Recensie

Recensie Boeken

Je merkt dat Maarten ’t Hart plezier heeft gehad om dit boek te schrijven

Maarten ’t Hart De verteller van de roman ‘De nachtstemmer’ heeft wel wat weg van Maarten ’t Hart, want ook hij is een man die sommige, in aanleg toch best normale of bekende zaken, nogal verbaasd of geërgerd gadeslaat.

Illustratie Paul van der Steen

Het is een genoegen om de video-recensies te bekijken die Maarten ’t Hart maakt van recent verschenen boeken voor boekhandel De Kler. Best vaak is de schrijver enthousiast, maar soms kraakt hij ook een paar verrukkelijk subjectieve noten. Zo vond hij Pieter Waterdrinkers Tsjaikovskistraat 40 anderhalf jaar geleden prachtig, maar óók wel wat ongeloofwaardig hier en daar. Waar kom je nou in vredesnaam een vrouw tegen die, zoals het in Waterdrinkers roman voorvalt, al bij de eerste ontmoeting je broek begint los te knopen? Dat gebeurde hem nou nooit! En daarbij: een broek losknopen? Haha! Waren we plotseling in de jaren vijftig aanbeland, of wat? Wist Waterdrinker dan niet dat een broek al een halve eeuw geen knopen meer heeft, maar een rits?

Zoals je sommige verhalen niet dood moet checken, zo moeten we ’t Hart ook maar niet vertellen dat een broek met knopen inmiddels al weer zo lang in is, dat hij al weer bijna uit is.

Ergens heeft Gabriel Pottjewijd, verteller van de roman De nachtstemmer, wel wat weg van ’t Hart, want ook hij is een man die sommige, in aanleg toch best normale of bekende zaken, nogal verbaasd of geërgerd gadeslaat. Uit het verre Groningen – het stille, mensluwe Groningen – tuft hij op de openingspagina’s per spoor richting een Zuid-Hollands havenplaatsje, omdat hij daar als specialist een oud kerkorgel moet stemmen. Stond hij al paf van het antieke treintype (waren die niet allang uit de roulatie gehaald?) en een in de coupé opgevangen, absurd twistgesprek over tatoeages (‘wat moest het worden, een vis of een vogel?’), eenmaal met de snuit tegen het plexiglas gaat het geprikkelde verwonderen pas echt goed van start. Alles ‘grauw en vervallen’, met ‘foeilelijke, totaal vervallen pakhuizen’, ‘rommelige pannendaken, verweerde daklijsten, beroete schoorstenen en grauw, haveloos tussen de stenen opschietend leigrijze ganzenvoet’. Wat een ouwe zeur, die Pottjewijd, zou je zeggen, maar wat ’t Hart hier met dat gefoeter – bewust of onbewust – bewerkstelligt is intimiteit. Het is daar niet pluis in dat stadje en wij, lezers, zullen het vanuit dat met lelijkheid en platheid bestookte temperament gaan meemaken.

Overgewaaide weduwe

Aan dat uitgesprokene kun je merken dat ’t Hart plezier heeft gehad om De nachtstemmer te schrijven. Maar elders merk je dan weer dat het hem ook moeite heeft gekost om het met iets substantieels te vullen. Hij boort de liefde tussen Gabriel en Gracinha, een uit Brazilië overgewaaide weduwe, al vroeg aan, maar doet er wel erg lang over om hem uit te bouwen: bij ’t Hart gaat de broek niet uit, rits of geen rits. Misschien helpt het ook niet dat Gabriel te pas en te onpas aan de geit Drieke moet denken, die vroeger verliefd op hem was – al moet ik toegeven dat het me aan verbeeldingskracht ontbrak om deze terugkerende, zoöfiele draad op metaforische waarde te schatten. Heel geslaagd en lief is wel weer de geschetste band tussen Gabriel en de dochter van Gracinha, Lanna, een al dan niet verstandelijk gehandicapt meisje met een zuiver muzikaal oor; ze assisteert hem bij de werkzaamheden in de kerk. De idioten ter plaatse zien slechts een idioot in haar, maar Gabriel ontdekt en koestert haar talent.

Betweterig heerschap

De nachtstemmer is een vloeiende, doch laagdrempelige read. Er zitten allerlei overbodige herhalingen in (hoeveel tosti’s laat ’t Hart die arme Gracinha nog bakken?) en als in een hoofdstuk een winkeltje of straatje genoemd wordt, dan kun je er vergif op innemen dat Gabriel daar in het volgende hoofdstuk zal opduiken: schematischer kan het niet. Maar echt irriteren doet het allemaal niet, bijvoorbeeld omdat ’t Hart ook vakman genoeg is om altijd wel met wat interessants voor de draad te komen. Met literatuur heeft het niet per se veel te maken, geloof ik, maar je steekt wel van alles en nog wat op, vooral omdat de ex-muloganger Gabriel zo’n mededeelzaam, betweterig heerschap is. Over orgels weet hij veel, maar ook over de Bijbel, de Nederlandse taal en muziek: Maarten ’t Hart is blijkbaar niet de enige die er verstand van heeft, zijn personages hebben er ook kijk op.

Schopenhauer

Het gaat uiteindelijk allemaal om wel of niet zwichten voor een vrouw. Gabriel, die overigens al eens een vrouw verloor, is toch niet de misantropische Einzelgänger die hij dacht te zijn. Dat was zijn anker en pantser, en een prachtig, ravenzwart citaat van Schopenhauer droeg hij jarenlang mee in zijn hoofd. ‘Bewimpelde en bekranste schepen, kanonschoten, feestverlichting, tromgeroffel en trompetgeschal, gejuich en geschreeuw, het is allemaal het uithangbord, de aanduiding, de hiëroglief van de vreugde, zonder dat de vreugde zelf van de partij is, zij is de enige die verstek heeft laten gaan.’

En dan nu die deerne in lokkend postuur die Gracinha is, ze veegt zijn levensopvatting én reserves (‘dat kan toch niet goed gaan, werelden van verschil tussen ons, de Amazone versus de Dollard, het Braziliaanse regenwoud versus de Johannes Kerkhovenpolder, twee culturen op een kussen, daar slaapt de Duivel tussen’) van tafel als een pakje kaarten. Het duurde wat lang, maar je kunt je er van alles bij voorstellen.