Twee keer betalen voor meubels van Lodewijk

Onderzoek | Hofmeubilair De staat kocht vanaf de jaren tachtig duizenden meubels en kunstvoorwerpen uit vier koninklijke paleizen. Maar voor de meubels van koning Lodewijk Napoleon was al betaald.

Kroonprinses Juliana op Paleis Het Loo in 1933 bij een radio-opname.
Kroonprinses Juliana op Paleis Het Loo in 1933 bij een radio-opname. Foto ANP

Gewapend met een memo-recorder lopen Pieter Hoogendijk en jonkheer Diederik van Lawick van Pabst van Nyevelt in 1986 maandenlang door het pas geopende rijksmuseum Paleis Het Loo in Apeldoorn. Hun opdracht: het bepalen van de waarde van de inventaris van het voormalige koninklijke paleis. Antiquair Hoogendijk doet dat namens de staat, taxateur Van Pabst namens eigenaresse prinses Juliana.

Met 817 vertrekken vol meubels, kroonluchters en schilderijen hebben ze een giga-opdracht. De taxateurs carpoolen vanuit hun woonplaatsen in het Gooi naar het paleis. Een secretaresse tikt hun ingesproken bevindingen in op een computer met harde schijf. Een noviteit, zegt Hoogendijk. „Uiteindelijk hadden we twee harde schijven nodig. Om zoveel spullen ging het.”

Het is een klus zonder weerga – groot, interessant en wonderlijk. En gelachen wordt er soms ook, zegt Van Pabst. „Of heeft u soms ook 32 bidets op zolder staan?”

De koninklijke zitbadjes maken deel uit van een enorme collectie inboedelstukken die, zo blijkt uit onderzoek door NRC, de afgelopen decennia stilletjes door de Nederlandse staat is aangekocht.

Het gaat om vrijwel de complete inventaris van vier koninklijke paleizen – vele duizenden antieke meubels, kunstwerken en huisraad. Prinses Juliana krijgt voor de inboedel van drie paleizen in de jaren tachtig in totaal zo’n 20 miljoen gulden overgemaakt (circa 17 miljoen euro, prijspeil 2019). In 2009 ontvangen Beatrix en de andere erfgenamen een onbekend bedrag voor de inboedel van Soestdijk.

Utrechtse zilverkast, omstreeks 1845 gemaakt. Collectie rijksmuseum Paleis Het Loo, net als de andere hier getoonde meubels.


Foto Paleis het Loo
Verguld staafijzeren vouwstoel, tweede helft negentiende eeuw.
Foto Paleis het Loo
Kast uit 1875 van de Parijse meubelmaker Joseph Cremer, beschilderd door Alida Elisabeth van Stolk.
Foto Paleis het Loo
Foto’s Paleis het Loo

De aankopen vloeien voort uit nieuwe zakelijke afspraken tussen de staat en het Koninklijk Huis, in 1973 vastgelegd in de Wet financieel statuut van het Koninklijk Huis (WFSKH). Sindsdien krijgt het staatshoofd drie werkpaleizen ter beschikking gesteld: Huis ten Bosch en Noordeinde in Den Haag en het Koninklijk Paleis in Amsterdam. Het Loo, voorheen in gebruik bij diverse Oranjes, hoort daar niet bij. Na een uitgebreide restauratie is het rijksmonument in 1984, nog voordat de inboedel als collectie is aangekocht door de staat, begonnen aan een tweede leven – als nationaal museum.

Over de terbeschikkingstelling van de werkpaleizen is de staat altijd open geweest. Maar dat er ook zou worden gezorgd voor „volledig gemeubileerde en gestoffeerde paleizen passend bij de uitoefening van het koningschap” is nooit bekendgemaakt.

Maandag publiceerde NRC het eerste deel in dit tweeluik, over de redenen voor de nieuwe financiële afspraken met het Koninklijk Huis. In dit tweede deel gaan we in op de achtergronden van de geheimgehouden staatsaankopen. Wat was de achterliggende bedoeling? Hoe kwamen de transacties tot stand? En deed de staat een goede koop?

Sale and lease back

De verkopen van de paleisinventarissen lijken op een sale and lease back-constructie. De Oranjes ontvangen de koopsom en de overheid is voortaan verantwoordelijk voor het onderhoud, de restauratie en de vervanging van de ‘paleisgebonden’ meubels. Er is echter één belangrijk verschil: voor de bruikleen van de meubels vanaf het moment van de aankoop hoeven Juliana en haar erfgenamen niets te betalen.

