Opinie

Alleen al aan zijn woorden herken je de vijand

Politiek Identiteitspolitiek sluit mensen op in slechts één aspect van hun identiteit, schrijft . Dat is ideologische blindheid, en helpt de strijd tegen rassendiscriminatie niet.

Illustratie Lars Zuidweg

Wat ben ik blij dat er eindelijk een boek is verschenen dat de naargeestige identiteitspolitiek bekritiseert: Witte schuld van journaliste Elma Drayer. Toen ik het las, trof het me opnieuw hoe angstvallig Nederlandse wetenschappers er het zwijgen toe doen inzake de identiteitsideologie. Waar zijn de sociologen, antropologen, politicologen, historici en psychologen die uitleggen dat het begrip identiteit zoals gebruikt in de identiteitspolitiek een ideologische constructie is en niet berust op een empirische werkelijkheid? Die uitleggen dat er niet zoiets bestaat als één vaste, ahistorische totaalidentiteit die het complete leven van mensen bepaalt?

Vermoedelijk geldt hier nog steeds wat Karel van het Reve in 1975 schreef over de toenmalige marxistische sociologie: als wetenschappers van die richting eens wat minder eropuit waren de wereld te verbeteren maar deze met een onbevangen blik „zouden beschouwen als een curieus organisme, even ver van hun bed als een black hole van het bed van een astronoom”, dan zou de sociologie wellicht nog eens nuttige kennis opleveren. Het ging Van het Reve om waarheidsvinding. Het even gemakzuchtige als gevaarlijke idee dat ‘de waarheid niet bestaat’ en slechts een product is van macht, was hem vreemd.

Met mijn boek over mijn vader heb ik vorig jaar nogal uitgepakt over de nadelen van een communistische opvoeding. Zo’n nadeel was dat ik beide broeders Reve lang ongelezen heb gelaten, dus dit citaat ontleen ik aan het boek van Drayer. Hier wil ik enkele voordelen benoemen.

Eén voordeel is dat allerlei inzichten die nu doorgaan voor reuze nieuw, bij mij een déjà vu oproepen. Zoals de taalpolitiek, die zo’n voornaam bestanddeel vormt van de identiteitspolitiek. Ik ben er van jongs af mee vertrouwd dat allerlei woorden op politieke gronden niet mogen of juist moeten. Zo wist ik als kleuter reeds dat Nederland in Indonesië geen politionele acties voerde maar koloniale oorlogen, en het was bij ons beslist not done om ‘Indië’ te zeggen, laat staan ‘Nederlands-Indië’. Als ik de term ‘Hongaarse opstand’ gebruik, wat ik pas doe sinds ongeveer mijn dertigste, rinkelt er ergens in mij nog steeds een belletje dat zegt: ‘niks opstand, fascistische contrarevolutie’.

De termen werknemers en werkgevers waren, zo leerde ik al jong, uitgevonden door de rooms-rode kongsi met het doel de klassentegenstellingen te verhullen. Ik trok daaruit als kind de conclusie dat met werknemers degenen werden bedoeld die het werk stalen van de arbeiders. Die arbeiders zag ik logischerwijze aan voor de werkgevers.

Goed en fout

Doordat het voorschrijven of juist taboeïseren van woorden mij dus nogal bekend voorkomt, herken ik wat hier gebeurt: een groepering tracht de werkelijkheid naar zijn ideologische hand te zetten, waarbij in een moeite door een handig instrumentarium wordt geboden om goed van fout te onderscheiden. Alleen al aan zijn woorden herken je de vijand.

De taalpolitiek van de identiteitspropagandisten heeft veel succes. Uit Witte schuld rijst een onaangename geur van lafheid op. De lijst van personen en instanties die zijn gecapituleerd voor hun morele intimidatie is lang. De NOS en de Volkskrant spreken van ‘wit’; NRC heeft het over ‘tot slaaf gemaakten’; het kunstencentrum Witte de With wil zijn naam veranderen; gemeenten verzinnen nieuwe straatnamen; uitgevers eisen van vertalers dat zij de aan hen toevertrouwde teksten vervalsen.

Lees ook dit Twistgesprek: Meebewegen met de samenleving of zwichten voor identiteitspolitiek?

