Geld genoeg voor de universiteiten, maar wie mag het gaan verdelen?

Onderzoeksfinanciering Minister Van Engelshoven wil meer geld rechtstreeks aan de universiteit geven, zodat onderzoekers minder subsidies hoeven aan te vragen. Wetenschappers waarschuwen: „Dat geld is dus niet voor het onderwijs.”

Maandag 2 september 2019: universitair medewerkers en actiegroep WOinActie voeren actie in het centrum van Den Haag tegen de voorgenomen bezuinigingen in het universitair onderwijs.
Maandag 2 september 2019: universitair medewerkers en actiegroep WOinActie voeren actie in het centrum van Den Haag tegen de voorgenomen bezuinigingen in het universitair onderwijs. Foto Remko de Waal

Het rommelt in de wereld van het wetenschappelijk onderzoek. Een kleine greep uit de krantenkoppen: ‘Geesteswetenschappen in de verdrukking’, ‘Bètavakken hebben meer geld nodig’, ‘Kritiek universiteiten op plan minister voor andere financiering’. Dit gaat natuurlijk over de ophef rondom het besluit van minister Ingrid van Engelshoven (Wetenschap, D66) om geld over te hevelen van de alfa’s en gamma’s naar de bèta’s. Haar plan leidde afgelopen maandag tot luide kritiek bij de opening van het academisch jaar.

Maar gingen de berichten daar echt over? Nee dus. Deze krantenkoppen zijn dertig jaar oud.

De minister in kwestie was niet Van Engelshoven, maar Jo Ritzen (PvdA). Hij wilde dat er minder middelen rechtstreeks naar de universiteiten gingen, en meer naar de pas opgerichte Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO, opvolger van ZWO). Daar moesten onderzoekers voorstellen gaan indienen en met elkaar in competitie in gaan om geld. Hierop barstte onmiddellijk gekrakeel los over wie deze impuls het meest nodig had.

De manier waarop de tweede geldstroom is ingericht, zorgt, kortom, al heel lang voor discussie, een discussie ook met een nogal cyclisch karakter.

Toch is 2019 niet hetzelfde als 1989 en de decennia erna. Jarenlang was het devies dat méér onderlinge competitie om schaarse middelen leidt tot beter onderzoek. Vooral jonge wetenschappers hoppen daardoor van zwaarbevochten beurs naar zwaarbevochten beurs om hun loopbaan aan de gang te houden. Bij sommige aanvraagrondes van NWO ligt het honoreringspercentage rond de tien procent. Iedereen is het er inmiddels over eens dat dit te laag is. Te veel onderzoekers schrijven te veel voorstellen, zonder resultaat. Het kost tijd en moeite, en levert veel vaker frustratie dan geld op.

Om daaraan iets te doen, heeft minister Van Engelshoven onlangs voorgesteld honderd miljoen euro te verschuiven van de tweede naar de eerste geldstroom. Bij de opening van het academisch jaar liet ze doorschemeren dat er misschien nog meer geld in die richting zal verhuizen. Is hier sprake van een trendbreuk, en zo ja, hoe ziet dan de toekomst van de financiering van het wetenschappelijk onderzoek in Nederland eruit?

Zak geld

Bij het Rathenau Instituut doen ze al jaren onderzoek naar het Nederlandse wetenschapsbedrijf. Directeur Melanie Peters wil meteen een misverstand uit de wereld helpen: er is de laatste jaren niet steeds minder geld beschikbaar voor onderzoek. „Sterker nog, de eerste geldstroom groeit ieder jaar harder dan je zou mogen verwachten als je kijkt naar de toename van het aantal studenten en de geldontwaarding. Het gedeelte daarvan waarover de universiteiten vrij kunnen beschikken, wordt echter wel steeds kleiner.”

Jos de Jonge, hoofd onderzoek bij het Rathenau Instituut, legt uit hoe dat zit. „Hiervoor is het fenomeen ‘matching’ verantwoordelijk. Veel geldschieters – niet alleen NWO maar ook de EU en bedrijven – eisen dat de universiteit van de onderzoeker aan wie ze geld geven daar zelf ook een zak geld naast zet. Die middelen moeten uit de eerste geldstroom komen. Inmiddels gaat eenderde van die geldstroom op aan matching. Dat heeft natuurlijk verstrekkende gevolgen voor universiteiten. Die kunnen zo zelf minder onderzoekers aanstellen.”

Dit heeft tot gevolg gehad dat het aantal promovendi en postdocs enorm gegroeid is, maar het aantal universitair docenten en hoogleraren niet. De Jonge: „En al die jonge onderzoekers moeten op jacht naar hun volgende beurs om te kunnen blijven werken. Zo houdt het systeem van de externe financiering gekoppeld aan interne matching zich in stand, ten koste van de mogelijkheid tot reguliere, vaste aanstellingen.”

„Het personeelbeleid is uitbesteed aan NWO”, zegt Peters. Overigens niet zonder resultaat. „We staan in de citatie-indexen van alle vakgebieden aan de top; we krijgen dus veel bang for our buck. Maar de negatieve bijwerkingen van dit succes worden steeds duidelijker voelbaar.”

Een simpele verschuiving van middelen van de ene geldstroom naar de andere zal niet volstaan om de werkdruk op de universiteiten te verminderen, zeggen de onderzoekers van het Rathenau Instituut. De Jonge: „Als je van dat geld alleen maar aio’s en postdocs aanstelt, heb je over een paar jaar dezelfde problemen, maar dan erger. Je zal de senior staff moeten versterken om de universiteiten meer in balans te brengen. Dat bekent dat de basis, die nu heel breed is met al die jonge onderzoekers, smaller zal worden.”

