Opinie

Alarm over een drugsrapport met veel bekende feiten – en veel vermoedens

De ombudsman

Alles gaat zo snel tegenwoordig – en ook zo langzaam! In september 1991, stond in NRC al dit pleidooi te lezen: drugs moesten in het ziekenfonds (dat bestond toen nog), vond een Rotterdamse commissaris van politie op een symposium. Of dat een goed idee was, wisten andere aanwezigen niet, maar „de sprekers waren het erover eens dat de harddrugs zo snel mogelijk uit het illegale circuit moeten worden gehaald”.

Drie jaar later pleitte een „informele groep” wetenschappers, politiemensen en ondernemers voor een drugspas voor ingezetenen, met een maximum van twintig gulden per dag. Dit „om te voorkomen dat drugstoeristen Nederland binnenvallen”.

Ik weet niet of u hem al heeft ontvangen, die pas – ik niet.

Die discussie over het drugsprobleem is opgevlamd door een rapport over drugscriminaliteit in Amsterdam. Dat wekte grote onrust in politiek en media, alsof een nationale ramp was ontdekt. Steekwoord: de „ondermijning” van de samenleving.

Opmerkelijk, want op de keper beschouwd stond er nauwelijks iets écht nieuws in dat rapport. Het is vooral een journalistieke inventarisatie van eerdere studies, aangevuld met interviews.

Tussen de regels door viel dat op te maken uit de reeks uitvoerige stukken die ook deze krant er niettemin aan wijdde. Criminoloog Cyrille Fijnaut noemde het rapport een „aha-erlebnis”, een nette manier om te zeggen: dit wist ik al. „Veel was al bekend’’ noteerde de krant zelf, maar dat het zó erg was zullen weinigen „zich gerealiseerd hebben”. Een kwestie van perceptie dus.

Of van herhaling. Twee koppen in NRC (Onbekommerd drugsgebruik is nu normaal en Snuiven en sikken is heel gewoon) waren een bijna letterlijke reprise van een kop uit de – steengoede – eigen serie van de krant over cocaïnehandel, een jaar geleden: Een snuif coke is doodnormaal geworden. En o ja, het Commentaar sprak in 2012 al van Cannabis Capital A’dam.

Inmiddels klinkt ook kritiek op het rapport, met name op de onderbouwing van de meest schrikbarende conclusie, die van ondermijning. Overigens constateert het rapport ook zelf een tekort aan empirische data, het stelt vast dat we dus heel veel juist níét weten. Daar zit dus nog een hoop onderzoek in voor de journalistiek.

Zo gaat het vaker met ophef of morele paniek: stukjes van de puzzel zijn allang bekend, maar pas als die onder het beieren van de noodklok in één keer wordt gelegd, breekt het zweet iedereen uit en volgt er een omslag in de perceptie van heden of verleden. Zie de ‘puinhopen van Paars’, die ineens bleken te roken. Of het ‘multiculturele drama’ in deze krant, dat de agenda zette voor jaren discussie. Of de ontdekking van racisme met dank aan het rituele bezoek van een witte bisschop en zijn zwarte knecht.

Zulke omwentelingen hangen altijd samen met normatieve verschuivingen in de samenleving. Canoniek voorbeeld: de opvattingen over pedofilie, waar nog tot in de jaren tachtig welwillende geluiden over klonken. Of, recenter, de morele afkeer van roken, vlees eten en ver weg vliegen.

Ook in de drugsverslaggeving zijn zulke omslagen te zien. Nog in de vroege jaren negentig werd drugsgebruik in deze krant vooral beschouwd als een marginaal verschijnsel, een nawee van de jeugdcultuur van de jaren zestig en zeventig. Kwestie van regulering en gezondheidszorg, maar geen maatschappelijke crisis. Tekenend: in dat bericht uit 1991 wordt gesproken over een tekort aan „spuitplaatsen”, gevolg van stadsvernieuwing. Harddrugs hoorden bij de junkie – een figuur die vrijwel is verdwenen, net als de uitneembare autoradio.

Zorgen betroffen daarnaast de internationale reputatie van Nederland, toen Frankrijk het gedoogbeleid begon te hekelen. Nederland was volgens Parijs „één grote coffeeshop”, kopte de krant – die zich in hoofdredactionele commentaren door de jaren heen tandenknarsend schaarde achter de „moeizame evenwichtskunst” van gedogen en handhaven, met toenemende zorgen over de onhoudbaarheid van die spagaat.

Een eye opener was de IRT-affaire, het schandaal rond het gecontroleerd doorsluizen van drugs door een speciale politie-eenheid; ook dat vestigde de aandacht op de omvang die de drugssector inmiddels had gekregen, in een land dat nooit wars is geweest van een stevig potje handel.

Nieuw is wél de aandacht voor de ‘normale’ gebruiker. Het besef is ingedaald dat drugs via de fase van subculturele romantisering (jaren zestig en zeventig) en die van hedonistische democratisering (jaren tachtig tot heden) het stadium hebben bereikt van een mainstream maatschappelijk verschijnsel.

Ook die gestage trend blijkt uit de NRC-archieven: van verhalen over zware hasjhandel tot reportages van redacteuren tussen hakkende gabbers met door de pilletjes dichtgeschroefde kaken. Met de komst van xtc doemen de contouren op van ‘Nederland Partyland’, een term voor de onbekommerde jaren negentig.

En waar staat de krant nu? In het Commentaar heeft de scepsis over het drugsbeleid plaatsgemaakt voor berusting in de mislukking ervan, en voor een pleidooi om „anders over drugs te durven nadenken”. Dat wil zeggen: legalisering, zoals die van cannabis oprukt in de VS en elders. Tegelijk waarschuwt een ander Commentaar dat „aan drugsgebruik ook een morele component zit”. Wie nu slikt of snuift „is direct medeplichtig aan de zwaarste vorm van criminaliteit”.

Ook dat past in een trend: de individualisering van collectieve moraal, zoals met roken, of vlees eten in het verre vliegtuig.

Rest de liberale gewetensvraag: zou de legalisering van een geïmporteerd snuifje dat morele probleem oplossen?

Reacties: ombudsman@nrc.nl

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.