‘Zelf bepalen wat je doet, dat vind ik zo lekker’

Spitsuur Elbrich Schoorstra (23) en Niels Vunderink (23) wonen vierenhalf jaar samen. Ze leven van haar tattooshop. Hij helpt, maar traint vooral voor de triatlon. „Lastig om te zeggen wat we over vijf jaar gaan doen.”

Elbrich: „We hebben altijd honderd ideeën die we nog willen uitvoeren, maar geen concrete plannen.” Niels: „Als we iets bedenken, willen we het nú gaan doen. En dat is superfrustrerend.”
Elbrich: „We hebben altijd honderd ideeën die we nog willen uitvoeren, maar geen concrete plannen.” Niels: „Als we iets bedenken, willen we het nú gaan doen. En dat is superfrustrerend.” Foto David Galjaard

Niels: „Ik weet nog steeds niet wat ik wil worden als ik later groot ben. Ik probeer vaak te bedenken wat ik nou écht leuk vind om te doen. Maar er is nooit heel veel waar ik langer dan een week geïnteresseerd in ben. Ik denk dat bij ons allebei werk niet het belangrijkste is in ons leven.”

Elbrich: „Ik geniet van mijn werk als tattoo-artiest, maar ik leef niet voor mijn werk. Er zijn artiesten die van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat werken. Ik vind het heerlijk om om zes uur te stoppen, zodat ik bijvoorbeeld weer kan boulderen – dat is een klimsport.”

Niels: „Onze eerste ontmoeting was in een klimhal. Toen kreeg Elbrich haar eerste les van mij. Het was mijn laatste dag, en ik was echt een ongeïnteresseerde zak.”

Elbrich: „Ik dacht, wat een sukkel. Op een klimvakantie met onze inmiddels gezamenlijke klimvrienden, klikte het.”

Niels: „Twee maanden later woonden we samen. En het werkt, want dat is inmiddels vierenhalf jaar geleden.”

Elbrich: „Ik was dertien jaar toen mijn vader zijn eerste tattoo kreeg, en ik ging mee. Toen wist ik wat ik wilde worden. Een paar jaar later gingen we met het gezin naar een Viking-markt in Duitsland, daar zat een vrouw te handpoken, een niet-elektrische techniek om te tatoeëren. Dat was voor mij de perfecte combinatie van twee interesses, want Noorse mythologie vind ik heel interessant. Toen ik thuiskwam, heb ik gelijk naalden, inkt en oefenhuidjes besteld. Na een half jaartje zei mijn moeder: ‘oefen maar op mij’. Daarna werden het vrienden, en toen vrienden van vrienden. Op een gegeven moment kende ik de mensen die ik tatoeëerde niet meer.”

Niels: „En als afstudeerproject tatoeëerde je ontwerpen gebaseerd op opgegraven vondsten in Friesland. Dat was een groot succes.”

Elbrich: „Niels zei: waarom begin je daarna niet gelijk met een winkel? Dat had ik anders niet aangedurfd. Nu heb ik bijna tweeëneenhalf jaar die shop. Vaak ben ik zo’n twee maanden vooruit volgeboekt, een lekkere zekerheid.”

Sportambities

Niels: „Ik ben zo’n twee maanden geleden gestopt met werken. Ik werkte zo’n 38 uur bij Decathlon, als verkoper, en maakte veel overuren. Maar dat vond ik het op een gegeven moment niet meer waard.”

Elbrich: „Je hebt je sportambities, meedoen aan triatlonwedstrijden. Dan moet je van je coach soms vijf uur op een dag trainen, dat gaat niet met een volle werkweek. Dus zei ik: stop maar met werken, en focus je op je training voor de triatlon en het helpen bij de shop.”

Niels: „Ik kijk per week welke dag ik veel tijd heb en mee naar de winkel ga. Ik regel de geldzaken en de administratie.”

Elbrich: „Elke trainingsweek verschilt. Als hij een dag vijfeneenhalf uur op de fiets moet zitten, gaat hij niet mee.”

Klimongeluk

Elbrich: „Twee jaar terug deed ik voor het eerst mee aan het NK boulderen. Meedoen was genoeg om in de halve finale te komen. Nu is de competitie echt pittig.”

Niels: „We rijden twee keer in de week naar Groningen, daar is de enige goede boulderhal in de buurt. Als je in de Randstad woont, kun je kiezen.

Elbrich: „Dat frustreert me wel.”

Niels: „Ik ga vaak mee, kijk, en geef kritiek.”

Elbrich: „Ik vind het fijn als je mee bent.”

Niels: „Bij mijn eigen trainingen heb ik niet vaak veel plezier. Ik heb een enorme prestatiedrang.”

Elbrich: „Dat is niet wat je lijf de laatste tijd waardeert. Dat komt door je ongeluk.”

Niels: „Ik was op klimvakantie in Frankrijk met mijn vader, en toen ben ik gevallen. Niet eens zo heel hoog, vier meter ofzo. Ik kan me nog herinneren dat ik probeerde op te staan. Mijn benen deden het niet meer. Ik moest per helikopter naar Parijs.”

Elbrich: „Ik was helemaal in paniek, want we kregen het nieuws dat je rug gebroken zou zijn. Je had uiteindelijk twee hernia’s, een whiplash en een hersenschudding. Je kwam thuis met een nekkraag en krukken.”

Niels: „Ik ben misschien te snel weer dingen gaan doen. Zo fit als ik eerst was, word ik nooit meer. Ik moet ermee leren leven.”

Onrealistisch

Elbrich: „We hebben altijd honderd ideeën die we nog willen uitvoeren, maar geen concrete plannen.”

Niels: „Als we iets bedenken, willen we het nú gaan doen. En dat is superfrustrerend.”

Elbrich: „Want dat kan dan niet nu.”

Niels: „We hebben wel gepland dat we in december een maand naar Spanje gaan, een huisje huren, om hier aan de kou te ontsnappen. Daar kunnen we lekker klimmen en ik kan daar trainen.”

Elbrich: „Dat is voor ons best ver in de toekomst. Ik vind het lastig om te zeggen wat we over vijf jaar gaan doen.”

Niels: „De vrijheid van ’s ochtends opstaan en zelf bepalen wat je gaat doen, zoals op vakantie, dat vind ik zo lekker. Dat is, denk ik, wel wat ik voor de toekomst wil creëren. Misschien is dat wel heel onrealistisch, er worden toch dingen van je verwacht.”

Elbrich: „Ik heb al gevonden wat ik leuk vind. Als Niels zegt: ‘Het liefst zou ik elke dag willen doen wat ik wil’, denken mensen: ‘Dat is zo’n luie nietsnut die niks doet in deze maatschappij’. Dat is eigenlijk raar. Want het streven mag er best wel zijn.”