Maar neem het begrip wit. Wit staat tegenover zwart. Dat alleen al is voor mij een reden mij niet wit te noemen. En wie vallen er onder wit? Wie onder zwart? Waar horen de joden? Wat te doen met het zwarte en islamitische antisemitisme? Hoe kun je Surinamers uit de Bijlmer en de Erdogan-fans van Denk, culturen die ten diepste verschillen inzake bijvoorbeeld de verhoudingen tussen de seksen, onder één noemer brengen? Dat kan door alle onderlinge tegenstellingen onder het tapijt te schuiven en zichzelf collectief te definiëren als slachtoffer van één grote alomvattende vijand: wit.

Een succesvolle – tevens zeer bedrieglijke – taalomvorming is dat islamkritiek middels het woord ‘islamofoob’ wordt weggezet als een vorm van racisme. Maar racisme houdt in dat men mensen als superieur of inferieur beoordeelt op grond van huidskleur of andere fysieke kenmerken die worden toegeschreven aan een verondersteld ‘ras’.

Religiekritiek geen fobie

Seksisme en racisme horen in dezelfde categorie. Seksisme en racisme wijzen mensen hun plaats op grond van aangeboren fysieke kenmerken waaraan een persoon niets kan doen en die níet bepalend zijn voor zijn handelen, denken of voelen. Religie daarentegen is een kwestie van keuze en verantwoordelijkheid. Dat is een wezenlijk verschil. Zoals je je kunt bekeren tot een geloof, zo kun je het van je afschudden. Niemand zal zeggen dat dat altijd even gemakkelijk is maar dat doet er niet toe. Wie religie- en cultuurkritiek onder racisme schuift, neemt gelovigen niet serieus. Religiekritiek behoort, net als ideologiekritiek, tot de beschaving.

Weerzin tegen de islam wordt met het etiket ‘islamofobie’ bovendien afgedaan als een ziekte. Niemand zou het Nederlandse verzet uit de jaren 40-45 ‘nazifoob’ noemen, of Drees ‘communistofoob’. Het verzet was antinazi, Drees was anticommunist. Dat waren overtuigingen. Een fobie daarentegen hoef je niet serieus te nemen, want een fobie is per definitie een irreële en irrationele angst. Wie een fobie heeft moet naar de gekkendokter, om ervan af te worden geholpen.

Dankzij mijn opvoeding was ik ook al vroeg bekend met Lenins begrip ‘nuttige idioot’. Een ‘nuttige idioot’ was een niet-partijlid, een buitenstaander, die de ‘goede zaak’ ondersteunde met bijvoorbeeld een handtekening onder een CPN-petitie, terwijl hij of zij eigenlijk te weinig politiek benul had om te beseffen wat die goede zaak zoal inhield. De nuttige idioot had bijvoorbeeld niet door dat communistische antikernwapenacties niet tegen Sovjet-wapens waren gericht maar alleen tegen westerse.

Wat het begrip ‘nuttige idioot’ natuurlijk allereerst typeert is zijn onverhulde cynisme. Zo braaf en naïef als de nuttige idioten zelf meestal waren, zo cynisch de communistische strategen die hen gebruikten. En zo cynisch ook hun opvolgers. Uit Witte schuld leerde ik het begrip ‘helper whitey’ – een door en door racistisch woord dat geen mens in de mond zou moeten nemen maar dat kennelijk gangbaar is. Niettegenstaande die belediging melden de hedendaagse nuttige idioten zich gretig. De ijver waarmee ‘helper whitey’s’ onder de zelfverheerlijkende noemer ‘antiracist’ andersdenkenden voor racist uitmaken, doet de strijd tegen rassendiscriminatie géén goed. Het gaat inmiddels met het antiracisme zoals het enige decennia geleden is gegaan met het antifascisme: je kunt er met goed fatsoen niet meer bij horen.

Mensen als individu zien

Aan mijn afscheid van het communisme, midden jaren zeventig, heeft het feminisme stevig bijgedragen. Het feminisme werkte als een eye-opener voor het achteraf gezien nogal banale besef dat ook in de arbeidersklasse de macht ongelijk was verdeeld. The Working Class has Two Sexes. Datzelfde geldt natuurlijk voor elk ander collectief dat zichzelf definieert als onderdrukt. Ook zielige mensen kunnen anderen onderdrukken.

Mijn afscheid van het communisme betekende dat ik mensen steeds meer ging zien als individu en steeds minder als exemplaar van een of andere categorie, van een soort. Zonder die fundamentele omslag had ik nooit biograaf kunnen worden. Dat de bio¬grafie tegenwoordig ook in Nederland bloeit is te danken aan de individualisering, secularisering, ontzuiling en ontideologisering van de afgelopen decennia.

