ve fought the Germans before – in North Africa, Sicily, Italy. They weren’t good enough for us then, and they’re bloody well not good enough for us now. They’re up against the finest soldiers in the world.”

Wat dacht Cortmann van de inspirerende woorden? „Go fuck yourself. Dat mompelden we. Maar we volgden zijn bevelen.”

Na negen dagen vechten, op 25 september, kregen de mannen de opdracht zich terug te trekken. Uiteindelijk kwamen de mannen bij de oever van de rivier. Ze werden in het nauw gedreven door Duitse soldaten. Zwemmen, riep iemand. De mannen begonnen zich uit te kleden. Maar Cortmann aarzelde. „Ik kon niet zwemmen”, zegt hij. „Een Duitser begint tegen mij te roepen.” Cortmann dacht aan vluchten. „Ik zag iemand bloot wegrennen. Opeens kleurde zijn hele rug rood. Doodgeschoten. Kom hier, riep die Duitser. Zo werd ik krijgsgevangen genomen.”

De Britten en Polen slaagden er niet in de brug bij Arnhem te veroveren. A bridge too far, concludeerde historicus Cornelius Ryan in een boek in 1974, dat de basis was voor de beroemde film een paar jaar later.

Volgens Cortmann was het plan van Montgomery gedoemd te mislukken. „Heeft hij gefaald door ons dertig mijl vijandelijke gebied in te sturen? Heeft hij voor ons een brug te ver uitgekozen? Of hebben wij gefaald? Was het voor ons een brug te ver? Ik denk dat Montgomery dacht dat hij makkelijk de Duitsers kon verjagen, zoals hij bij El Alamein in de Egyptische woestijn ook had gedaan. Montgomery was een showman, het was beter geweest om geduld te hebben.”

Sandy Cortmann
Foto Merlin Daleman
Sandy Cortmann
Foto Merlin Daleman
Sandy Cortmann
Foto Merlin Daleman
Foto’s Merlin Daleman

Geen sigaretten, nare bewakers

Op maandag 25 september trokken de Britten zich terug naar de zuidelijke oever van de Rijn. Operation Market Garden, zoals het aanvalsplan heette, was mislukt. De nederlaag betekende dat Nederland boven de rivieren niet snel werd bevrijd, dat de bevolking de hongerwinter moest doorstaan.

Cortmann werd gedwongen te werken aan het Duitse spoor. Via een omzwerving belandde hij in een krijgsgevangenenkamp in Zwickau. „Geen sigaretten, weinig eten, nare bewakers”, vat Cortmann die tijd samen. „Op een dag hoorde wij het geroffel van machinegeweren. Niet lang daarna zag ik een Yank, een Amerikaan, aan de poort. Toen wist ik dat de oorlog voorbij was.”

Bij het kamp zag Cortmann een kip lopen. Hij pakte het beest op en zwierde het net zo lang door de lucht tot haar nek brak. „We hebben toen geroosterde kip gegeten.”

In de acht dagen van strijd bij Arnhem sneuvelden tweeduizend geallieerden en dertienhonderd Duitse soldaten. Gordon Matthews ligt begraven op het ereveld in Oosterbeek.

Afgelopen weekend stond Cortmann aan zijn graf. Voor het eerst sinds 1944 was hij terug in Arnhem, voor de grote herdenking van Operation Market Garden. Net als 75 jaar geleden sprong Cortmann boven Arnhem, dit keer met een gigantische glimlach op zijn gezicht, onder een hemelsblauwe lucht. Lopen kan hij eigenlijk niet meer, maar hij oefende met zijn fysiotherapeut net zo lang totdat hij vijftien seconden zijn benen kon optrekken, genoeg om tijdens een tandemsprong zijn mede-springer de landing op te laten vangen.

Cortmann werd geroemd door Johnny Mercer, de Britse staatssecretaris voor Veteranenzaken. Cortmann deelde handtekeningen uit, schudde de hand van prins Charles. „Mensen komen naar mij toe en zeggen dat ik een held ben. Filmsterren als Clark Gable, dat waren helden. Ik was een soldaat. Wij waren allemaal soldaten. De verspilling vind ik nog het ergste aan die hele oorlog. Er waren zo veel goede vaders en echtgenoten die niet terugkeerden. Die konden nooit laten zien wat ze in hun mars hadden.”

