Opinie

De vakidioot en het volk

Column Beatrice de Graaf Digitale oorlogvoering of universitaire twisten: overal is het de kunst goed te luisteren en te verbeelden.

Beatrice de Graaf

Weten we te veel of te weinig? Volgens het kabinet heeft de economie meer exacte kennis nodig en moet er geld worden verplaatst van de zogenaamde ‘pretstudies’ naar de technische faculteiten. Verontwaardigde academici, inclusief wiskundigen en biologen, verhieven hun stem en verweten de regering grove onkunde over staat en samenleving. Een kloof van wederzijds onbegrip en frustratie opende zich deze week voor onze ogen. Voor de goede orde: géén kloof tussen alfa’s en bèta’s, maar een kloof tussen wetenschap en politiek. De Leidse rector magnificus Carel Stolker zei het al: dit heb ik nog nooit meegemaakt, zoveel boosheid en verbijstering in het hoger onderwijs over het gebrek aan begrip bij de politici.

Deze zelfde week werd er ook een andere verbijsterende kloof van onkunde blootgelegd. Volkskrant-journalist Huib Modderkolk presenteerde zijn boek Het is oorlog. Maar niemand ziet het. Daarin legt hij haarfijn uit hoe weinig wij, gewone burgers, eigenlijk weten van de digitale schaduwwereld. Hij fileert de kwetsbaarheid van de virtuele netwerken waarin we ons bewegen. Hij identificeert een veelvoud aan digitale dreigingen en vijanden en onthult dat onze eigen geheime dienst in de voorste linies van deze cyberoorlog strijdt.

‘Het is oorlog’ en Huib Modderkolk zag het. De gestudeerde politicoloog, die naar eigen zeggen als ‘alfa’ aanvankelijk geen benul had van de wilde wereld van de digitale spionage, dook er toch in. Hij deed vervolgens een tamelijk wereldschokkende ontdekking en schreef er een pageturner over. Daar wil ik het over hebben. Niet over Iran of de AIVD per se, maar over Modderkolks talent om voor leken onbegrijpelijk cyberjargon in een glashelder narratief met helden, schurken, nederlagen en overwinningen te gieten.

Eigenlijk deed Modderkolk precies waar het bij de twee openingen van het academisch jaar – de officiële en de alternatieve – om ging. Hij liet zien dat staat en samenleving volstrekt geen behoefte hebben aan nog meer polarisatie, en ook niet aan botsingen tussen bewindslieden en academici, tussen elites en universitair voetvolk, en al helemaal niet tussen alfa’s en bèta’s – dat onzinnige onderscheid dat niet eens in goed Engels vertaald kan worden. De huidige tijd van versnelling, verwarring en complexiteit heeft behoefte aan bruggenbouwers. Aan mensen zoals Modderkolk.

Want dat is de echte kloof: tussen de wereld van de specialismen, experts, peer reviews en vakidioten enerzijds en de brede maatschappij anderzijds. De wereld is te complex en ambigu voor mensen die snakken naar snelle, simpele en goedkope oplossingen.

In onze tijd van emoticons en ongezouten meningen gaat de kunst van het luisteren, analyseren, interpreteren en hertalen verloren. Het valt op als iemand ons in heldere en pakkende metaforen uitlegt hoe belangrijk de Amsterdam Internet Exchange is en wat een internetknooppunt eigenlijk allemaal doet. Het is confronterend als iemand vage gevoelens van onbehagen over de digitale dreiging vertaalt in beschrijvingen van concrete, privacyondermijnende praktijken. Het zet ons aan het nadenken, en het spoort ons aan tot handelen. In onze eigen digitale omgeving, maar wellicht ook in onderwijs, politiek en bestuur.

Als er ergens in geïnvesteerd moet worden, is het in bruggenbouwen. Kennis van techniek, cyber en AI is nodig om een economie competitief te houden. Maar kennis heeft pas nut en effect, als het ‘landt’. Pakketjes specialistische kennis moeten vertaald, herijkt en verrijkt worden. En geïnterpreteerd en verbeeld. Anders wordt de kloof alleen maar groter.

De AIVD, zo blijkt uit Modderkolks boek, heeft het goed begrepen. De dienst heeft ICT’ers in dienst die kunnen programmeren, monteurs die bouwen en (verrassend veel) historici en politicologen die analyseren.

Ze kunnen dus niet zonder elkaar, die alfa’s, bèta’s en gamma’s – wat wetenschappers onderling allang beter begrijpen dan de bewindslieden in Den Haag. In die circulatie van kennis, waartoe ook de kunst van het begrijpen, analyseren, interpreteren, wegen en communiceren behoort, moet minstens net zo veel worden geïnvesteerd als in de techniek zelf. In alfa- en gammawetenschap net zo veel als in de bètadisciplines.

Ik sluit af met de taalkundige Martin Everaert. Taal en woorden zijn rationeel, ze brengen een betekenis over, en ze volgen een bepaalde structuur die we allemaal kunnen begrijpen als we dezelfde taal spreken, zo legde Everaert het ons uit tijdens de jaaropening van de faculteit geesteswetenschappen in Utrecht. Maar taal berust ook op empathie, op affectie. Pas wanneer de spreker of schrijver ons weet te raken, gebeurt er iets met ons en komen we in beweging. Je hebt taalkundigen, taalpsychologen, hersenonderzoekers en biologen nodig om dat proces te begrijpen – daarom werken die ook allang met elkaar samen.

Toch is er één ding waartoe zelfs de beste bruggenbouwer niet in staat is. Hij kan complexiteit verbeelden en samenwerken tot hij een ons weegt, maar hij kan ons niet laten luisteren. Burgers, bewindslieden en wetenschappers menen dikwijls alles al te weten. Maar ze verstaan elkaars taal te slecht. In plaats van de potjes te verschuiven tussen vakgebieden is de kenniseconomie gebaat bij echte investeringen. Inclusief een paar miljoen om beter naar elkaar te luisteren, affectieve gevoelens op te wekken en de kenniscirculatie op gang te houden.

Beatrice de Graaf is hoogleraar geschiedenis van de internationale betrekkingen in Utrecht.