Hier eindigt Philips’ ooit alomtegenwoordige lampenimperium

Verlichtingsmarkt Waar de lampenfabriek in Turnhout het einde nadert, werkt ‘verlichtingsdienstverlener’ Signify – voorheen Philips Lighting – aan zijn toekomst: led en Trulifi.

Eindcontrole van de kassenverlichting.
Eindcontrole van de kassenverlichting. Foto Roos Pierson

Of we een van de kasten kunnen opentrekken? „Die kan je zéker niet opentrekken”, zegt Lars van der Meulen, directeur van de lampenfabriek van Signify in Turnhout. „Dan word je verblind.”

We bevinden ons op de drempel van de testkamer. Hier staan tientallen kasten met maximaal honderd brandende beamerlampen, de deuren gesloten. Wit licht dringt door kieren aan de zijkanten naar buiten. Signify – het voormalige Philips Lighting – test in deze ruimte of de lampen het na productie ook goed dóén. Een team wisselt elke paar uur de volledige inhoud van de kasten om: de lichtbronnen die wereldwijd films in klaslokalen, powerpointpresentaties in kantoren en computergames in woonkamers zullen projecteren.

Het zijn lampen die zó fel moeten zijn dat ze min of meer als laatste niet door ledtechnologie zijn vervangen. Voorlopig dan.

De Belgische fabriek is in de regio Eindhoven één van de laatste nog draaiende productielocaties van Philips’ ooit alomtegenwoordige lampenimperium. Al sinds de jaren 50 verlaten hier jaarlijks miljoenen lampen de hallen, en werken verschillende generaties van families samen aan productielijnen, om na werk samen te tennissen op de bedrijfsvereniging. Het leverde Turnhout in de vorige eeuw zelfs na Eindhoven de bijnaam ‘lichtstad’ op – zo belangrijk was de fabriek voor het stadje.

Signify investeert in innovatie, zoals slimme lantaarnpalen die verlichten én een oogje in het zeil houden

Terwijl Philips vanaf de jaren 90 telkens fabrieken in de regio sloot en de productie van allerlei elektronica stopzette of naar Azië verplaatste, bleef Turnhout overeind. Maar ook deze grootste productielocatie van West-Europa zit al een jaar of tien „aan de palliatieve zorg”, zoals een medewerker zegt. De komst van ledverlichting veranderde de lampenmarkt ingrijpend, en bijna nergens is dat beter te zien dan bij deze fabriek van Signify. Zo heet het bedrijf (32.000 werknemers, 6,4 miljard euro aan – al jaren dalende – omzet) sinds Philips het in 2016 naar de beurs bracht.

De fabriek van ‘gasontladingslampen’ kromp de afgelopen tien jaar sterk, doordat energiezuinige, in Azië gemaakte ledverlichting de wereld veroverde. Bijna jaarlijks vertrekken er zo’n honderd medewerkers. Nu zijn er nog zo’n zeshonderd werkzaam bij de fabriek, pakweg 500 fte’s. In 2005 was er nog 2.700 man personeel.

Toch is de fabriek nog zeer winstgevend en van groot belang voor Signify. Waar hevige concurrentie de marges op de ledmarkt krap houdt, kunnen de opbrengsten uit Turnhout worden aangewend voor ontwikkeling van nieuwe technologie. Zo ziet Signify veel perspectief in Li-Fi, technologie om ledlampen te gebruiken voor draadloos datatransport.

Zo bezien staat ‘Turnhout’, dat Rusland nog lampen leverde voor het WK voetbal in 2018, model voor de veranderingen. Maar terwijl Signify zich als concern met nieuwe technieken opnieuw probeert uit te vinden, voelen ze in de Vlaamse fabriek het einde van de gasontladingslampen naderen. Hoe gaan fabriek en medewerkers daarmee om?

Het logo van Philips prijkt nog op het gebouw van Signify.

Foto Roos Pierson

Kwik en zouten

Wie de fabriek in Turnhout bezoekt, komt bij een gigantisch hallencomplex van 186.000 vierkante meter aan de zuidrand van de stad, gelegen tussen spoorweg en steenweg. Eenmaal binnen valt op dat sommige gebouwen niet meer in gebruik zijn voor lampenproductie. Waar dat nog wel zo is, bedienen medewerkers machines die met hoge temperaturen en een mix van chemicaliën de lampen maken.