Tekst: Melle Garschagen
Foto’s: Merlin Daleman
Kaarten: Roos Liefting
Ontwerp: Janko Bosch
Techniek: Ruud Puylaert
Productie: Bart Funnekotter, Miriam Vieveen

20 september 1944

Interview De 97-jarige Amerikaan Don Jakeway vocht in september 1944 bij Arnhem. Hij is de enige van zijn groep die nog leeft. „Als ik de begraafplaats in Normandië bezoek, denk ik: waarom slaap ik daar niet?”

Vijfenzeventig jaar geleden hoorden Don Jakeway en zijn kameraden op de luchtmachtbasis in Langley, Groot-Brittannië, dat ze de volgende dag zouden worden gedropt voor een operatie. Doel: de bruggen over de Waal veroveren op de Duitsers en zo de weg vrijmaken voor de bevrijding van het bezette noorden van Nederland. De kans dat ze het er heelhuids vanaf zouden brengen, zei de generaal, was 15 procent. „In onze opleiding was er een ijzeren discipline ingehamerd. Je deed domweg wat je had geleerd. Wij waren er zo zeker van dat ons niks kon overkomen.”

Jakeway loopt heelhuids door zijn huis in Johnstown, Ohio, aait zijn hond, zegt tegen zijn vrouw dat hij zich even terugtrekt in zijn ‘museum’. Zij blijft onverstoorbaar schommelen in de stoel voor de tv. In januari wordt hij 97, zegt Jakeway, terwijl hij de kamer van zijn verleden inloopt. Van alle mensen die met hem in Nederland waren in september 1944 is hij de enige die nog leeft. Een gek gevoel.

Don Jakeway Maddie McGarvey

Paratroopers

In 1923 werd Don Jakeway geboren in hetzelfde Johnstown, een paar mijl verderop, op een tuinderij. Hij was een sportieve jongen, die football, honkbal en basketbal speelde op school. Toen hij een sportheld van een andere school had verslagen, kwam die hem na afloop opzoeken met twee formulieren. „Hé stoere”, zei die. „Ik ga me aanmelden bij de paratroopers. Doe je mee?” Jakeway zei ja. „Ik had geen idee wat een paratrooper was.” Het hielp ook dat de soldij 100 dollar per maand was, het dubbele van wat een gewone soldaat kreeg. „Mijn vader verdiende 18 dollar per maand.”

Twee jaar intensieve training later werd Jakeway, 21 inmiddels, overgevlogen naar Europa. Eerst Belfast, toen Nottingham en in de nacht van 6 juni 1944 werd hij achter de Duitse linies gedropt in Normandië. „Ik landde om tien voor half één, tien voor half twee Franse tijd”, zegt hij met een precisie die verraadt dat hij dit veel, veel vaker heeft verteld.

Op zijn dijen had hij twee landmijnen gebonden, verder droeg hij zes halve pakken TNT, een C2 plastic explosief, een gammon grenade om tanks mee uit te schakelen, drie banden met munitie voor zijn karabijn en nog vier handgranaten - Jakeway was een demolition-expert. „Als ik door luchtafweergeschut was geraakt, zou ik nog een heel eind hoger in de hemel zijn gekomen.”

Hij kwam in een boom terecht, in de tuin van een kerk in Saint-Clair-sur-l’Elle, bijna dertig kilometer van Utah Beach. „Ik was doodsbang.” De Duitsers hadden zoveel Amerikaanse toestellen neergehaald, dat de parachutisten over het hele gebied waren verspreid. „Het heeft mij tien dagen gekost om mijn compagnie terug te vinden.” Van de 130 kameraden met wie Jakeway op D-Day werd gedropt, leefden er een maand later nog 39.

Dakota’s vliegen over de beltkorenmolen in Bergeijk op 17 september 1944.
ANP
Luchtfoto van de gevechten op de brug in Arnhem. Gemaakt 19 september 1944.
Dakota’s bij Bergeijk en een luchtfoto van de gevechten bij Arnhem uit 1944.
ANP, Fotocollectie Elsevier

Berg en Dal

Zondag 17 september is een zonnige dag. Operatie Market Garden gaat van start. De Britse veldmaarschalk Montgomery wil met een verrassingaanval de bruggen over de Nederlandse rivieren veroveren, met gebruik van drie divisies parachutisten.

