Oude Indiërs bouwden zélf hun landbouwbeschaving op

Paleo-dna Niet immigranten uit het Midden-Oosten, maar lokale jagersverzamelaars ontwikkelden 5.000 jaar geleden de Indusbeschaving.

Skelet van een vrouw behorend tot de Indusbeschaving, met voor de cultuur kenmerkende grafvondsten.
Skelet van een vrouw behorend tot de Indusbeschaving, met voor de cultuur kenmerkende grafvondsten. Foto Vasant Shinde / Deccan College

Bij een grootscheepse analyse van dna uit oude botten is vast komen te staan dat de Indiase landbouw en de stedelijke beschaving van de Indus autochtone ontwikkelingen zijn geweest. Voorheen werden die ontwikkelingen vaak toegeschreven aan de komst van boerenimmigranten uit het Midden-Oosten, zoals ook de landbouw naar Europa is gebracht.

Ongetwijfeld is de Indiase landbouw beïnvloed door praktijken en informatie uit het Midden-Oosten, maar ze is niet opgebouwd door immigranten, zo blijkt uit twee paleo-dna-artikelen die vorige week donderdag in Science en Cell zijn gepubliceerd door twee onderzoeksteams die beide onder leiding staan van Harvard-genetici Vagheesh M. Narasimhan en David Reich.

Naast de eerste grote beschavingen van Egypte en Mesopotamië (vanaf ongeveer 3200 jaar voor Chr.) bestond iets verder oostelijk de geavanceerde landbouwbeschaving van de Indus (2800 tot 1700 voor Chr.), waarvan tot nu toe relatief weinig bekend was. Van deze zogeheten Harappa-cultuur zijn nooit schriftelijke bronnen gevonden, terwijl in spijkerschrift en hiëroglyfen wél informatie te vinden is over de Mesopotamische en Egyptische cultuur.

Wandbeen

In Science zijn de gegevens gepresenteerd van in totaal 523 mensen die leefden in Centraal- en Zuid-Azië tussen 10.000 jaar geleden en het begin van de jaartelling. De publicatie in Cell concentreert zich op nauwkeurige analyse van het dna van een vrouw die ergens tussen 2800 en 2300 voor Chr. werd begraven in een van de centra van de Indusbeschaving, Rakhigarhi (150 kilometer ten noordwesten van Delhi). Dat dna kon worden gewonnen uit botten die onder zulke warme omstandigheden bewaard zijn gebleven, mag als technisch hoogstandje gelden. In totaal werden meer dan zestig botten (vooral wandbeen uit de schedel) getest, met succes bij één.

Uit de verzamelde dna-gegevens is duidelijk geworden dat de bevolking van de Indusbeschaving een mengeling is van twee verschillende groepen mensen. De eerste groep bestaat uit mensen die al tienduizenden jaren voor de landbouw als jagers-verzamelaars in India leefden: de Ancient Ancestral South Indians (AASI). De tweede groep waaruit de bevolking in Noordwest-India was opgebouwd, heeft een Iraanse signatuur.

Dat de Indusbeschaving is opgebouwd door een mengbevolking met Iraanse genetische signaturen zou juist kunnen wijzen op landbouwimmigranten, omdat in Iran al heel vroeg aan landbouw werd gedaan. Maar dankzij hun grote verzameling paleo-dna konden Narasimhan en Reich vaststellen dat het hier om varianten gaat die zich al vóór 10.000 jaar geleden (dus voor de eerste landbouw) afsplitsten van de Iraanse hoofdpopulatie, die pas daarna in het Zagros-gebergte zou gaan pionieren in de landbouw. De voorouders van de Indusbevolking waren toen al vertrokken. Die vroege afsplitsing kon worden bewezen met analyses van 10.000 jaar oud skeletmateriaal uit Noordoost-Iran en iets jonger materiaal uit de Iraanse Zagrosbergen.

Krijgscultuur

Een andere belangrijke conclusie is dat pas ná het verdwijnen van de Indusbeschaving in het dna van toenmalige Indiërs de genetische invloed van ‘de steppevolkeren’ verschijnt. Dat is een inmiddels beroemd signatuur, afkomstig van een amalgaan van herdersvolkeren (vaak samengevat onder de naam Yamnaya) die rond 3.300 voor Chr. in Centraal-Azië het paard domesticeerden, het wiel uitvonden en met ruiterij en krijgswagens een nieuwe krijgscultuur stichtten. Waarschijnlijk ligt bij de Yamnaya ook de oorsprong van de Indo-Europese talen. Vanuit hun vermoedelijk thuisland in Oekraïne en het Wolgagebied verspreiden die genen, uitvindingen en taal zich verder over Europa, door verovering en migratie. Uit de huidige onderzoeken blijkt nu duidelijk dat de expansie westwaarts van deze genetische ‘Steppe Gradiënt’ eerder plaatsvond (ca. 3000 - 2500 voor Chr.) dan die naar India (1900 -1500 voor Chr). Narasimhan, Reich en de zijnen kunnen zelfs aantonen dat het ‘steppe-dna’ dat na 2000 voor Chr. in India opduikt afkomstig is van een expansie via Centraal-Azië. De steppe-invloed is vooral in noord-India groot. Tussen 1700 en 1400 voor Chr. is in West-Pakistan de verhouding 41 procent Steppe-signatuur en 59 procent oudere Indusbeschavingbevolking (die weer een mengsel was van Indiase oerbevolking en Iraanse invloeden). Naar het zuiden toe wordt de invloed van het steppe-dna snel kleiner. Zo is dus het huidige genetische patroon in India ontstaan.

Genetische dominantie

Opvallend daarbij is dat de steppe-invloed vaak via de mannelijk lijn lijkt te zijn gegaan. Hun signatuur is in het mannelijk overervend Y-chromosoom van de Indiërs veel sterker dan in het vrouwelijk overervende mitochondriaal dna. Het zelfde patroon is overigens ook bij Europeanen te vinden. Dat sluit aan bij sterk mannelijk georiënteerde cultuur van de Yamnaya steppevolkeren zoals die uit archeologische vondsten (grafheuvels met vooral krijgslieden) en de alleroudste indo-europese geschriften blijkt. Zoals David Reich het al in zijn recente boek Who we are and how got here (2018) omschrijft, moet die genetische dominantie van steppemannen wel betekenen dat expansie van de steppevolkeren „niet volkomen vriendschappelijk kan zijn geweest”.