Opinie

Een seizoen zonder toneelklassiekers kan prima

Een toneelseizoen zonder Shakespeare moet kunnen, meent Nee, stelt , klassieke werken bieden meer ruimte voor diepgang dan nieuw geschreven werken. Een twistgesprek onder leiding van .
Twistgesprek

Het is al jaren aan de gang: er worden steeds minder toneelklassiekers op de Nederlandse en Vlaamse podia opgevoerd. Dit seizoen staan er zelfs geen Shakespeare, Griekse tragedies, Ibsen, en slechts twee stukken van Tsjechov op de affiches van de vijftig grootste Nederlandse en Vlaamse toneelgezelschappen. Geen probleem, meent Filip Tielens, coördinator podiumkunsten voor het Vlaamse De Standaard. Jammer, vindt Loesje Riethof, adjunct-directeur van De Toneelschuur en hoofd Toneelschuur Producties. Een gesprek over de stelling: ‘Een seizoen zonder toneelklassiekers op de grootste Nederlandse en Vlaamse podia kan prima.’

FT is Filip Tielens, LR is Loesje Riethof.

FT: „De hamvraag is: wat verstaan we onder ‘toneelklassiekers’? Als men daarmee alleen die dertig à vijftig bekende titels bedoelt van het selecte kransje oude of dode witte mannen zoals Shakespeare, Tsjechov, Ibsen en de oude Grieken, dan vind ik dat een veel te enge reductie van het idee ‘repertoire’.”

LR: „Het lijkt me ook een te enge definitie. Toch is het voor het aanbod en de ontwikkeling van podiumkunsten van groot belang dat men ook de echte klassiekers, zoals jij die omschrijft, blijft spelen.”

FT: „Mijn probleem is niet dat die toneelklassiekers af en toe worden opgevoerd, maar wel dat van het theater wordt verwacht dat het telkens weer datzelfde ijzeren repertoire opvoert. Want hoeveel ‘moderne’ toneelklassiekers van na de jaren ’60 ken jij, laat staan geschreven door vrouwen of niet-westerlingen?”

LR: „Denk aan Topdog/Underdog van Suzan-Lori Parks, A Raisin in the Sun van Lorraine Hansberry en Black Antigone van George Porter. Er is nog werk aan de winkel om dit soort nieuwe teksten uitgebracht te krijgen, maar het is interessant om te zien dat er een nieuwe groep makers komt, met een biculturele achtergrond en met een repertoire dat weinig of nooit in Nederland is gespeeld. Toch denk ik dat de toneelklassiekers ruimte geven aan herinterpretaties, en minder eenduidig denkbeelden van onze maatschappij bevragen dan nieuw geschreven werk.”

FT: „De onderliggende gedachte is dan dat die klassiekers ‘tijdloos en universeel’ zijn, maar dat is vaak niet zo. Je moet dikwijls de taal moderniseren, oubollige denkbeelden rechtzetten of – vaak de interessantste weg – er een metareflectie aan toevoegen, zoals Joachim Robbrecht en Sarah Moeremans, die in hun Crashtest Ibsen-reeks de moraal van Ibsen contrasteerden met deze tijd.”

LR: „Ik denk dat klassiekers spiegels van onze plaats in de tijd zijn. Ik heb er moeite mee dat ze gemoderniseerd moeten worden, dat er minder ruimte is voor de verbeelding en reflectie van het publiek zelf. Het temmen van de feeks van Nina Spijkers is een goed voorbeeld van behouden taal. Het wordt integraal gespeeld en heeft zoveel zeggingskracht over onze tijd.”

FT: „Als het goed lukt, kan dit zeker. Alleen heb ik in het verleden al te veel versies gezien die te trouw blijven aan de auteur. Waar is de verhouding van de acteurs tot de oude tekst en waar de visie en verbeelding van de regisseur? Ik ben net blij dat we hier vrijer met die klassiekers omgaan dan in Duitsland, Frankrijk en Engeland.”

LR: „Ik denk dat dit argument van trouw blijven aan de tekst zonder te veel visie ook geldt bij nieuw geschreven werken. Het begint bij de urgentie van een regisseur om impliciet of expliciet iets te vertellen. Het mooie aan klassiekers is dat die uitgerekend veel ruimte geven voor visie, een ander perspectief en vorm.”

Lees ook: nul keer Shakespeare in het theater: ‘Ik word hier heel verdrietig van’

FT: „Uiteraard. En toch mis ik iets op het vlak van nieuwe verhalen. Vlaamse toneelauteurs krijgen te weinig schrijfopdrachten – hier is niemand die zoals Jibbe Willems uitsluitend kan leven van toneelschrijfopdrachten, zonder zelf regisseur of speler te zijn. Ook de laatste grote acteursensembles moeten vaker passeren bij toneelauteurs voor nieuwe teksten die de snaren raken van deze tijd.”

LR: „Nieuwe toneelteksten zijn belangrijk en er lijkt, ondanks dat er nog veel moet gebeuren, daar wel oog voor te komen. Het oude repertoire staat nu juist onder druk, terwijl het net resoneert in alle nieuwe verhalen. Ze kunnen niet zonder elkaar bestaan.”

FT: „Het oude repertoire leeft nog steeds voort, maar niet per se in de oorspronkelijke vorm. Ik vind het interessant hoe Milo Rau de Oresteia verplaatst naar Mosul in Irak, waar zich de echte tragedie van deze tijd afspeelt. Of hoe Naomi Velissariou in haar concerttheater een feministisch antwoord formuleert op Heiner Müller of Sarah Kane belichaamt. Enzovoorts.”

LR: „Dit zijn mooie voorbeelden van omgaan met het oude repertoire, maar ik vind niet dat de legitimering van het spelen van het oude repertoire zit in een één-op-één vertaling naar deze tijd. Het oude repertoire in de oorspronkelijke vorm kan diepere lagen van denken aanspreken, door te werken met symbolen en metaforen.”

FT: „Zolang we ‘repertoire’ oprekken tot meer dan de gecanoniseerde club. Ik mis, zeker in Vlaanderen, recent buitenlands repertoire. Wat gebeurt er in Berlijn, Londen en New York? En wat leeft er aan niet-westers repertoire, uit bijvoorbeeld de Arabische wereld of Latijns-Amerika? Ik zie het zelden of nooit op onze podia. Het zou mij meer benieuwen dan een zoveelste koningsdrama of de lamlendige verveling in een zomers buitenhuis. Een publiek is op zoek naar nieuwe verhalen – kijk naar het succes van Netflixreeksen – en vindt dat te weinig in ons toneelbestel dat, kort door de bocht, of oude klassiekers opvoert of gefragmenteerde, multidisciplinaire creaties brengt. Leve het (toekomstige) repertoire!”

LR: „Het repertoire moet inderdaad verbreed worden. Maar hoe jij het hier stelt, lijkt het een wens om hiermee de Shakespeares en de Tjechovs hiervoor in te ruilen. We mogen het klassieke repertoire niet weggooien. We moeten onszelf de spiegel van de geschiedenis blijven voorhouden. Nieuwe herkenbare realistische stukken doen soms denken aan televisie of film op het toneel, hiermee verliezen we het kijken naar vorm en theatraliteit, waar juist theater als kunstvorm voor geschikt is. Het publiek is ook op zoek, juist door Netflix en dergelijke, naar verdieping en verbeelding. De analyse en visie van de regisseur geven een diepte en een urgentie die je juist door te werken met het klassiek repertoire kan bereiken. Leve het theater!”

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.