Opinie

Versterk de zelfstandige positie van het Openbaar Ministerie

Justitie Onafhankelijke rechtspleging is gebaat bij inperking van mogelijke politieke bemoeienis, schrijft .
PVV-leider Geert Wilders en zijn advocaat Geert-Jan Knoops in de rechtbank
PVV-leider Geert Wilders en zijn advocaat Geert-Jan Knoops in de rechtbank Remko de Waal/ANP

Afgelopen zondag openbaarde RTL Nieuws e-mails van ambtenaren van het ministerie van Justitie, waaruit bleek dat ze in 2014 het Openbaar Ministerie (OM) suggesties deden over de vervolging van PVV-leider Geert Wilders, nadat bekend was geworden dat het OM hem zou vervolgen om zijn ‘minder, minder’-uitspraken.

De verhouding van de minister van Justitie tot het OM wekt verwarring. ‘Gewone’ ambtenaren oefenen hun bevoegdheden in naam van de minister uit. Het is zijn bevoegdheid om een vergunning te verlenen of een vluchteling niet toe te laten. Feitelijk doen ambtenaren dat. Maar het gebeurt steeds in naam van de minister. Dat ligt bij het OM wat anders. Een officier van justitie beslist over vervolging. De minister heeft die bevoegdheid niet. Dat duidt op een zekere zelfstandigheid van de leden van het OM. De minister is op enige afstand van het OM geplaatst.

Maar de minister mag aanwijzingen geven aan het OM. Voor het al dan niet geven daarvan kan hij in het parlement ter verantwoording worden geroepen. Als het OM het niet eens is met zo’n aanwijzing en het spel hoog wil spelen, kan de minister deze blokkade doorbreken door een schriftelijke aanwijzing aan het OM te geven. Die aanwijzing zal dan, tenzij het belang van de staat zich ertegen verzet, in het dossier worden opgenomen en, als het een aanwijzing tot niet-vervolging betreft ook aan het parlement moeten worden gezonden. Als het een aanwijzing tot wel vervolgen is, zal de rechter via het dossier er dus kennis van kunnen nemen. Het resulteert erin dat de minister zich wel twee keer zal bedenken alvorens een aanwijzing tot vervolging te geven. Maar dat hij dit mag doen, staat buiten kijf.

Iets anders is dat het OM zich in een vroeg stadium kan neerleggen bij een wens van de minister om tot vervolging over te gaan. Dan komt er dus geen schriftelijke aanwijzing en blijft verborgen wat de wens van de minister was. Bemoeienis van de minister met het vervolgingsbeleid is dus toegestaan, zij het dat naar oud en goed gebruik de minister afstand moet bewaren en zich niet al te indringend met beslissingen in individuele zaken moet bezig houden. Het gaat bij vervolging om beslissingen die individuen krachtig raken. Politieke motieven dienen daarbij te worden weggehouden. Burgers moeten niet aan de schandpaal worden genageld op basis van politieke wensen.

Lees ook dit opiniestuk: Vervolging Wilders niet op de tocht door mogelijke ‘aanwijzing’

Blijft staan dat de minister van Justitie verantwoording moet afleggen over het OM. Geheimzinnigheid, zoals we die ook tegenkwamen in de bonnetjesaffaire, is daarbij niet op zijn plaats.

Dit stelsel heeft deze gestalte gekregen in de strijd tussen aanhangers van de leer van de ondergeschiktheid van het OM en de verdedigers van de zelfstandigheid van het OM. Moet het systeem worden aangepast? Is het OM een ‘buitendienst’ van het ministerie geworden, een bestuursorgaan, in plaats van een onderdeel van de rechterlijke macht, zoals Folkert Jensma in NRC schreef (De officier heeft steeds minder te zeggen, 7/9)? Moeten we de vervolgingsbeslissing niet helemaal onttrekken aan het ministeriële toezicht? Dat betekent inperking van de democratische controle, maar maakt politieke bemoeienis met individuele strafzaken moeilijker. Dat laatste heeft vanuit het gezichtspunt van onafhankelijke rechtspleging een voordeel. De aan de rechter toegekende onafhankelijkheid wordt dan naar voren getrokken. Wellicht dat dit tot een rechtvaardigere justitie leidt. Het lijkt goed dat het parlement in het verlengde van de huidige affaire die mogelijkheid nog eens gaat onderzoeken.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.