Amerikaanse para’s – de 101ste en 82ste Airborne Division – landen rondom Eindhoven en Nijmegen, terwijl de Britten van de 1ste Airborne Division springen bij Arnhem, waar de Rijnbrug het ultieme doel is. Over het tapijt dat zij uitrollen, moeten de Britse grondtroepen doorstoten naar het noorden, waarna de rest van Nederland bevrijd kan worden - én met een bocht naar rechts het hart van Duitsland binnen bereik is.

Even voor half twee in de middag scheren de paratroopers van de 82ste Luchtlandingsdivisie laag over de grond. Ze zien mensen zwaaien met oranje wimpels. Het is de grootste luchtarmada die tot dan toe op pad is gestuurd. „Toen wij boven Nederland uit ons vliegtuig sprongen, moesten de laatste toestellen van het eskader nog opstijgen in Engeland.”

De paratroopers van Jakeways 508ste regiment moesten de landingsplaats veilig maken voor de zweefvliegtuigen met het materieel. Duitse troepen hadden hun artillerie gericht op de uiterwaarden langs de Waal. „Die hebben we verjaagd.”

In de dagen erna leverden de Amerikanen gevecht op gevecht. Ze lagen op een steile helling even buiten Beek. Dag na dag verjoegen ze de Duitsers en dan trokken ze het dorp weer uit. Kwamen de Duitsers terug. Dat ging zo drie dagen achter elkaar. Op de vierde dag zei kapitein Louis Toth tegen de manschappen: „Ditmaal gaan we niet terug.” Jakeway, destijds sergeant: „We drongen ze helemaal terug tot in Duitsland.”

Beluister hier onze podcast NRC Vandaag: De bevrijding was méér dan 5 mei alleen

Was Toth een goeie commandant? Jakeway zwijgt even. „Weet je, de man leeft niet meer en zo. Toth had zes Purple Heart-medailles, maar ik weet dat hij er eentje heeft gekregen omdat hij zijn arm had opengehaald aan prikkeldraad. Hij was de enige officier die ik echt heb leren kennen, omdat ik toen als sergeant diende. Natuurlijk heb je officieren nodig, maar de oorlog wordt gewonnen door de sergeants die de mannen hun orders geven in het gevecht.”

Nederlandse burgers zag Jakeway haast niet tijdens de gevechten. Maar toen de Amerikanen voor Berg en Dal lagen, kwam een vrouw haar huis uit en nodigde de soldaten uit. „Wij zaten in schuttersputjes en ik liet mijn jongens een voor een naar binnen gaan. Ik ging als laatste. Toen ik kwam, stonden op tafel borden met vijf aardappelen en wat vlees. Ik voelde me ellendig, ik dacht: dat is hun rantsoen voor weken en dat maken ze nu op voor ons.”

Toen ze uiteindelijk hotel Groot Berg en Dal innamen, een hoofdkwartier, was de koffie in de kopjes nog warm, zo overhaast waren de Duitsers vertrokken. In de kelder van het hotel lag alles wat de Duitsers hadden opgeslagen: vlees, eieren. „We hebben het met veel plezier naar buiten gesleept en teruggegeven aan de mensen in het dorp.”

Nadat de Duitsers zich hadden teruggetrokken, zagen de paratroopers zich voor een nieuw probleem gesteld. „De mensen kwamen allemaal hun huis uit om ons te begroeten, snel oprukken was onmogelijk geworden. We kwamen er niet doorheen met ons materieel.”

Geen gevangenen

Don Jakeway Maddie McGarvey

Net als in Normandië kregen de parachutisten voor ze werden afgeworpen boven Nederland van hun superieuren de order mee: geen gevangenen in de eerste tien dagen. Jakeway: „Waar hadden we ze ook kwijt gemoeten? We sprongen met zo’n zesduizend paratroopers, er lagen tienduizenden Duitsers. Wat doe je dan met gevangenen?”

