Als Kaag antwoordt, is de kritiek weg

CIDI In de achterban van het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) was er argwaan tegen minister Kaag. Als ze op het podium staat, blijft van de kritiek weinig over. „Ik vind haar indrukwekkend.”

Minister Sigrid Kaag bij het CIDI. „Mijn man is al lang atheïst, maar vond het oké dat ik de kinderen liet dopen.”
Minister Sigrid Kaag bij het CIDI. „Mijn man is al lang atheïst, maar vond het oké dat ik de kinderen liet dopen.” Foto David van Dam

Minister Kaag had het „wel komisch” gevonden. In de brief waarmee het Centrum Informatie en Documentatie Israël (CIDI) haar had uitgenodigd voor een gesprek, had het CIDI „het wantrouwen bij de achterban” genoemd als reden. In een bovenzaaltje in het Mauritshuis, waar de bijeenkomst met de minister wordt gehouden, zegt Sigrid Kaag (Ontwikkelingssamenwerking, D66) dat ze zoiets niet eerder had meegemaakt. Ze lacht nog maar eens, zichtbaar ongemakkelijk. Komisch.

Lees ook: Kaag trekt uitnodigingen in onder druk van het CIDI

Het is zondag, eind van de middag. Op de eerste rij zit haar man, de Palestijnse tandarts en oud-diplomaat Anis al-Qaq en de hele zaal, zo’n 150 mensen, weet dat het wantrouwen met hém te maken had. Kon zij met zo’n echtgenoot nog wel onpartijdig denken over het Midden-Oosten?

Er is bijna een uur voorbij als een vrouw in het publiek er een vraag over stelt. Ze zegt eerst hoe „aangenaam verrast” ze was door Kaags toespraak – over armoede, klimaat, ongelijkheid, veiligheid. Dan: „Ik ben even benieuwd. U bent uit een gemengd huwelijk. Welk gedachtengoed was de leidraad in de opvoeding van uw kinderen?”

‘Oké, ik ben geen moslim’

In de zaal klinkt zacht commentaar. Dit is wel heel direct. Kaag reageert kribbig. „Nou, dit gaat misschien meer over uw eigen opvoeding dan die van mij.” Er wordt gelachen. Kaag gaat door: „Ik zag laatst interessante tweets. Ik moest bewijzen dat ik geen moslim ben. Oké, dat ben ik niet. Ten tweede: mijn man is geboren in de islam, maar is al zo lang overtuigd atheïst. Maar hij vond het oké dat ik de kinderen liet dopen.”

De belangrijkste gast op de begrafenis van haar schoonvader, zegt ze ook, was zijn Joodse vriend. „Die ook de eerste lening heeft gegeven aan mijn man voor het openen van zijn tandartspraktijk in Jeruzalem. Dat is het gedachtengoed.” Er klinkt hard applaus.

Aan het begin van de bijeenkomst had Kaag nog een wat onzekere indruk gemaakt. Ze las haar verhaal woord voor woord voor van papier, struikelde soms over zinnen en leek even niet goed te weten hoe ze moest zeggen wat haar zo „bezwaarde”. Het CIDI had vier mensen die Kaag had uitgenodigd voor deze middag van de gastenlijst gehaald: twee medewerkers van de pro-Palestijnse organisatie The Rights Forum, opgericht door oud-premier Dries van Agt, een oud-journalist en blogger, en Jaap Hamburger, voorzitter van de stichting Een Ander Joods Geluid. Vóór de bijeenkomst zei Hanna Luden, directeur van het CIDI, tegen NRC dat ze niet welkom waren „omdat ze het CIDI voortdurend aanvallen en zwartmaken”.

Minister Kaag was bijna niet gekomen, omdat CIDI critici niet toeliet

Kaag zegt in het Mauritshuis dat ze bijna was thuisgebleven, ze was „teleurgesteld”. Zij had zich ook niet bemoeid met de gasten van het CIDI. En: „Het bij voorbaat uitsluiten van personen op basis van hun standpunten is principieel onjuist en onwenselijk voor een volwaardige discussie.”

CIDI-directeur Luden, die de bijeenkomst opende, had er in haar verhaal niets over gezegd. Zij had van het ministerie „signalen” gekregen, zegt ze later, dat Kaag er zelf niet over zou beginnen. Dan wilde zij dat ook maar niet doen. Ook de vicevoorzitter van het CIDI, die de middag afsluit en tegen Kaag zegt dat „het wantrouwen” nu weg is, noemt de gastenlijst niet.

„Een marginale kwestie”, vindt Luden na afloop. De bijeenkomst was „prettig” geweest, de sfeer was „goed, ondanks het tumult vooraf”. Al had ze gedacht dat het publiek kritischer had durven zijn. Een vrouw was tegen Kaag begonnen over schoolboeken waaruit Palestijnse kinderen les krijgen en waarin volgens haar „zoveel haat wordt verwoord”. Kaag had gezegd dat dat niet mag en „mochten er incidenten zijn, dan worden die aangepakt”. „Ik heb alleen nu geen zicht op de details van het Palestijnse curriculum, wij financieren dat ook niet. Maar mocht er iets zijn, dan pikken wij dat op.”

Die vraag, vindt Luden achteraf, was te voorzichtig. „Heel beleefd.” En zo ging het vaker, volgens Luden. Waardoor Kaag het niet moeilijk kreeg. Die had, zag ze, vooral indruk gemaakt door haar kennis en ervaring, en haar zelfvertrouwen. „Ik vind haar zelf ook een indrukwekkend mens.”

Witte wijn

Medewerkers van Kaag waren er van tevoren helemaal niet gerust op geweest. Het kon er bij het CIDI weleens stevig aan toegaan. Maar Kaag had de zaal ingepakt, en ook nog het CIDI terecht gewezen over de gastenlijst – zonder weerwoord. „Dat bleef dus in de lucht hangen”, zegt rabbijn Awraham Soetendorp bij de borrel. Maar zijn ogen glimmen als het over Kaag gaat. „Ze is de parel van dit kabinet.”

Kaag drinkt witte wijn en let steeds op waar haar man is. Als ze de vrouw ziet die naar de opvoeding van hun kinderen had gevraagd, neemt ze die mee naar Anis al-Qaq. Ze stelt de twee aan elkaar voor en loopt zelf weg.

Jaap Hamburger van Een Ander Joods Geluid die er van het CIDI niet bij mocht zijn, heeft de bijeenkomst gevolgd via de NPO-livestream. Hij zag een „welwillende minister”. „De kou zal nu wel uit de lucht zijn. Maar er was daardoor te weinig ruimte voor kritiek op het beleid van Israël.”