Opinie

We hebben wél een idee, Wiebes

Marike Stellinga

Eric Wiebes ligt ‘s nachts niet meer wakker van het klimaat, maar van de economie. In juli sloeg de VVD-minister van Economische Zaken en Klimaat alarm in Het Financieele Dagblad: de uitgaven aan zorg en AOW nemen door de vergrijzing toe met „waanzinnige getallen. Daar moeten we een verdienvermogen tegenover stellen. Maar we hebben geen idee waar dat vandaan moet komen.” Wiebes beschouwt het als zijn kruistocht om een debat te voeren over hoe we onze welvaart straks verdienen. „Anders gaat het hier fout.”

Het is duidelijk: Wiebes wil niet meer alleen minister van klimaat zijn, maar weer méér die van dat andere deel van zijn ministerie: economische zaken. En daar moet echt groter en wilder worden gedacht dan tot nu toe, valt te horen. Nou is het interessant om een debat te voeren over hoe Nederland kan investeren in het verdienvermogen van de economie. Maar eerst is relativering op zijn plaats en daarna ergernis.

De relativering: uit Wiebes’ betoog zou je kunnen concluderen dat de kosten van de vergrijzing ons overvallen en niet zijn ingecalculeerd. Dat is niet zo. De economen van het Centraal Planbureau houden al rekening met de vergrijzing in hun berekening of de overheidsfinanciën op de lange termijn houdbaar zijn. Daar gaat het redelijk mee, al is het saldo sinds het kabinet aantrad wat verslechterd. Wat het CPB níet meerekent, zijn uitgavenstijgingen door technologische vooruitgang in de zorg. De ervaring leert: er kan steeds meer (scans, medicijnen) en mensen willen dus ook meer.

Nu de ergernis. Wiebes zegt dat we geen idee hebben hoe we het verdienvermogen kunnen opkrikken. Maar dat hebben we wél. Sterker nog, er liggen onderzoeken, aanbevelingen en rapporten klaar die precies dit probleem indringend analyseren en van oplossingen voorzien.

Zo publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid al in 2013 de (ook door mij) bejubelde studie Naar een lerende economie. Het werd door Wiebes’ voorganger en partijgenoot Henk Kamp weggewuifd. Doen we al, niks aan de hand. In 2016 volgde De Nederlandsche Bank met een analyse. En ook Wiebes’ eigen hoogste ambtenaar Maarten Camps heeft al over deze vraag nagedacht. In zijn traditionele nieuwjaarsartikel betoogde hij begin dit jaar hoe „het structurele groeivermogen” te versterken.

Er staat veel in deze analyses, maar er is één rode draad die als een zwaailicht in het oog springt: ons onderwijs. Daar is een impuls nodig, van basisonderwijs tot aan bijscholen tijdens het werk. Wie ons verdienvermogen wil verbeteren, moet de arbeidsproductiviteit verhogen door beter onderwijs. „Er is een breed en ambitieus actieplan nodig voor snelle verbetering en vernieuwing,” schreef Camps.

Een land als Nederland, met een grote dienstensector, moet het hebben van een brede opleidingsstrategie, schreef de WRR in 2013. Landen met een grote maakindustrie, zoals Duitsland, kunnen zich concentreren op het stimuleren van innovatie (R&D), wij niet. Maar juist over onderwijs zit het debat op slot, zegt Peter van Lieshout, mede-auteur van het WRR-rapport, als ik hem bel. „Wiebes hoeft geen breed debat te voeren. Hij kan direct aan de slag.”

Alarm slaan over ideeënarmoede is dus niet nodig. Consensus over een belangrijke oplossing is er al, zelfs tot in de top van Wiebes’ ministerie. Nu nog een kabinet dat ermee aan de slag gaat.

Marike Stellinga is econoom en politiek verslaggever. Ze schrijft op deze plek over politiek en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.