Op een dag raakten ze in een vuurgevecht. „Ik zat achter een machinegeweer. Het ging wel een uur over en weer. En ineens werd het helemaal stil. Ik zit daar. Wachten. Een Duitse soldaat staat op, met een rood kruis op zijn rug, een hospik. Hij raapt een gewonde Duitser op, draait zich om en loopt weg. Ik riep tegen mijn mannen: ‘Niet schieten.’ Hij klom over een muurtje. Een kwartier later hoorden we wat rumoer en daar komen over de weg eenenzestig Duitse soldaten aanlopen om zich over te geven. Ik weet zeker dat ze niet waren gekomen als we die hospik hadden doodgeschoten. Die soldaten hebben we twee aan twee in een schuur opgesloten, ik weet niet wat er daarna met hen is gebeurd.”

In Normandië, zegt hij, was hij erbij toen Duitsers die zich hadden overgegeven, vanaf een truck neer werden gemitrailleerd.

Gewonnen!

Market Garden is de meest monumentale mislukking van de geallieerde campagne na D-Day. De grondtroepen raakten niet tot in Arnhem. Wanneer merkten de soldaten op de grond dat de strijd verloren was? „Verloren? Wij dachten dat wij hadden gewónnen! De 82ste Airborne heeft in Nederland al zijn doelen bereikt.”

Uit de kast onder zijn M1-geweer haalt Don Jakeway een boek tevoorschijn. Hij hoeft het niet eens open te slaan. Zijn divisie moest oversteken en de spoorbrug innemen, zodat de Britse tanks daar konden oversteken. De operatie is misgelopen door verkeerde beslissingen van de Britse generaal Montgomery.

Het 504de regiment van de 82ste Airborne divisie stak met bootjes de Waal over om de spoorbrug te veroveren. „Met hun geweerkolven, met hun handen peddelden ze om de overkant te bereiken, onder moordend vuur van de Duitsers.” Maar ze raakten aan wal en wisten op de noordelijke oever een cirkel van zo’n anderhalve kilometer veilig te stellen. Zo zouden de Britse tanks de rivier over kunnen en vervolgens doorsteken naar Arnhem, waar zo’n 12.000 Britse militairen met de Duitsers in gevecht waren. „Maar toen Montgomery met zijn tanks eenmaal in de cirkel waren gekomen, wilde hij niet verder. Hij was bang dat zijn tanks zouden worden uitgeschakeld op de smalle wegen naar Arnhem. Hij offerde zijn soldaten op om zijn tanks te redden. In Arnhem hebben niet meer dan tweeduizend Britten het overleefd. Als ze ons hadden laten optrekken, misschien dat we een tank hadden verloren. Nou en?”

Vrienden

Jakeway raakte eind september in Nederland zwaargewond, maar knapte snel genoeg op om het Ardennenoffensief van de Duitsers te helpen keren. „Dat was pas verschrikkelijk, het vroor dat het kraakte.”

Is hij door de oorlog anders naar het leven gaan kijken?” „Nee, ik geloof in de Almachtige. Zodra je geboren bent, begin je met doodgaan.” Toch raakt hij af en toe van zijn stuk tijdens het gesprek. Dat is niet als hij vertelt over zijn verwondingen, niet als hij spreekt over het gevaar. Het is als hij spreekt over de kameraden die in Normandië zijn begraven. „Ze zeggen altijd dat je moet proberen geen vrienden te worden met je kameraden. Misschien lukt dat nog wel bij nieuwe rekruten. Maar als je twee jaar lang samen bent opgetrokken, dan word je vrienden. Een jongen stierf daar in mijn armen. Hij vroeg me: ‘Denk je aan mij?’ Als ik de begraafplaats in Normandië bezoek, dan zie ik daar zeventien jongens liggen met wie ik tegelijk ben opgeleid. Dan denk ik: Waarom slaap ik daar niet?”