„Op een elektrode in de lamp komt stroom te staan, waardoor een reactie ontstaat met kwik en zouten”, legt directeur Van der Meulen uit, een Nederlander. „Dat geeft onder hoge druk licht.”

In essentie is er aan die technologie sinds de fabriek openging niks veranderd. Die opening was in 1955, en Philips was al hard op weg naar het hoogtepunt dat in de jaren 70 bereikt zou worden. Het concern gold tijdens de naoorlogse wederopbouw als motor van Zuidoost-Nederland. Van Sittard tot Uden stonden de fabrieken en bedrijfsdorpen, kregen werknemers gratis gloeilampen en speelden ze tennis en voetbal bij Philips-sportverenigingen. „Philips was God. Philips was de Zonnekoning”, zou A.F.Th. van der Heijden later semi-autobiografisch schrijven over zijn jeugd als zoon van een fabrieksmedewerker. Er was „geen enkele reden eraan te twijfelen dat de zon de grootste gloeipeer was ooit door de N.V. vervaardigd”.

Voor verdere uitbreiding was de directie gedwongen over de grens te kijken: in en rondom Eindhoven raakte het personeel simpelweg op. Turnhout, een begijnhofstadje met toen iets meer dan 30.000 inwoners, bleek geschikt. Veel Turnhouters forensden al dagelijks naar Eindhoven, maar er waren er nog genoeg voor een lokale fabriek.

De vestiging zou uitgroeien tot één van Philips’ belangrijkste lampenproducenten, gericht op de zakelijke markt. In de hoogtijdagen was elke beamerlamp op de productielijn in theorie al drie keer verkocht, en had de locatie een eigen brandweerkazerne en draadtrekkerij. De fabriek leverde lampen voor muziekpodia, vrijwel alle Belgische snelwegen en verschillende edities van de Olympische Spelen, zoals die in Seoul (1988) en Barcelona (1992).

Tot trots van de medewerkers. „De lampen zie je natuurlijk niet op tv”, zegt onderhoudsmonteur en lid van de ondernemingsraad Rob Claessen – hij werkt al 25 jaar in de fabriek. „Maar je zag dat het stadion verlicht was, en dan wist je: het is in orde.”

Ontstekingsbuizen voor de sportlampen die in Turnhout worden gemaakt.
Foto Roos Pierson
Bij de fabriek werken zo’n 600 mensen. In 2005 waren dat er nog 2.700.
Foto Roos Pierson

Led wordt betaalbaar

De omslag komt rond 2008. De meeste Philips-fabrieken in de regio zijn dan al gesloten na een grootschalige reorganisatie in de jaren 90. Veel productie is gestaakt of naar Azië verplaatst. Nu beginnen ook de laatste lampenbedrijven, zoals die in Turnhout en de componentenfabriek in Maarheeze, verandering te voelen.

Ledverlichting bestaat al een tijdje, maar wordt betaalbaar voor brede toepassing. De lampen, gebaseerd op halfgeleidertechnologie, verbruiken veel minder energie dan gloeilampen, gasontladingslampen of halogeenlampen. Bedrijven gaan ledverlichting bestellen voor hun kantoren. Grote producenten als Philips, Osram en General Electric realiseren zich dat dit pas het begin is. Philips richt zijn vrijwel volledige onderzoeksbudget op ledtechnologie.

In Turnhout komt de groei na decennia vrij plots tot stilstand. De werving van personeel stopt, en de fabriek richt zich vooral op de krimpende vervangingsmarkt voor zijn lampen, en op de markt voor zeer felle verlichting waarvoor led nog niet geschikt is: denk aan kledingwinkels, kassen – of beamers. Tegenwoordig is led ook hier toepasbaar, waardoor de vraag naar conventionele lampen verder krimpt.

Praten over ledverlichting op de werkvloer is in die eerste jaren „taboe”, zegt Erwin Oris, fabrieksmedewerker en vakbondsvertegenwoordiger. Dat houdt de ontwikkelingen niet tegen. Daar zijn de eerste ontslagen, en jongere werknemers beginnen te vertrekken. De gemiddelde leeftijd in de fabriek zal uiteindelijk stijgen naar iets boven de 50 jaar. Ook neemt de werkdruk toe: waar mensen wegvallen, moeten anderen soms werk overnemen. „Eerst haalde Kees bijvoorbeeld het vuilnis weg”, zegt oudgediende Claessen. „Nu moet je dat soort dingen naast je eigen taken doen.”

