Vanaf 400 euro rendement gaat de fiscus straks heffen

Vermogensbelasting De fiscus ontziet spaarders bij de nieuwe heffing op vermogen. Beleggers betalen de rekening. Maar wat gebeurt er als de rente stijgt?

Illustratie Stella Smienk, Studio NRC

„Dit wordt misschien wel de grootste wijziging in de inkomstenbelasting sinds 2001.” Met die woorden kondigde staatssecretaris Menno Snel (Financiën, D66) vorige week een grootscheepse verandering aan van een van de meest gehate belastingen van het land: de vermogensrendementsheffing. Sinds de invoering ervan, in 2001, is er veel kritiek op dat mensen belasting moeten betalen over een verondersteld rendement van 4 procent op hun vermogen. Zo’n rendement was destijds nog wel haalbaar, maar na de crisis van 2008 is het voor mensen die niet beleggen onmogelijk geworden. De spaarrentes staan al jaren onder druk door het beleid van de centrale banken. ING, Rabo en ABN bieden momenteel 0,02 tot 0,03 procent rente.

Onder druk van het publieke debat over de ‘onrechtvaardige’ heffing zijn de afgelopen jaren wel wat aanpassingen gedaan. Zo betalen mensen met kleine vermogens relatief minder belasting dan rijkere mensen. Maar de fictie van een verondersteld rendement bleef overeind, inclusief alle boosheid daarover.

1 Wat stelt Snel nu precies voor?

Het voorstel behelst in de kern een heffingvrij inkomen in box 3 (inkomsten uit sparen en beleggen) van 400 euro. Simpel gezegd: iedereen die minder dan 400 euro rendement maakt op zijn vermogen in box 3, hoeft geen vermogensbelasting meer te betalen, ongeacht of dat rendement tot stand is gekomen via beleggen, sparen of anderzins. De 440.000 euro aan belastingvrij spaargeld die Snel bij presentatie van zijn plan noemde, is een gevolg van die systematiek, geen vast bedrag. Elke euro rendement boven de 400 euro wordt belast. Wie minder dan 30.846 euro aan bezittingen heeft, komt overigens – net als nu – niet in box 3 terecht. Anders dan nu vervalt de vrijstelling als het vermogen groter is.

Snel gaat in zijn voorstel niet meer uit van een veronderstelde samenstelling van het vermogen in box 3 (nu is de aanname: minder bedeelden sparen veel, vermogenden beleggen meer). Hij baseert zich op straks de concrete verdeling ervan in spaargeld, beleggingen én schulden. Wie boven de 400 euro rendement komt, wordt geacht per categorie vermogen een bepaald rendement gehaald te hebben en wordt daarover belast met 33 procent (nu 30 procent).

2 Hoe werkt het nieuwe stelsel voor spaarders?

Voor spaarders stelt Financiën elk jaar opnieuw de gemiddelde spaarrente vast. Nu is dat bijvoorbeeld 0,09 procent. Uitgaande van een heffingvrij inkomen van 400 euro betekent dit dat spaarders bovenop de vaste vrijstelling 444.444 euro belastingvrij mogen sparen (400 euro gedeeld door 0,09 procent). Bij deze lage rente betalen straks nog maar 1,55 miljoen mensen belasting over hun rendement op spaargeld; nu zijn dat er nog 2,9 miljoen. Het verschil: 1,35 miljoen mensen die onder de 400 euro rendement blijven. Zou de rente naar 0,01 procent dalen, dan stijgt dat belastingvrije spaargeld tot 4 miljoen euro en betaalt bijna geen enkele spaarder nog belasting.

Maar wat als de rente weer gaat stijgen? Uitgaande van een vast heffingvrij inkomen van 400 euro, is de vermogensvrijstelling voor spaarders bij een rente van 1 procent nog maar 40.000 euro. Lager dan 30.846 euro kan de vrijstelling niet worden, gegeven het standaard heffingvrije vermogen dat voor iedereen geldt. Op korte termijn lijkt verdere rentedaling overigens het meest waarschijnlijk.

3 Scheelt dat de staat geen belastinginkomsten?

Als het bij de vrijstelling voor spaarders blijft: zeker wel. De vermogensrendementsheffing levert de staat nu op jaarbasis 4,4 miljard euro op. Hoe minder spaarders daarvan in het nieuwe systeem opbrengen, hoe meer beleggers over hun rendementen moeten gaan betalen. De operatie moet namelijk ‘budgettair neutraal’ worden doorgevoerd: de staat mag er bij invoering geen euro op achteruitgaan. Hoe de belastinginkomsten zich daarna ontwikkelen, hangt af van gemiddelde rentes en rendementen.

4 Dus beleggers gaan fors meer betalen dan in het huidige stelsel?

Klopt. Kleine beleggers zullen daar weinig last van hebben; ook voor hen geldt de vrijstelling van ruim 30.000 euro. Voor wie daarboven komt, gaat de grens van 400 euro rendement tellen. In zijn voorstel gaat Snel uit van gemiddeld 5,33 procent beleggingsrendement. Ook dit percentage zal jaarlijks worden aangepast aan het werkelijke gemiddelde.

Spaarders en beleggers mogen eventuele schulden (voor studie, voor andere dan de eigen woning) nu aftrekken van hun vermogen. Straks moeten ze schulden binnen box 3 verdisconteren, tegen een vast negatief rendement van 3,03 procent.

5 Zulke grote verschillen tussen sparen en beleggen, lokt dat geen belastingontwijking uit?

Dat is inderdaad een van de grootste risico’s. Een belegger die forse rendementen heeft gehaald op aandelen, zou vlak voor het jaar eindigt zijn beleggingen kunnen liquideren en het geld op zijn spaarrekening zetten. Daar geldt dankzij de lage spaarrente die enorme vrijstelling van 440.000 euro die voor beleggingen niet geldt. Na de jaarwisseling doet de belastingplichtige precies het omgekeerde: hij neemt zijn spaargeld op en stapt weer in op de aandelenbeurs. Fiscus gefopt!

Financiën heeft dat potentiële gat nog niet gedicht, maar introduceert wel vast een nieuwe term: peildatumarbitragesystematiek. Dat betekent dat de fiscus zoekt naar manieren om ‘shoppen’ tussen verschillende soorten vermogen te voorkomen. Dat kan door gemiddeldes door het jaar heen te hanteren, of door de periode waarin met vermogen mag worden geschoven zodanig te beperken dat het voordeel niet meer opweegt tegen het nadeel. Al deze manieren zijn echter zeer complex in de uitvoering en ze kennen onbedoelde neveneffecten waarvan ook goedbedoelende belastingplichtigen de dupe kunnen worden.

Het nieuwe systeem moet in 2022 ingaan, mede omdat Snel goed wil uitzoeken hoe de maatregelen tegen ontwijking eruit moeten zien, het plan nog door beide Kamers moet, en het ook uitvoerbaar moet zijn voor de Belastingdienst. Hoe hoog of hoe laag de spaar- of beleggingsrendementen dan gemiddeld zullen zijn, is zelfs voor goed ingevoerde volgers van het monetaire beleid volstrekt onduidelijk.

In een eerdere versie van dit artikel stond dat bij een spaarrendement boven 400 euro de fiscale vrijstelling vervalt en het geheel wordt belast. Dat is onjuist; rendement tot 400 euro wordt niet meer belast. Wat wel vervalt in het plan van Snel is de vrijstelling van opname in box 3 van 30.846 euro aan vermogen als het totale vermogen hoger is.