Tekst: Bas Blokker
Foto’s: Maddie McGarvey
Kaarten: Roos Liefting
Ontwerp: Janko Bosch
Techniek: Ruud Puylaert
Productie: Bart Funnekotter, Miriam Vieveen

Don Jakeway laat zijn foto’s zien die tijdens de oorlog zijn genomen. Maddie McGarvey

12 september 1944

Tweede Wereldoorlog Op 12 september 1944 werd het Limburgse Mesch als eerste Nederlandse dorp bevrijd. De Duitsers vluchtten weg, ineens waren er Amerikanen.

Het Limburgse Mesch werd als eerste Nederlandse dorp bevrijd. De Duitsers vluchtten weg, ineens waren er Amerikanen.

Van de bezetting hadden ze eigenlijk geen last. Tot de laatste dagen voor de bevrijding. Opeens waren ze daar, de Duitsers. Door de geallieerden verdreven uit Frankrijk en België kwamen ze aan in het dorpje Mesch in Zuid-Limburg. Al snel gevolgd door de Amerikanen. Mia Brouwers (91) zat met haar ouders en tweelingbroer in de kelder. „Boem, boem, boem, hoorden we. Niemand durfde naar buiten.”

Naast de eettafel in haar woonkamer hangt een schilderij van De Laathof, de boerderij waar Brouwers is opgegroeid. De boerderij, een carréhoeve, is opgezet in een vierkant met de poort aan de straatkant. Op de binnenplaats ligt een berg stro waar kippen scharrelen. De stallen voor de koeien en paarden zijn net niet afgebeeld. „Als we uit school kwamen, moesten we meewerken op de boerderij”, vertelt Brouwers. „Bieten snijden voor de koeien en stro halen voor de kachel.” Het was leuk, zegt ze, een fijne jeugd. „Nog steeds ga ik terug naar mijn ouderlijk huis.”

‘Boem, boem, hoorden we. Niemand durfde naar buiten’

In Zuid-Limburg hadden ze het tijdens de bezetting, zeker als boeren, niet slecht. „We konden onze voedselbonnen soms weggeven, omdat we genoeg hadden.” Duitsers kwamen ze niet tegen. Alleen naar school gaan was op een gegeven moment niet meer mogelijk. „We zaten op school in Visé, in België. Elke dag gingen we op en neer met de fiets. Tot opeens ons paspoort werd ingenomen, toen was het klaar. Heel jammer.”

Voorspoedige opmars

Ondanks de bezetting ging het leven in Limburg gewoon door. Pas in die laatste dagen werden ze echt overvallen door de oorlog. „Het ging snel”, zegt ze. De bezetter was bezig aan de terugtocht en overal hoorde ze „schieten, met kanonnen”. Pas achteraf werd het duidelijk dat de Amerikanen net over de grens zaten, in België. Nog geen honderd meter bij Mesch vandaan.

Drie legeronderdelen van het XIXe Amerikaanse Legerkorps, dat vanwege zijn wapenschild bekend stond als Tomahawk, hadden een vlugge en vrij voorspoedige opmars door België gemaakt. Meer dan vijfduizend manschappen stonden 11 september aan de grens met Nederland. Rond tien uur ’s ochtends, dinsdag 12 september, was het zover. Het 117e regiment infanterie kwam tussen grenspaal 35 en 36 Zuid-Limburg binnen. Daar in de boomgaarden, tussen de grens en het dorpje Mesch, ontbrandde een felle strijd tussen bezetter en bevrijder.

„Niemand durfde naar buiten”, zegt Brouwers, terwijl ze met haar handen over de houten tafel wrijft, haar felblauwe ogen even naar beneden gericht. Ze denkt terug aan toen ze in de kelder zat, zestien jaar oud. „Zoveel schieten, zoveel lawaai. De Duitsers liepen rond met die dikke schoenen en geweren.” Ze vat samen: „De mensen waren allemaal bang. Het was geen oorlog daarvoor geweest, we hadden niks meegemaakt, maar toen was de strijd opeens bij ons.” Alle inwoners van het dorp zaten op dat moment in hun kelders. „Daar hoopten we veilig te zijn.”