Lichtdienstverlener

Philips Lighting als geheel worstelt intussen ook met led. Het bedrijf verkoopt dit type verlichting wel, maar de fabricage is niet ingewikkeld en de Aziatische concurrentie enorm. Bovendien gaan de lampen lang mee, waardoor klanten deze maar af en toe aanschaffen.

Voor groei, wordt langzaamaan duidelijk, moet naar iets geheel nieuws gekeken worden. Philips, dat zich in toenemende mate op elektronica voor de gezondheidszorg richt, wil dat alleen zelf niet uitzoeken. Het concern verzelfstandigt de lichttak en brengt die naar de beurs.

Eric Rondolat, de Frans-Italiaanse topman van wat nu Signify heet, slaat een nieuwe koers in. Van lampenfabrikant moet het bedrijf meer een ‘lichtdienstverlener’ worden. Hoewel de doorsnee consument het niet direct merkt, verwijdert Signify zich gaandeweg van de productielijnen met peertjes. Het richt zich op het maken, installeren en onderhouden van geavanceerde lichtsystemen. Terwijl de conventionele lampenafdeling krimpt, investeert Signify in innovatie. Slimme lantaarnpalen, bijvoorbeeld, die niet alleen verlichten, maar via camera’s ook een oogje in het zeil houden. Of ledlampen die gewassen beter laten groeien door specifieke instellingen (‘lichtrecepten’).

Grote verwachtingen heeft het bedrijf van ‘Trulifi’. Op een demonstratiedag voor journalisten lieten medewerkers onlangs overtuigend zien hoe we in kantoren straks via lampen het web op kunnen: Li-Fi-technologie. Immers, net als wifi – dat zich via radiogolven verspreidt – bestaat licht uit golven, zij het met een andere frequentie. Die is volgens Signify niet alleen sneller en stabieler, maar ook veiliger: een lifi-netwerk binnendringen is nagenoeg ondenkbaar voor wie zich niet in het schijnsel van de lamp bevindt.

De lampenproducent verwacht dat dit type netwerk gaat oprukken in kantoren. „De impact op onze opbrengsten is nu nog gelimiteerd”, zegt topman Rondolat. „Maar voor de komende twee, drie jaar is uitbreiding van deze tak een belangrijk aspect.”

Cash engine

Het zijn deze ambities waarmee Signify sceptische beleggers ervan wil overtuigen dat het toekomst heeft. Het afgelopen jaar presteerde het aandeel nogal wisselend, en geregeld is er twijfel over de groeimogelijkheden van het bedrijf: is er wel vraag naar zijn nieuwe producten? De laatste kwartaalrapportages toonden matige groeicijfers. Dat viel slecht: in juli daalde de beurskoers van Signify meer dan 10 procent na de presentatie van de halfjaarcijfers – wat inmiddels weer vrijwel is ingelopen.

Onmisbaar voor alle innovatie zijn voorlopig nog wel de opbrengsten uit oude fabrieken als die in Turnhout – waar zelfs nog een handvol glasblazers in dienst is voor zeer speciale bestellingen. De grote kasstroom die de activiteiten hier opleveren – Signify zelf spreekt van een cash engine – blijft broodnodig. De marges van de divisie waar ‘Turnhout’ onder valt liggen rond de 20 procent. Cijfers per fabriek geeft het bedrijf nooit.

Inmiddels komt ruim twee derde van de omzet van heel Signify uit ledproducten. Dat de werkzaamheden in Turnhout daarmee ten einde lopen, is duidelijk. De afdeling onderzoek en ontwikkeling bestaat er nog slechts uit zo’n veertig medewerkers. Zij zijn niet bezig met nieuwe producten, hun werk concentreert zich op efficiënter werken, met andere grondstoffen. In de fabriek zelf werden vorig jaar nog ruim 18 miljoen lampen gemaakt; jaarlijks dalen de productievolumes er met ongeveer 15 procent. „Het voelt alsof je elk jaar een jaarcontract krijgt”, zegt vakbondsman Oris.

Nog zoiets: de leegstaande bedrijfshallen op het terrein. Onvermijdelijk, maar „niets is zo deprimerend als op een site terechtkomen waar de helft leegstaat”, zegt Van der Meulen.

