Opinie

Een verhit kuddedier

Column Bas Heijne schrijft elke maand een column in Het Blad.

Bas Heijne

Toen de zoveelste hittegolf me deze zomer het werken onmogelijk maakte, besloot ik toerist te worden. Op mijn bureau lag Achter de façade, een cultuur-historische reisgids voor Parijs. Geschreven door Kees en Chrisje Brants, een echtpaar dat eerder een gids voor de loopgraven uit de Eerste Wereldoorlog publiceerde.

Vooruit, dacht ik. Wie weet ontdek ik wat nieuws.

Het bleek een heerlijke gids. Het echtpaar kent de stad tot in alle uithoeken, en is van alle markten thuis – geschiedenis, cultuur, politiek. Op zorgeloze toon word je van de oudste boom van Parijs naar de oudste seksbioscoop van de stad geleid (begin dit jaar gesloten). Ik ontdekte dat de gebroeders Goncourt, die van het vileine dagboek, in ‘mijn’ buurt hebben gewoond. En dat achter die neogotische gevel vlakbij eens het SM-bordeel Chez Christiane schuilging. Hoeren in leren pakjes, zwepen, kettingen, alles.

Dagenlang sjokte ik door de hete stad. Ik zag eruit als de toerist van het soort waar cultureel onderlegden keihard op neerkijken, een verhit kuddedier, iemand die de dingen braaf volgens het boekje doet. Iemand die kijkt door de ogen van anderen.

Op de terrassen waar ik bijtankte, werd ik door obers in het Engels aangesproken. Medetoeristen, die me driftig in mijn gids zagen bladeren, herkenden een soortgenoot. Ze vroegen me de weg naar het Louvre en de Eiffeltoren.

Wanneer het over Parijs gaat, gaat het altijd over de flaneur. Flaneren is een ideaal voor onze tijd: de ware flaneur laat zich niet leiden, heeft zijn geest geopend voor de spontane indruk, het plotselinge inzicht, de verrassende ontmoeting. De flaneur staat open voor wat hem tijdens zijn omzwervingen in de stad komt aanwaaien, maar hij is zijn eigen middelpunt.

De flaneur is louter zichzelf.

Lang waren flaneurs mannen. Niet langer: in een boekhandel kwam ik Flaneuse tegen. Een geschiedenis die, volgens een recensent, „vrouwen huldigt die vochten om gezien te worden.’’

Iedereen vecht nu om gezien te worden. Dat verlangen, die drang, tekent de tijd. Maar intussen liet het echtpaar Brants mij door hun ogen naar Parijs kijken. De vertrouwde stad veranderde voor mijn ogen. Van buiten zag ik eruit als een wandelend cliché, met mijn dikke gids, maar ik zag zoveel waar ik anders, flanerend, blind aan voorbij was gelopen.

Geen blik vormt zichzelf, een blik wordt gevormd. Van alle kanten word je aangemoedigd flaneur te zijn, zelfbewust middelpunt van je eigen wereld. Maar in werkelijkheid zijn we vooral toerist. We weten weinig of niets van de wereld waar we ons in bevinden, de meeste dingen trekken onopgemerkt aan ons voorbij. Zelden hebben we echt kennis over de zaken waar we wel een uitgesproken mening over hebben – geef het gewoon toe.

Deze zomer merkte ik weer hoe geweldig het is je te onderwerpen aan de kennis van anderen. Dus weg met de flaneur – laat je gidsen, durf toerist te zijn.