Mia BrouwersFrank Ruiter

„Boem, boem, boem, hoorden we.” Met handgebaren zet ze haar woorden kracht bij. „De Duitsers liepen om de boerderij, we hoorden overal knallen.” Het werd haar vader te veel. Hij besloot met het hele gezin naar zijn broer te gaan, de straat uit, naar rechts, en nog een stuk rechtdoor. Waarom haar vader ervoor koos de kelder uit te gaan, terwijl het daar juist zo veilig was, weet ze niet. Ook hij was bang, denkt ze. Hij heeft het er nooit meer over gehad.

„Buiten waren overal Duitsers met geweren.” Ze doet voor hoe ze zijn gaan lopen, met hun handen in de lucht. „Ze hebben ons niks gedaan. Niks gezegd. Ik dacht nog, straks beginnen ze te schieten, maar ze deden niks.” Na een angstaanjagende tocht komen ze bij haar oom aan. Ze gaan de kelder in. Daar bleef ze met haar vier nichtjes, tante, oom, tweelingbroer, vader en moeder. Maar precies weten doet ze het niet. „Toen kwamen buren ons roepen: ‘kom maar, we zijn bevrijd!’”

Mesch bevrijd

Om twee uur ’s middags, vier uur nadat de Amerikanen Nederland binnenkwamen, werden de laatste Duitsers uit Mesch verdreven. Het eerste Nederlandse dorp was bevrijd. Heel even kon het gezin feestvieren. Tot haar vader werd weggeroepen. De stallen van zijn boerderij stonden in brand. „Niemand heeft gezien wat er is gebeurd”, zegt Brouwers. Ze vermoedt dat het gebouw in brand is gestoken door de Duitsers. „Ik denk dat ze zich achter de rook wilden verschuilen of dat als afleiding wilden gebruiken. Of misschien was het wel een ongeluk.”

Ze wijst naar het schilderij. „Die dikke balk, daar tussen het huis en de stallen, is doorgezaagd, zodat de vlammen niet van de stal over konden slaan op het huis.” Ze kijkt naar haar handen. „Het ergst vond ik het voor het vee.” Een paar paarden konden uitbreken, maar het grootste deel van de koeien en paarden zat vast. „Het vuur heeft ze gepakt. Het was verschrikkelijk. We hadden de vreugde van de bevrijding, maar voor ons zat er ook leed aan verbonden.”

Frank Ruiter

Rond half vijf ’s middags kwam een ander deel van het Amerikaanse 117e regiment aan in Eijsden, zo’n tweeënhalve kilometer bij Mesch vandaan. Vanaf de fabriek vochten ze zich een weg richting het station. Het was een hevige strijd, maar de Duitsers waren niet opgewassen tegen de Amerikanen. Die dag lukte het ze de helft van het dorp te bevrijden, tot aan het station. Terwijl een deel van de bewoners de nacht van 12 op 13 september in vrijheid door kon brengen, sliep de rest nog in bezet gebied. Ook de wijk Breust, waar Bèr Pachen (83) is opgegroeid, zou pas de ochtend daarna bevrijd worden. Hem deerde het niet. Hij vond het een romantische en spannende tijd. „We zaten overal met onze snufferd bovenop.”

Fiets

De kinderen uit de wijk speelden tot aan de voorlaatste dag van de bezetting buiten. Ook Pachen. Een jonge Duitse soldaat vroeg hem om een fiets. „Ik ging door de grond. Mijn vader had nog een fiets, maar dat zei ik natuurlijk niet.” De soldaat ging toch even bij zijn ouders langs, maar liet zich – zonder fiets – vrij makkelijk wegsturen. Toen hij later met een oudere soldaat weer terugkwam, was de fiets verstopt achter het schot op zolder en was zijn vader ondergedoken.

Nog maar acht jaar was Pachen en hij vond de Duitse soldaten maar oud en ongemotiveerd. De soldaten moesten eigenlijk voor mangaten langs de weg buiten het dorp zorgen. „Niet dat die veel zijn gebruikt”, lacht Pachen. „Nog voor de Amerikanen aankwamen, waren de meeste Duitsers al vertrokken. Zij die een fiets hadden kunnen bemachtigen per fiets, de rest ging lopen.”

Hij noemt het de grote uittocht, het vertrekken van de Duitsers op 12 september. „Ze marcheerden langs en onze ouders hielden ons binnen.” Zijn ouders waren bang dat hij de soldaten zou irriteren als hij zich zou laten zien, maar vanachter het raam, verstopt achter het rolgordijn, keek hij stiekem toch.