Om daar wat aan te doen, ging Signify op zoek naar een nieuwe bestemming voor die panden. Twintig start-ups, met zo’n 220 medewerkers, maken nu gebruik van de vrije ruimte. Het levert de fabriek een gezelliger, volle kantine op, en wat huurinkomsten. Niet onbelangrijk ook, aldus de directeur: het biedt wat tegenwicht aan de veelal negatieve pers over de fabriek.

Het typeert de taak waarvoor hij zichzelf gesteld ziet: hoe houd je een fabriek levend, laat je die presteren, als de geest van krimp, ontslag en sluiting door de gangen waart? Kosten drukken en mensen bijscholen zodat ze aan meer productielijnen kunnen werken is belangrijk om concurrerend te blijven bij kleinere volumes. Maar dat is niet het enige wat telt.

In krimp, zegt Van der Meulen, zit niet de „positieve energie” die vanzelfsprekend is bij groei. Je moet je medewerkers met iets anders motiveren. „Als ik zeg: we gaan elke dag een stukje minder doen, dan creëer je negatieve energie.” Van der Meulen benadrukt bij voorkeur „continue verbetering”: ook een fabriek in afbouw kan de best mogelijke producten afleveren.

Daarom ook viert hij met zijn fabriek mijlpalen: de 7 miljoenste hortilamp, de 60 miljoenste beamerlamp. „Je laat mensen stilstaan bij wat wat we hier bereikt hebben. Dat maakt ze trots.”

Inderdaad is er nog steeds een ‘bedrijfstrots’, een gehechtheid aan fabriek en collega’s. Veel medewerkers hebben vrienden op de werkvloer. Dienstverbanden van meer dan dertig jaar zijn geen uitzondering. Kinderen van werknemers krijgen nog altijd een toelage om te studeren.

Wel betreft het grotendeels Philips-trots. De nieuwe naam is nog niet echt ingebed, vertellen diverse medewerkers. Philips, dat zeg je toch nog altijd makkelijker. Het staat ook nog altijd levensgroot op de gevel van de fabriek. Binnenkort verdwijnen de karakteristieke blauwe letters. Het groen van Signify is met verf al aangebracht.

De productiehal voor winkelverlichting. Foto Roos Pierson

Een nieuwe baan

Wat merkt Turnhout van de langzame krimp van één van de grootste fabrieken uit de omgeving? Eigenlijk verrassend weinig, zegt iedereen die NRC spreekt. Het stadje is geen bedrijfsdorp meer, gericht op één fabriek. Vroeger mag het anders zijn geweest, inmiddels draait het in de Kempen om meer dan Philips. Wie dezer dagen vertrekt, gedwongen of vrijwillig, kan bij een keur aan andere bedrijven aan de slag.

Wil je als vertrokken medewerker een nieuwe baan vinden, dan lukt dat vaak echt wel, vertelt Oris. Signify biedt bij ontslag een half jaar begeleiding, daarna gaan mensen aan de slag bij bedrijven als Janssen EMEA, de farmaceut om de hoek. Of bij plakbandfabrikant Avery Dennison aan de andere kant van het spoor.

Naar technische medewerkers is gewoon veel vraag. „En Philips-personeel is zeer begeerd”, zegt vakbondsvertegenwoordiger Serge Seret – hij werkt zelf niet in de fabriek. „Als je zegt dat je hier vandaan komt, hebben de meeste werkgevers wel zoiets van: ja, daar kunnen we iets mee.”

Het is lastig om te zeggen hoe lang de fabriek nog openblijft, benadrukken geïnterviewden. Op de markt voor traditionele verlichting strijden de producenten om de positie van ‘last man standing’. Voor Signify, Osram en General Electric samen is geen plaats. Alledrie hebben ze het lastig, met beurskoersen die onder druk staan en felle competitie in een krimpende markt. Maar stoppen er één of twee omdat de volumes te klein worden, dan is het best mogelijk het nog een decennium of wat vol te houden. „De koek wordt kleiner, maar we pakken wel marktaandeel”, zegt topman Rondolat. „Anderen krimpen sneller dan wij.”

In Turnhout kijken ze dus met spanning uit naar het moment dat bijvoorbeeld Osram met de productie van conventionele lampen stopt? Directeur Van der Meulen: „Kijk… je denkt er wel aan en je hoopt dat het een keer gaat gebeuren. Want dat is een bewijs dat onze strategie werkt. Maar wij zijn vooral bezig met elke dag beter worden.”