Lees ook deze column: De ondraaglijke leegte van identiteitspolitiek

Identiteitspolitiek volgt de omgekeerde weg. Identiteitspolitiek is een nieuwe vorm van ideologische groepsdwang. Zoals communisten op grond van iemands zogenaamde ‘klassepositie’ meenden te weten wat die persoon voelde, dacht en wilde, zo spijkert identiteitspolitiek mensen vast op hun afkomst in plaats van ze te stimuleren zich daarvan los te maken.

Identiteitspolitiek gaat niet uit van zelfbestemming, maar van een gegeven identiteit. Mensen worden ongevraagd en desnoods tegen hun zin ondergebracht in een collectief. Wie blank is wordt geacht ‘wit’ te denken en te voelen, hetzelfde geldt voor wie zwart is of vrouw of man of homo. Het vermogen tot zelfstandig denken en handelen en de vrijheid je los te maken van een dergelijke indeling, worden ontkend. En wie zich toch vrijmaakt wordt gestraft. Die is een ‘bounty’, een collaborateur.

Ayaan Hirsi Ali

Dit zaakwaarnemerschap, het spreken ‘namens’ en het monopoliseren van de geest en de belangen van de vermeende slachtoffers, behoort tot de kwalijkste kanten van de identiteitspolitiek. Elma Drayer geeft in haar boek een treurigmakend rijtje van interessante, succesvolle individuen die anders denken of doen dan de identiteitsideologen voorschrijven en er prompt van langs kregen. Ik noem er een paar: Ahmed Aboutaleb, Malik Azmani, Keklik Yücel, Shirin Musa, Erdal Balci, Fidan Ekiz, Hafid Bouazza en natuurlijk Ayaan Hirsi Ali.

Hirsi Ali is wel het schrijnendste voorbeeld van iemand die om haar weigering van een identiteit werd afgestraft. Als we toch in opdracht van minister Van Engelshoven een canon van de zwarte kanten van onze vaderlandse geschiedenis gaan schrijven, dan neem ik aan dat de Nederlandse omgang met deze om haar afvalligheid van de islam met de dood bedreigde vluchtelinge daarin een casus wordt.

Lees ook deze recensie van Francis Fukuyama en Kwame Anthony Appiah: Honderd procent man, hetero en voetbalsupporter: lekker makkelijk

De valse Zembla-documentaire van de VARA uit 2006, over de komst van Hirsi Ali naar Nederland, had nooit geresulteerd in haar verbanning als feministen en links haar hadden gesteund. Maar het tegendeel was het geval. Feministische wetenschapsters protesteerden toen Hirsi Ali in 2005 zou spreken bij de opening van het academisch jaar aan de Universiteit van Amsterdam en vervolgens toen ze een expositie in Westerbork zou openen over de vervolging van homoseksuelen. En dan schrijver Geert Mak. Ik wist al dat hij Hirsi Ali had vergeleken met Goebbels. Uit Witte schuld begrijp ik dat hij haar ook nog verweet zich te tooien met een „onaantastbaar aura van martelaarschap”. Voor Hirsi Ali’s uitdrijving uit Nederland schaam ik mij meer dan voor ons slavernijverleden waar ik immers helemaal niets aan kan doen.

Ideologie maakt blind

Bovenal dank ik aan mijn communistische opvoeding een fijne neus voor al wat riekt naar totalitarisme. Identiteitspolitiek doet het voorkomen alsof het vanzelf spreekt dat iemands huidskleur, geloof, sekse of seksuele smaak zijn totale wezen vormt. Maar identiteiten zijn fluïde en kunnen door de tijd heen veranderen. Mensen zijn ‘van alles’: ze zijn zwart, vrouw, directeur, lesbisch, dik, bejaard, kankerpatiënt en weduwe. Wat van dat al zij ervaren als hun essentie, staat niet vast en zal in de loop van hun leven variëren. Welk van alle mogelijke identiteiten het meeste geluk of ongeluk brengt, verschilt per persoon.

Identiteitspolitiek is ideologie en ideologie maakt blind. Ideologie maakt blind voor de feiten omdat mensen hun ervaringen en observaties interpreteren binnen een vooraf vaststaand denkkader. De teloorgang van christendom en marxisme maakte de weg vrij voor onze individuele vrijheid. Dat is een kostbare verworvenheid.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.