Bèr Pachen Frank Ruiter

Slapen in de kelder

Die nacht sliep het gezin, zoals elke avond die periode, in de kelder. Zich onbewust van het feit dat een ander deel van het dorp al bevrijd was. Die nacht, net als elke nacht daarvoor, waren er luchtgevechten, maar dat geluid weerklonk in de kelder maar zacht. „Heel soms mochten we buiten kijken naar de luchtgevechten, maar niet lang, er konden altijd granaatscherven bij mensen terecht komen.”

Na het „vuurwerk” moest hij snel terug de kelder in, waar ze met zijn tienen sliepen. Zijn vader had de kelder gestut, en de luchtgaten afgeschermd met zand. De jonge Bèr vond het spannend en romantisch. „Lichaam aan lichaam, de geur van het stro, ik vond het heerlijk.”

Op de ochtend van 13 september was het stil in de wijk. De Duitsers waren weg, maar er was ook nog geen bevrijder gezien. „Dus gingen we voetballen. Tot we in de namiddag, ik kan het me nog goed herinneren, door het doorkijkje naar de doorgaande weg tussen de bomen beweging zagen.” Heel langzaam, zegt hij, als een slak.

Zijn moeder lag op het moment dat de Amerikanen langs het dorp trokken doodziek in bed, maar zijn vader liet haar toch even alleen. Hij was een te nieuwsgierig mens om het spektakel aan zich voorbij te laten gaan, zegt Pachen. „Wij wilden natuurlijk ook kijken, maar mochten niet. Veel te gevaarlijk, zeiden ze. Maar ja, dat moet je tegen kinderen zeggen, een uur later waren wij er ook.” Het bleek een stoet tanks te zijn, van een ander legeronderdeel dan de dag ervoor Eijsden tot aan het station had bevrijd. Dit was een eskadron van de 113e cavaleriegroep, bijgenaamd Red Horse. Weerstand was er niet meer, nagenoeg alle Duitsers waren vertrokken.

„De hele club die aan het voetballen was, is er naartoe gegaan. Door het steegje naar de rijksweg, waar het gebeurde. Je moest er met je snufferd bij zijn natuurlijk. ‘Viva Amerika’ moet je roepen, zei een buurvrouw. Dat brengt wat op.” De Amerikanen gooiden vanaf hun tanks snoep naar de kinderen. „Kauwgom en chocola, dat hadden we eigenlijk nog nooit gezien.” De kinderen renden achter de tanks aan. „Nooit genoeg, hè”, lacht Pachen.

Moeilijke dagen

Voor zijn moeder had de bevrijding niet veel langer op zich moeten laten wachten. „Het waren moeilijke dagen voor haar. Op 2 september was ze bevallen van mijn broertje Henrie, maar het was misgegaan bij het borstvoeding geven. Een zwerende borst noemden ze dat toen.” Het was onmogelijk om bij het ziekenhuis in Maastricht te komen. „De dokter kwam wel, met paard en wagen, maar hij kon haar niet wegbrengen. De straten waren onbegaanbaar.” Dus behandelde de dokter zijn moeder in huis. „Hij heeft haar kunnen helpen, maar niet kunnen genezen. Er was geen ontstekingsremmende medicatie.” Ze bleef koorts houden.

„Twee dagen waren we bevrijd, toen de dokter een Amerikaanse legerarts heeft aangesproken voor medicijnen. Ik zie hem nog staan. Hoe ze het deden weet ik niet, de een sprak alleen Nederlands en de ander alleen Engels maar het is gelukt.” Pachen glimlacht opgelucht. „Het is dankzij de bevrijding zo gegaan, anders was het misschien niet goed afgelopen.”

Tekst: Sarah Ouwerkerk
Foto’s: Frank Ruiter
Kaarten: Roos Liefting
Ontwerp: Janko Bosch
Techniek: Ruud Puylaert
Productie: Bart Funnekotter, Miriam Vieveen

Luister naar de podcast NRC Vandaag: ‘De bevrijding was méér dan 5 mei alleen’