Opinie

Besmet met Oranje-virus

Frits Abrahams

We aten vrijdagavond met een groepje vrienden in Walbeck, een plaatsje net over de Duitse grens nabij het dorp Arcen in Noord-Limburg. Ik zat met mijn kartoffelsalat op hete kolen, want ik wilde om kwart voor negen in ons Arcense hotel zijn voor de aftrap van Duitsland – Nederland in Hamburg.

„Het komt toch niet op een minuutje aan”, had mijn vrouw tevoren relativerend gezegd. Alsof het over Excelsior – FC Groningen ging. Aan dergelijke opmerkingen herken je de niet-betrokken voetballeek. Wie niet de aftrap hoeft te zien van een wedstrijd tussen Nederland en Duitsland kan als quantité négligeable worden beschouwd, althans, zolang het over voetbal gaat; of het zich ook uitstrekt tot andere gebieden moet kritisch afgewacht worden.

Andere leden van het gezelschap probeerden me te jennen met de waarschuwing dat we in een ouderwets hotel zaten met kleine tv-schermen uit de jaren zeventig. Ik begreep dat de bal er nog net op kon. Op zulke momenten voel je je als voetballiefhebber en Oranje-watcher best eenzaam. Het is alsof je een zeldzame, ziekelijke afwijking hebt waarvoor je eigenlijk behandeld zou moeten worden.

Toen ze ons goddank precies op tijd voor het hotel afzetten, vroegen ze me naar de afloop. „3-0 voor Duitsland”, zei ik in alle ernst. Ik had Duitsland in de voorafgaande onderlinge duels steeds sterker gevonden. „Wij gaan thuis ook nog even kijken”, reageerden de vrienden en ze scheurden weg, mij in opperste verbazing achterlatend. Had ik ze dan toch besmet met mijn Oranje-virus?

De volksliederen waren net geweest, wat gezien de zangkwaliteiten van de meeste Nederlandse spelers geen groot gemis is, al zingen ze wel beter mee dan hun voorgangers die er doorgaans bij stonden alsof ze een ondraaglijke jeuk in hun kruis kregen.

Twee uur later zat ik nóg aan het scherm gekleefd, blij als een kind. In de rust was ik de wanhoop nabij geweest, Duitsland was mijn voorspelling al gevaarlijk genaderd. Waarom was ik blijer dan na een overwinning op welk ander land dan ook? Nee, met ‘de oorlog’ had het wat mij betrof niets meer te maken, het was eerder een gevolg van een minderwaardigheidscomplex ten opzichte van een machtig buurland dat ons ook als voetbalnatie al zo vaak had afgetroefd.

Maar het kwam ook door het besef dat het Nederlandse voetbal eindelijk weer iets voorstelt. Goed, we hadden Ajax al, maar dat speelt met vijf, zes buitenlanders. Het Nederlands elftal heeft nog zwakke plekken (De Roon, Dumfries), maar de as is van grote internationale klasse: Cillessen, Van Dijk/De Ligt, De Jong en Depay. Voeg er de kwaliteiten van Blind en Wijnaldum aan toe, plus die van enkele jongeren (Malen, Stengs) en je hoeft voor geen enkele tegenstander meer bang te zijn.

Het was zo’n wedstrijd die je je dertig jaar later nog herinnert. Ik moest denken aan de 2-0 overwinning van Oranje op Engeland in 1977 waarvan ik op Wembley zelf getuige mocht zijn. Een uitblinkende Cruijff, twee doelpunten van Jan(tje) Peters. Ik zag op de tribune in Hamburg een dolblije vader met zoontje. Alles viel op z’n plek: die vader leek in de verte op de Peters van 1977.

Meteen na de wedstrijd kwam er een appje binnen van een vriendin uit voornoemd gezelschap. „Super! We zijn trots!”

Mijn voetbalschoen brak.