Recensie

Recensie Boeken

Dit Pulitzer Prize-winnende boek is een ode aan de middelmatige man

Andrew Sean Greer Een witte Amerikaanse schrijver met midlifecrisis besluit aan de vooravond van zijn vijftigste verjaardag alleen op reis te gaan. (●●●●)

Andrew Sean Greer won vorig jaar met zijn vijfde roman de Pulitzer Prize. Alom verbazing, want De glorieuze reis van Arthur Less lijkt er haast te komisch en lichtvoetig voor. Maar het vernuft van Greer (Washingon, 1970) is bewonderenswaardig; zijn taalgevoel, timing, zijn vermogen het schijnbaar luchtige niet plat te schrijven. En het loopje dat hij neemt met een premisse waar je aanvankelijk wellicht even van met de ogen moet rollen: schrijver besluit aan de vooravond van zijn vijftigste verjaardag en na zijn gestrande relatie met een jongere man, in zijn eentje op reis te gaan. Dat doet hij niet zozeer om het avontuur, maar om zowel die verjaardag als het feit dat zijn ex-geliefde met een ander in het huwelijk treedt te vermijden.

De schrijver in kwestie is Arthur Less. Dunnend blond haar, de permanente vrees door de mand te vallen en één mooi maatpak. Zijn jongste roman is door zijn uitgever afgewezen. Een vrouw die hij tijdens zijn reis ontmoet vat het kleine drama samen: ‘Een blanke Amerikaanse man van middelbare leeftijd die door San Francisco loopt met zijn blanke Amerikaanse midlifeprobleempjes? […] Sorry dat ik het zeg, Arthur, maar het is vrij moeilijk om je met zo iemand begaan te voelen.’

Het heerlijke aan Greers roman is dat je je niet zozeer begaan hoeft te voelen met Arthur Less, al is het bijna onmogelijk om niet een beetje met de onhandige reiziger en ‘de eerste homoseksueel die ouder wordt’ mee te leven, maar dat je ook een vreemdsoortige ode aan een middelmatige man leest, op papier gesteld door een verteller die duidelijk voornemens is zelfs van zijn gebreken te houden. Wie de verteller is laat ik even in het midden, want hoewel het bestaan ervan een van de facetten is die het boek zo goed maken is de verrassing te mooi om ’m te verklappen.

Minnaars

De verteller houdt dus van de man die in New York door de organisator van een avond – Less moet een andere schrijver interviewen – niet herkend wordt, omdat ze ervan uitging dat hij een vrouw was (‘u bent zo’n getalenteerd schrijver’, wordt als reden aangevoerd). Van Less, die in Mexico wordt ontboden om op een festival over een vroegere geliefde te spreken, een geniale dichter uit een Beat Generation-achtige schrijversploeg (‘The Russian River School’) die inmiddels door zuurstofgebrek aan bed is gekluisterd. Sterk beschreven is hoe mooi en moeilijk het voor Less was om met zo’n genie samen te leven (‘Alsof je alleen woont. Alsof je alleen woont met een tijger.’), maar ook hoe groot de liefde tussen Arthur en de dichter ooit was.

Dat de roman niet in suikerzoetheid vervalt komt doordat de verteller Less en zijn ‘stripboeken-sidekick-kapsel’ niet spaart. Als Less in Italië ineens een literaire prijs wint, gaat hij haast aan kokette zelftwijfel ten onder. Als hij in Duitsland (voor een deel in Tot zoens!-stijl geschreven vanwege Less’ gebrekkige Duits) en Frankrijk geliefden opdoet, steekt hij op alle fronten mager bij zijn minnaars af. In Marokko blijft hij weliswaar als een van de weinigen gevrijwaard van reizigersziektes, maar hij komt er wel de vrouw tegen die zijn roman affakkelt. In Japan verwondt Less zich als hij een nota bene rijstpapieren muur door moet breken. En toch. Wat een man, die Arthur Less, met zijn rare lach en zijn ‘kunst uit een kamer te verdwijnen zonder weg te gaan’.

Een fijn boek, vol grappen die soms slim zijn en soms lekker flauw, en vol lieve beschouwingen over de liefde.