Overheidsbemoeienis is de enige manier om de werkpaleizen Noordeinde en Huis ten Bosch weer een bij de koninklijke statuur passend aanzien te geven. Die conclusie dringt zich op na gesprekken met betrokkenen en het bestuderen van de ruim 500 pagina’s aan taxatierapporten van de paleisinventarissen, die NRC verkreeg met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

Veel hofmeubilair verkeert ten tijde van de overname, in de jaren tachtig, in matige tot slechte staat. Twee generaties Oranjes, Wilhelmina en Juliana, gaven weinig om antiek. De kachel in Soestdijk stond zo hoog dat het antiek volgens de overlevering vanzelf kapotging. En als ergens een poot van afbrak, schakelde Juliana geen restaurateur in maar een timmerman.

Het feit dat de overheid voortaan de restauratiekosten voor haar rekening neemt, zorgt voor een cultuuromslag. Antiquair Hoogendijk is er blij mee: „In de gang van het Paleis op de Dam stonden eens twee fauteuils die terug waren gekomen van een tentoonstelling in Japan. Toen Beatrix zag hoe zorgvuldig die waren gerestaureerd, zei ze: ‘Zo wil ik het voortaan.’ Dat was het turning point.”

In een toelichting bevestigt de Rijksvoorlichtingsdienst (RVD) dat de toestand waarin de inventarissen van de drie werkpaleizen zich bevonden „sterk verschilde”. Het overheidsmeubilair in het Paleis op de Dam verkeerde „in redelijke staat”. De twee andere werkpaleizen, Noordeinde en Huis ten Bosch, konden volgens de RVD pas na de overname weer een „representatieve en historisch betekenisvolle inrichting” krijgen.

Dat Juliana een deel van het negentiende-eeuwse meubilair op Noordeinde überhaupt heeft kunnen verkopen, is te danken aan oplettende ambtenaren. Na de Tweede Wereldoorlog is uit de gratie geraakt hofmeubilair in kelders en op zolders opgeslagen, schrijft Jet Pijzel-Domisse, oud-conservator van het Gemeentemuseum Den Haag, in een uit 1980 daterend artikel in het Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek. „Als in het begin van de jaren zestig de Rijksdienst Verspreide Rijkscollecties zich niet had ontfermd over deze roerende zaken, is het zelfs de vraag of er nu nog iets van dit alles teruggevonden had kunnen worden.”

Verguld salonameublement

Op verzoek van de staat bepaalt de Haagse taxateur Johannes Beeuwkes tussen 1981 en 1987 in achttien sessies de waarde van de inventarissen van Huis ten Bosch en Noordeinde. Het kostbaarste kavel staat volgens hem op Huis ten Bosch: een verguld salonameublement van 100.000 gulden. Het minst dure is een toilettafeltje op Noordeinde van 25 gulden. De geschatte waarde van beide inventarissen samen: 2,6 miljoen gulden (1,18 miljoen euro).

De beroerde conditie van veel meubels drukt de waarde volgens Beeuwkes aanzienlijk. Vaak noteert de taxateur dat de stoelen, tafels, kabinetten en tabouretten „zwaar beschadigd” of „zwaar incompleet” zijn. Niet zelden overtreffen de door hem geraamde herstelkosten de actuele waarde van een meubel of kroonluchter.

Volgens collega-taxateur Hoogendijk houdt Beeuwkes onvoldoende rekening met de koninklijke glans van de paleisinventaris. „Een kroontje geeft sowieso meerwaarde”, aldus Hoogendijk, die in zijn taxatierapporten van Het Loo dan ook slechts bij uitzondering melding heeft gemaakt van achterstallig onderhoud.

In de taxatierapporten van Noordeinde is bij tal van meubels (met een gezamenlijke waarde van 317.000 gulden) genoteerd dat ze „van oudsher rijkseigendom” zijn. Volgens de RVD zijn die handgeschreven correcties in mindering gebracht op het taxatiebedrag. De koopovereenkomst die dat bewijst is zoek.

Nonchalant

De vraag welke paleismeubels al overheidsbezit zijn, houdt de bij de aankoop betrokken ambtenaren al vanaf de jaren zestig bezig. Dat blijkt uit tal van (tot voor kort) geheime overheidsstukken die onlangs toegankelijk zijn gemaakt bij het Nationaal Archief in Den Haag. Zo waarschuwt een topambtenaar van Financiën zijn secretaris-generaal in 1978 dat de inventarislijsten van de paleizen wat betreft de eigendomskwestie „ onvolledig en/of te nonchalant opgesteld zouden zijn”.