Wat vindt De Jonge Akademie daarvan? Dit aan de KNAW verbonden forum van vijftig jonge, gedreven wetenschappers uit verschillende disciplines laat al een tijd protest horen tegen de hoge aanvraagdruk en lage honoreringspercentages van de tweede geldstroom. „De competitie is doorgeschoten”, zegt Martijn Wieling, bijzonder hoogleraar Nedersaksische en Groningse taal en cultuur aan de Rijksuniversiteit Groningen en vice-voorzitter van De Jonge Akademie. „Het is inmiddels meer een loterij geworden. Daarom zou het goed zijn als er meer geld van de tweede naar de eerste geldstroom gaat, vooral waar dit de niet-vrije onderzoeksprogramma’s betreft, ook omdat dan minder wetenschappers hoeven te voldoen aan alle regels van de NWO-programma’s. Dat komt de originaliteit van het onderzoek hopelijk ten goede.”

Het is niet erg dat minder tweede geldstroom betekent dat meer mensen na hun promotie hun heil buiten de universiteit zullen moeten zoeken, zegt Wieling. „Meer vastigheid, maar dan voor minder mensen is wat mij betreft prima.”

Hij ziet echter ook een mogelijk gevaar in het verschuiven van onderzoeksgeld naar de universiteiten. „Dat komt in de lump sum terecht en kan dan net zo goed voor iets anders worden gebruikt. We weten allemaal hoe hoog de druk op het onderwijs is. Voordat je het weet, gaat het geld daar naar toe. Onderwijs is natuurlijk belangrijk, maar deze middelen zijn daarvoor niet bedoeld.”

Dezelfde zorgen bestaan bij het Promovendi Netwerk Nederland (PNN), zegt voorzitter Anne de Vries, aio rechtswetenschap bij de Universiteit Tilburg. „Aan financiering uit de tweede geldstroom zitten voorwaarden vast die de kwaliteit van het proefschrift moeten borgen, zoals dat minimaal negentig procent van je tijd aan onderzoek besteed moet worden. Je ziet nu al dat promovendi die betaald worden uit de eerste geldstroom soms maar drie jaar de tijd krijgen om hun proefschrift te schrijven, en dan soms óók nog veel onderwijs moeten geven. En we zijn er helemaal op tegen dat er meer mensen als beurspromovendus, zonder werknemersrechten, worden aangenomen. Het is dus belangrijk dat universiteiten op een verantwoorde wijze omgaan met het extra geld dat ze krijgen.”

Maar al met al zou het PNN blij zijn met een verschuiving van meer middelen van de tweede naar eerste geldstroom, zegt De Vries. „We zijn voor méér vrij onderzoek, mits de onderzoekers netjes worden behandeld. Daarvoor moet wel de mindset veranderen dat promovendi, postdocs en junior docenten inwisselbaar werkvolk zijn. Nu tel je vaak pas mee en krijg je pas een vast contract als je (bijna) hoogleraar bent.”

Voorzichtigheid

Hoe denken ze bij NWO – de grootste gever binnen de tweede geldstroom, waarvan de universiteiten jaarlijks zo’n 500 miljoen euro ontvangen – over de beweging zoals die door minister Van Engelshoven is ingezet? NWO-voorzitter Stan Gielen maant tot voorzichtigheid. „De wetenschap is niet gebaat bij grote schoksgewijze veranderingen,” vindt hij. „Wetenschapsfinanciering in Nederland is erg complex. Ingrijpen in dit systeem om een probleem op te lossen kan elders weer een ander probleem veroorzaken of verergeren. Extra geld naar de eerste geldstroom kan als gevolg hebben dat er extra wetenschappelijk personeel wordt geworven, en deze onderzoekers vervolgens beroep doen op NWO-subsidies waardoor de aanvraagdruk juist verder toeneemt.”

De eerste en tweede geldstroom zijn nauw aan elkaar verbonden, zegt Gielen. „Een verdere overheveling zal een grote impact hebben op de Nederlandse wetenschap omdat dat alleen ten koste kan gaan van succesvolle instrumenten, zoals de Vernieuwingsimpuls waaruit de Veni-, Vidi-, en Vici-beurzen worden bekostigd. Mede dankzij die impuls zijn Nederlandse jonge onderzoekers zo succesvol in de Europese onderzoeksprogramma’s, omdat ze hebben geleerd voorstellen te schrijven.”

Volgens Gielen moet er eerst eens een goed plan komen om de druk op de wetenschap te verlichten, voordat er geschoven wordt met geld. „Dat moet komen van de universiteiten, KNAW en NWO samen, een plan met samenhangende maatregelen waarmee we perverse effecten zoveel mogelijk uitsluiten. Ik denk dat de Nederlandse wetenschap daar veel meer bij gebaat is dan alleen een overheveling van middelen.”

Directeur Melanie Peters van het Rathenau Instituut denkt ook dat er eerst goed moet worden nagedacht over de toekomst van de Nederlandse wetenschap. „We scoren wel goed op de citatie-indexen, maar is dat wel hoe je succes wilt meten? Veel van het werk van jonge onderzoekers leidt vooral naar een proefschrift en de jacht op een volgende beurs. Kunnen we niet beter identificeren wat we als maatschappij belangrijk vinden, en daar dan vervolgens langere tijd aan werken? Dat geeft ook rust.”

Lees ook: Universiteiten vinden andere dingen belangrijk dan het kabinet