Recensie

Recensie

Maar de gegoede burgerij was tegen

Speeltuinen in Amsterdam Nu vind je overal in de stad speeltuinen, maar vóór 1900 moesten kinderen het maar uitzoeken. Dankzij ‘Vader Klaren’ kwam het toch goed.

De Oosterspeeltuin, datum onbekend. Deze speeltuin op de kop van de Czaar Peterstraat, geopend in 1890, is er nog steeds.
De Oosterspeeltuin, datum onbekend. Deze speeltuin op de kop van de Czaar Peterstraat, geopend in 1890, is er nog steeds. Fotograaf onbekend

Kinderen die in een grote stad klauteren op klimrekken, heen en weer zwiepen in schommels: het is zo vanzelfsprekend dat je er nauwelijks bij stilstaat. Toch duurde het tot aan de eeuwwisseling van 1900 dat de eerste speeltuinen in Nederland werden geopend. Voordat speelterreinen er waren zwierven kinderen op straat en vormden „baldadigheid en straatschenderij” het vermaak bij uitstek. De burgerij sprak er schande van.

Aan het eind van de 19de eeuw leefde 7 procent van de Amsterdammers in kelderwoningen en zo’n 20 procent in woningen met slechts één kamer, vooral in wijken als de Jordaan, de Oostelijke Eilanden, de Nieuwmarktbuurt, De Pijp en de Czaar Peterbuurt. Geen wonder dat de misdeelde jeugd de straat opzocht voor vertier: er was eenvoudigweg niets anders.

De Amsterdamse socialist en scheepstimmerman Uilke Jans Klaren (1852-1947) trok zich het lot van de pauperjeugd aan. Klaren heet de vader van de speeltuinen te zijn. Klarens achterkleinzoon Maurits Klaren schreef een boeiend levensverhaal over „Vader Klaren”, zoals hij werd genoemd. Het recent verschenen boek Uilke Jans Klaren. Icoon van de speeltuinbeweging heeft als bescheiden ondertitel ‘Een portret’, maar de rijk geïllustreerde uitgave is veel meer dan dat. De auteur kon putten uit Klarens persoonlijke archief en uit diens dagboekachtige getuigenissen, herinneringen en aantekeningen die hij noteerde in het ‘Familieboek’. Klaren schreef dit deels op rijm, wat in die tijd gebruikelijk was.

Sterk rechtvaardigheidsgevoel

Klaren werd geboren in het Friese Tjalleberd als zoon van een veenarbeider. Al jong kwam hij in aanraking met maatschappelijk onrecht. Zo waren zijn ouders onderworpen aan gedwongen winkelnering, die hen nog armer maakte, want ze moesten in de winkel van hun baas duurdere inkopen doen. Klaren – sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel – noemde dat een „foltering” en een „pestbuil”.

Eerst in Friesland, later na zijn verhuizing naar Amsterdam was hij diep geschokt door kinderexploitatie. Zijn werk als timmerman bij de Rijkswerf op de Oostelijke Eilanden, waar hij ook woonde, confronteerde hem met het stadsproletariaat en de straatkinderen. Volgens de gegoede burgerij was de knuppel van de politie noodzakelijk én voldoende om de jeugd in het gareel te houden.

De fel bewogen Klaren zag het anders: hij spande zich in om de „jeugdlevensnood” te lenigen en de opgroeiende kinderen de frisse buitenlucht en educatie te gunnen van een speeltuin. In 1890 besloot hij tot de oprichting van een kinderspeeltuinvereniging; het zou nog tot 17 juni 1900 duren voor de Oosterspeeltuin op de kop van de Czaar Peterstraat er daadwerkelijk kwam. Dit was overigens niet de allereerste Amsterdamse speeltuin – die werd al in 1880 geopend in het Tweede Weteringplantsoen.

Het was Klarens diepste overtuiging dat het „onbeschaafde straatvermaak” van de kinderen een slechte invloed had op hun gedrag en karakter. Hij vond een medestander in filantroop en gemeenteraadslid Nico Tetterode, eigenaar van de gelijknamige lettergieterij aan de Bilderdijkstraat.

De speeltuingedachte ondervond veel kritiek, met name vanuit de gegoede burgerij

De speeltuingedachte, die langzaam opgeld deed in Amsterdam, ondervond veel kritiek, met name vanuit de gegoede burgerij. De kinderen van de lage standen waren dusdanig onhebbelijk en onhandelbaar, aldus de rijke klasse, dat het beter was ze „in het wild” te laten rondlopen, de kroeg in te jagen of aan het gokken te brengen. De bladzijden gewijd aan het verzet van de Amsterdamse bourgeoisie tegen speeltuinen zijn schokkend. Men wilde de „arbeiders onder de duim” houden en de gegoede burgerij vreesde dat verheffing van de jeugd gebeurde onder de dekmantel van opkomend socialisme.

Natuurgenot

Klaren had nog meer idealen: hij wilde zijn kinderen ook kennis laten maken met de natuur, en opende daartoe het Huisje voor Natuurgenot bij de Oosterspeeltuin. Hier konden kinderen bloemen, planten en het insectenleven van nabij gadeslaan, maar het was Klaren vooral om educatieve doeleinden te doen, vooral het delicate onderwerp van voortplanting en seksuele voorlichting. Want de „min- en onvermogende arbeidersouders” zouden te weinig „takt” hebben dit tere onderwerp te bespreken. Ook liet hij door de befaamde architect H.P. Berlage een bibliotheekgebouw ontwerpen. In Klarens visie was een speeltuin meer dan alleen een wipplank of een draaimolen.

Zowel de Oosterspeeltuin als die aan het Weteringplantsoen bestaan nog steeds. Het gedachtegoed van ‘speeltuinvader’ Klaren is nog altijd levendig. Nederland telt inmiddels meer dan duizend speeltuinverenigingen waar, net als in Klarens tijd, ouders, vrijwilligers en buurtbewoners de leiding hebben; zo’n 60.000 mensen. In speeltuinen leren kinderen zich te ontplooien en tot zelfredzaamheid en besef van eigen verantwoordelijkheid te komen. In het ‘Familieboek’ geeft Klaren zich rekenschap van zijn strijd voor de jeugd en tegen de heersende klasse. Hij verwoordt het prachtig: „Toch durven die waardige heren/ (Te) klagen over jeugdmisdadigheid”.

Maurits Klaren: Uilke Jans Klaren. Icoon van de speeltuinbeweging. Een portret. Uitg. Panchaud, 167 blz. Prijs 29,50.

●●●●