Onduidelijkheid is er vooral over meubels uit de eerste helft van de negentiende eeuw. Die liet Lodewijk Napoleon, de jongere broer van keizer Napoleon en van 1806 tot 1810 de Nederlandse koning, op staatskosten vervaardigen voor Het Loo. Ook zijn opvolger, koning Willem I, deed dat, zij het in mindere mate.

Vóór de eigendomsoverdacht hebben ministers, topambtenaren en vertegenwoordigers van het hof regelmatig contact over het eigendom van het hofmeubilair. Zo is er een topoverleg op Huis ten Bosch op 20 september 1969. Aanwezig, behalve premier Piet de Jong en twee topambtenaren: koningin Juliana en prins Bernhard, prinses Beatrix en prins Claus en twee hoffunctionarissen. Er wordt besloten dat het Koninklijk Huis zal nagaan „hoe de verdeling van de eigendommen van het Koninklijk Huis en van de Staat zo duidelijk en eenvoudig mogelijk kan worden”, aldus de notulen van de bijeenkomst.

Een commissie van vier mannen, van wie er drie aan het Koninklijk Huis zijn gelieerd, doet een week na het overleg uitspraak over de eigendomsverhoudingen. Het eindverslag is net iets langer dan een A4’tje. De „vaststelling” is verbluffend simpel. De inventaris van het Koninklijk Paleis op de Dam, al jaren gemeubileerd met meubels uit de rijkscollectie, is volgens de commissie eigendom van de staat. Dat wil zeggen: met uitzondering van de „schilderijen, beelden, historische souvenirs, persoonlijke cadeaus [...] die als eigendom van de koninklijke familie zijn aan te merken”. De inventarissen van Soestdijk, Huis ten Bosch, Het Loo en delen van Noordeinde bestempelt de koninklijke commissie zonder toelichting als „volledig eigendom van de koninklijke familie”. De taxateurs van Het Loo hoeven dus geen onderzoek te doen naar de eigendomsgeschiedenis van de meubels op Het Loo.

Heel ingewikkeld zou het niet zijn geweest om vast te stellen dat een belangrijk deel van het aan te kopen hofmeubilair op Het Loo reeds staatseigendom was. De meubels uit de tijd van Lodewijk Napoleon en Willem I zijn goed gedocumenteerd, zegt Paul Rem, al ruim twee decennia meubelconservator bij Het Loo.

Rem publiceerde in 2003 het boek Hofmeubilair, over de meubelcollectie van Het Loo. Uit een boedelinventaris van 1810 blijkt dat Lodewijk Napoleon zo’n tweeduizend meubels voor Het Loo heeft laten maken, alle betaald uit de overheidskas. Sommige van deze met een L en een kroontje gebrandmerkte meubels zijn na de oorlog door koningin Wilhelmina cadeau gedaan aan behoeftige predikantenfamilies. Maar driehonderd van de kostbare empire-meubels vormen nog altijd wat Rem „de kerncollectie van Het Loo” noemt. En ook in de andere koninklijke paleizen kan hij meubels aanwijzen die Lodewijk Napoleon op staatskosten voor Het Loo heeft laten maken.

Kamerscherm met de wapens van Nederland en van Württemberg, eind negentiende eeuw.

Foto Paleis het Loo

De overheid betaalde dus twee keer voor een waardevol deel van de inventaris van Het Loo: de eerste keer in de eerste helft van de negentiende eeuw en anderhalve eeuw later nog eens. Hoogendijk reageert laconiek: „Soms moet je twee keer betalen om iets waardevols in bezit te krijgen.”

Welk bedrag de staat dubbel heeft betaald, is voor buitenstaanders lastig te bepalen. De op staatskosten vervaardigde empire-meubels die NRC in het taxatierapport kan terugvinden, zijn gewaardeerd op bedragen tussen de 20.000 en 30.000 gulden.

Desgevraagd laat de RVD weten dat meubels waarvan het vermoeden bestond dat ze staatseigendom waren, niet zijn aangekocht.

Lees ook: Overheid kocht meubels die al staatseigendom waren

Soestdijk

De overname van de inventaris van Paleis Soestdijk, van 1937 tot beider overlijden de residentie van Juliana en Bernhard, is een verhaal apart. Al tijdens het kabinet-Den Uyl (1973-1977) wordt nagedacht over de voorgenomen rijksaankopen van de paleisinventarissen. Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening Hans Gruijters (D66) schrijft op 20 maart 1973 een concept-brief aan de grootmeester van koningin Juliana.

