Recensie

Recensie Boeken

Heeft Robert (43) zijn vrouw gewurgd?

Arthur Schnitzler De Weense toneelschrijver Arthur Schnitzler werd bewonderd door Freud. In zijn novelle Vlucht in de duisternis (nu in het Nederlands vertaald) vraagt de 43-jarige ambtenaar Robert zich af: heb ik mijn vrouw gewurgd?

De Weense toneelschrijver en novelist Arthur Schnitzler (1862-1931).
De Weense toneelschrijver en novelist Arthur Schnitzler (1862-1931).

Wenen, fin de siècle. De 43-jarige ambtenaar Robert heeft oppervlakkige liefdesrelaties. Wanneer zijn nieuwste verovering, Alberta, hem onverwacht mededeelt dat een andere man haar ten huwelijk heeft gevraagd, bedwingt hij zijn woede en raadt haar vrolijk aan daar vooral op in te gaan. Later kan hij zich wel dit gesprek herinneren, maar niet hun afscheid. ‘En plotseling, met een gierende angst, vroeg hij zich af, of zijn gesprek met Alberta dat in zijn herinnering zo rustig was afgesloten, niet toch een voortzetting van geheel andere aard had gekregen, die uit zijn geheugen verdwenen was [...] Slechts dit was zeker: hij was met haar het bos in gegaan en zonder haar teruggekeerd.’ Heeft hij haar in zijn jaloezie gewurgd? Dit is natuurlijk een waanidee, dat weet Robert ook wel, zo gek is hij niet. Anderzijds: tien jaar geleden is zijn jonge, gezonde echtgenote plotseling overleden; hoe kan hij zeker weten dat hij haar niet vergiftigd heeft? Hij herinnert zich maar al te goed zijn ergernis wanneer ze ‘met zware vingers, als een kind, stukken van Mozart en Beethoven zat af te pingelen.’

Arthur Schnitzler (1862-1931), de Weense toneelschrijver en novellist, was innig vertrouwd met de troebele diepten van de geest. Zijn verkenningen daarvan (zoals Traumnovelle, waarop Stanley Kubricks film Eyes Wide Shut gebaseerd is) leverden hem de bewondering van Freud op. In Vlucht in de duisternis voert Schnitzler onontkoombaar, ijzersterk doserend, de dwanggedachten van zijn hoofdfiguur op. Als rationeel man wéét Robert dat hij niemand vermoord heeft, en verbaast hij zich erover dat zijn gedachten steeds dezelfde kant opgaan ‘als op een dood spoor’. Deze novelle heeft de kracht van de waanzin, en als zuurstof voor de waanzin fungeert de rede. Steeds slaagt Robert erin zijn gedachten te beheersen, met dank aan het gezond verstand, wat tot een moment van opluchting leidt - waarna zijn kerngezonde gedachte het uitgangspunt voor een nieuwe, nog veel wurgender angst is.

In dit verhaal komen alle dingen in hun tegendeel te verkeren, zoals Roberts liefde voor vrouwen in haat omslaat. Robert heeft een oudere broer, Otto, die in veel opzichten zijn tegenhanger is: een solide zenuwarts van naam, een baken in zijn familie zowel als in de maatschappij. Voor de hypochonder en neuroticus Robert is Otto zijn grootste steun en toeverlaat, en volgens de wetten van dit verhaal wordt hij dus zijn ergste vijand. Hoe dat mogelijk is, demonstreert Schnitzler in een spannende intrige die geen zwak moment kent. Daarbij is Roberts paranoia – zijn mijn geheime gedachten van mijn gezicht af te lezen? – toepasselijk voor de paradoxale Weense samenleving van die tijd, waarin een liederlijke levenswandel luchtdicht kon worden afgesloten door een burgerlijke moraal.

Jef Rademakers vertaalde de novelle in een aangename, licht archaïserende stijl en betoogt in zijn nawoord dat Schnitzler Vlucht in de duisternis ruim vijftien jaar liet liggen alvorens het in 1931 te publiceren, omdat hij in de figuur van de pathologisch jaloerse, achterdochtige en jegens vrouwen meedogenloze Robert een al te waarheidsgetrouw beeld van zichzelf had geschetst.