Recensie

Recensie Boeken

De Nederlandse schrijfster die naar IJsland emigreerde

Laura Broekhuysen Laura Broekhuysen (1983) emigreerde vijf jaar geleden naar IJsland. Daar betrekt ze twee huizen: één met haar man en kinderen in de stad, een tweede in een baai, waar ze kiest voor het kluizenaarschap. (●●●●)

Het gletsjermeer Jökulsárlón in het zuidoosten van IJsland, het bekendste en grootste gletsjermeer van het land.
Het gletsjermeer Jökulsárlón in het zuidoosten van IJsland, het bekendste en grootste gletsjermeer van het land. Foto Getty Images/iStockphoto

De lente op IJsland is niet sappig groen, maar beige. ‘Strooiig’ beige komt het platgedrukte gras onder de sneeuw tevoorschijn. Ook ‘de laatste sneeuw, de plassen, het strand, eb vol glibberig wier, het mos op het dak van de schuur’ zijn allemaal beige. Fel oranje accenten leveren slechts de snavels van scholeksters. En heel soms waait er iets ontzettend onschendbaars, blikkerend gekleurds voorbij: een stukje plastic.

Laura Broekhuysen (1983), een schrijfster en violiste die sinds een jaar of vijf in een IJslandse baai woont, is een grondige kijker die zorgvuldig formuleert. In Flessenpost uit Reykjavik, haar vierde boek, reflecteert ze op wat ruimte met je doet, wat stilte, wat vaart, op de klankkleur van een taal, en hoe het is om een immigrant te zijn. Het is een boekje vol korte bespiegelingen om je op mee te laten drijven, traag maar niet saai, ingehouden maar nergens suf, wat knap is, zo zonder spanningsboog. Het enige hoofdstuk dat al te particulier is, bevat zomaar een lofrede op een boek dat Broekhuysen leest.

‘Als ik de achterdeur openzet en op de drempel ga staan, spreiden mijn gedachtes zich uit over de baai’, aldus Broekhuysen die denkt over denken en intussen blijft kijken: ‘De hoelzwanen zijn witter dan de sneeuw in de bergen.’

Broekhuysen groeit in haar nieuwe taal, en in haar omgeving. Met haar gezin betrekt ze een extra appartement in de stad, en ze komt, via het schoolplein van haar kinderen, de samenleving verder binnen. Eerder beving haar juist de sensatie te verdwijnen, omdat ze in het IJslands nooit kon zijn wie ze in het Nederlands was. Negen van de tien keer scheen er geen IJslands woord te bestaan voor wat zij te berde wilde brengen. Op een ingehouden, humoristische manier worstelt ze met haar keuzes, zoals voor het kluizenaarschap in de baai en voor haar partner: geen man kan immers elke dag een man zijn om voor te emigreren, ‘laat staan geëmigreerd te zijn’.

Maakt de taal het landschap uit, of het landschap de taal? In het meest geslaagde hoofdstuk, getiteld ‘Verbuigingen’, noemt Broekhuysen de IJslandse taal ‘aan alle kanten lenig’. Ieder woord heeft ‘een noord-, een zuid-, een oost- en een westkant [...] Een naamval is als een route, waar woorden van een bepaalde zijde worden beschouwd. [...] De fjord, in de fjord, naar de fjord, over de fjord geeft in het IJslands geluid aan vier verschillende kanten van de fjord.’ Komt dit doordat het land zo weids is dat er ‘altijd ruimte is om een paar stappen achteruit te zetten?’

Hoe meer vat ze krijgt op de taal, met zijn zestien mogelijke naamvallen per zelfstandig naamwoord, hoe meer het Nederlands haar ‘een constructie in een kijkdoos’ toeschijnt. Plat en eenduidig: ‘Berg is berg, blijft berg, heeft geen reliëf.’ ‘Het ervaren’ spreekt niet uit Nederlandse zelfstandige naamwoorden, stelt ze, met een bijvoeglijke bepaling (of een voorzetsel) erbij ontstaat nog geen eigen melodie.

Nou blinkt Broekhuysen zelf juist uit in karakteriseren via bijvoeglijke bepalingen – een onopvallende mevrouw is bij haar ‘grindkleurig’, een gladde zee ‘schijnheilig’ – dus te hopen is dat ze toch voor altijd in dat beperkte Nederlands blijft schrijven.