Het lijkt hem „zinvol”, schrijft Gruijters, als het Rijk de inventaris van Huis ten Bosch en Noordeinde overneemt. Maar de overname van de inboedel van Soestdijk, daar voelt de bewindsman niet voor. „De inventaris bestaat hier voor het grootste gedeelte uit door de koninklijke familie dagelijks gebruikte persoonlijke bezittingen. Het wil mij voorkomen dat deze stukken niet voor overdracht aan het Rijk in aanmerking komen.”

De opvatting van Gruijters leidt tot discussie onder topambtenaren. Ed Kronenberg van het ministerie van Financiën deelt de mening van de minister dat de toezegging van de staat om het meubilair in de voor het koningschap functionele paleisruimtes van Juliana over te nemen op Soestdijk „niet veel feitelijke betekenis” heeft. Toch, concludeert de ambtenaar op 14 augustus 1974 in een notitie aan collega Dick van Duyne van het ministerie van Algemene Zaken, dient de aankooptoezegging „in beginsel voor alle paleizen” te gelden.

Het duurt uiteindelijk nog 35 jaar voordat de staat de inboedel van Soestdijk overneemt. Dat gebeurt in 2009, vijf jaar na het overlijden van Juliana en Bernhard. Een onderzoekscommissie onder voorzitterschap van Jan Jessurun, de oud-voorzitter van de Raad voor Cultuur, bepaalt wat de staat uit Soestdijk aankoopt. Ook worden nog honderden restanten uit de andere paleizen aangekocht.

De commissie selecteert op Soestdijk 900 inventarisstukken „van uitzonderlijk hoge kwaliteit”. Wat de staat daarvoor betaalt, is weggelakt uit de taxatierapporten die NRC heeft gekregen. Dat is gebeurd, aldus het ministerie, omdat „openbaarmaking een dermate inbreuk van de persoonlijke levenssfeer” van de erven zou opleveren.

Bric-à-brac

De taxatierapporten van Het Loo en Soestdijk roepen bij lezing herhaaldelijk een glimlach op. Uit de werkpaleizen koopt de staat alleen antieke meubels aan. Maar uit de twee andere paleizen is ook andersoortige huisraad overgenomen. Daar zit de nodige bric-à-brac tussen. Een kleine greep uit de depotstukken van Het Loo: twee Turkse koffiemolens (getaxeerd op 150 gulden), zevenendertig oude prikkertjes (50), een tas met pingpongbatjes (10), een vooroorlogse lederen bal (10), twee vogeltjes gemaakt van schelpen (10), een waterglas (5), twee doosjes met diversen (3), twee dozen met linten (1), en de eerder gememoreerde 32 bidets, „mahonie- en eikenhouten en geschilderd, in alle soorten en maten” (1.500 gulden).

Conservator Paul Rem is enorm blij met die grote verscheidenheid. Het stelt hem in staat om in museum Het Loo allerhande thematentoonstellingen te maken. Van de circa zesduizend aangekochte interieurstukken staat ongeveer de helft in een depot.

Heeft de staat een goede koop gedaan? Frappant is het contrast tussen de waarde van de inboedels van Noordeinde en Huis ten Bosch (samen 2,6 miljoen gulden) en die van Het Loo (bijna 17 miljoen gulden).

Lees ook: De geheime deal rond de paleismeubels van de koninklijke familie

Volgens Het Loo-taxateur Hoogendijk heeft Beeuwkes, de taxateur van de twee Haagse werkpaleizen, de prinses tekortgedaan. Waarom Beeuwkes de beschadigingen zo zwaar heeft laten wegen, begrijpt Hoogendijk niet. En ook vindt hij de schattingen van zijn collega soms te laag.

Als voorbeeld wijst hij op twee zeventiende-eeuwse Japanse lakkabinetten uit Huis ten Bosch. Beeuwkes waardeerde ze in 1981 op 70.000 gulden. Door de enorme historische betekenis waren de kasten destijds al zeker 250.000 gulden waard, zegt Hoogendijk: „Jammer voor de familie, fijn voor de staat.” Beeuwkes kan niet om een weerwoord worden gevraagd, hij overleed in 2011.

Volgens Hoogendijk zijn de lakkasten nu zeker 3 tot 4 miljoen euro waard. Die waardestijging is exemplarisch voor de huidige antiekmarkt, aldus de antiquair. De meeste door de staat aangekochte meubels zijn minder waard geworden, zegt hij. Maar de topstukken zijn enorm in waarde gestegen.

Met medewerking van Jorg Leijten.
Reageren? Onderzoek@nrc.nl