Ivan Wolffers en Marion Bloem

Foto Merlijn Doomernik

‘Ik heb bij niemand ooit gevonden wat ik bij Ivan vond’

Dubbelinterview „Lieverd, ik heb een beetje kanker,” zei arts en publicist Ivan Wolffers zestien jaar geleden tegen zijn vrouw, de schrijfster Marion Bloem. „Nee, daar wen je nooit aan.”

„Je bééft”, zegt ze, terwijl hij de theepot boven de kopjes houdt. Kan hij niks aan doen, reageert hij. Hij heeft veel kracht verloren door de medicatie tegen prostaatkanker, waaraan hij al zestien jaar lijdt. Toch valt er geen druppel verveine-thee naast de kopjes. „Nou, kijk ’ns”, zegt hij, een tikje triomfantelijk, terwijl hij het kopje naar mij toeschuift. „Een heerlijk kopje thee.”

Marion Bloem (67) en Ivan Wolffers (71) zijn al 48 jaar samen, sinds die dertigste januari 1971, toen ze elkaar ontmoetten in discotheek Club 33 in Amersfoort. Haar zus kwam haar die avond vertellen dat er een jongen was die heel graag aan haar voorgesteld wilde worden. Ze vond het maar irritant. „Ik zei dat ik daar geen zin in had. ‘Maar hij is echt leuk’, zei ze. ‘Kijk nou eventjes.’ Ik keek en dacht: die is inderdaad leuk. Maar hij durft nooit naar mij toe te komen. Hij is veel te verlegen.”

Ivan Wolffers zit er met een brede glimlach naar te luisteren, dromerig naar zijn vrouw kijkend. „Ik had je weleens gezien, bij een jongen achterop de fiets.”

„Brommer!”

„Eén keer zat je toch bij hem achterop de fiets?”

„Ik heb nooit bij hem achterop de fiets gezeten. Alleen achterop de brommer.”

Wolffers, diplomatiek: „Laten we het dan op een brómfiets houden. Ik vond je heel erg leuk. Buitencategorie. Niet voor mij weggelegd.”

Bloem: „Toen ben ik maar naar hem toegegaan. ‘Wat is er?’ Hij begon te praten en hield niet meer op. Ik had nog nooit een jongen meegemaakt die zo veel praatte. Zelfs onder het dansen.”

„Ik wilde dat je voor altijd bij me bleef”, zegt Wolffers.

Bloem: „Hij was voor mij het ideale vriendje. Niet griezelig knap.”

„Ik ben nooit knap geweest.”

„Wel knap, maar op een andere manier. Met een lekker grote neus. Zelfvertrouwen en verlegenheid in één persoon. Dat vond ik enorm aantrekkelijk.”

Haar ouders reageerden enthousiast op de jonge student geneeskunde. De eerste keer dat hij meekwam, mocht hij al mee-eten. „Ik kreeg direct een bos taugé in handen gedrukt, om de boontjes af te pellen. Had ik nog nooit gedaan.”

Bloem: „En je moest steentjes uit de rijst halen. Mijn ouders kochten altijd van die grote balen waar soms nog steentjes in zaten.”

„Dat was voor mij een soort antropologie.”

De ouders van Wolffers voelden aanmerkelijk meer reserve, herinnert Bloem zich. „De eerste keer dat ik bij jullie kwam, nam je moeder mij apart: ‘Denk maar niet dat het wat wordt. Ik heb er al heel wat zien komen en gaan.’ Jouw ouders konden het wel heel goed vinden met mijn ouders. Als je moeder mij daarna aan iemand voorstelde zei ze: ‘Maar wel héél beschaafde ouders, hoor.’ Het werd eigenlijk pas leuker tussen ons toen ik moeder werd.”

In 1973 werd hun zoon Kaja geboren. Kort na zijn geboorte bleek dat hij een ernstige hartziekte had. Wolffers was toen net begonnen als co-assistent in het ziekenhuis waar Kaja lag. „Ook nog eens op diezelfde afdeling. Het voordeel was dat ik steeds bij hem in de buurt kon zijn. Er was een ander kindje met dezelfde ziekte. Daar keek ik af en toe de status van in.” Het zag er die eerste tijd uiterst somber uit. Kaja’s behandelaar draaide er niet omheen. „Hij zei: ik heb nog nooit een kind met deze ziekte gezien dat na vier jaar nog leeft. Ik heb dágen met Marion zitten lezen in de bibliotheek van het ziekenhuis. We lazen dat slechts 2 procent van deze kinderen geneest. Toch hebben we altijd geloofd dat hij tot die 2 procent zou behoren.”

En inderdaad, hun zoon groeide over de afwijking heen. Toen Kaja in 1977 genezen werd verklaard, had de kindercardioloog geen verklaring. „Misschien toch een ontsteking van de hartspier, zei hij.” De angst zinderde nog jaren na. „Marion en ik waren eigenlijk nog kinderen toen Kaja werd geboren. In die paar jaar daarna zijn we onherroepelijk volwassen geworden.”

Het bleef bij één kind. Logisch, zegt Bloem. „Je kunt nooit meer zó veel houden van een ander kind.” Wolffers’ vader vond het geweldig fijn dat Kaja er was. Van de 67 mensen uit zijn Joodse familie kwamen er na de oorlog maar 3 terug. „Met Kaja was er weer een naamdrager.” Veel heeft hij overigens niet meegekregen van zijn kleinzoon. Hij overleed in 1977, op 64-jarige leeftijd. Kaja was toen pas vier. „Ja zeg, hij is al meer dan veertig jaar dood”, rekent Wolffers zichzelf enigszins ontzet voor. „Maar ik denk nog bijna elke dag even aan hem. En soms, als ik heel moeizaam opsta uit een stoel, dan bén ik hem opeens…” Hij is nu al een paar jaar ouder dan zijn vader werd. Bloem: „Toen Ivan die kanker kreeg, zei hij: dan moet ik wel proberen om ouder te worden dan mijn vader.”

Wolffers: „En ik ben nu al bijna ouder dan mijn opa.”

De oorlog speelde in hun beider gezinnen tijdens hun jeugd een immense rol. Wolffers’ opa overleefde de oorlog omdat hij zich tot het katholicisme had bekeerd. Daardoor stond hij niet meer als Jood geregistreerd. „Maar ze waren door de oorlog toch zwaar getourmenteerd. Ik begrijp nu pas waarom opa Wolffers altijd zo’n diepe somberheid om zich heen had. Hij zat de hele dag in zijn kamer pijprokend naar opera te luisteren. Hij kwam uit een heel groot gezin. Nog jaren na de oorlog heeft hij zitten wachten of er toch iemand zou terugkomen. Toen duidelijk werd dat dat niet zou gebeuren, is hij depressief geworden. Hij vond het altijd heel fijn als ik er was. Ik was toch de stamhouder.”

Bloem: „Jij had met hem een veel sterkere band dan met je andere opa.”

„Ja, maar dat werd me ook een beetje aangepraat. Want ik was opa’s jongen. Ik heet ook naar hem: Ivan. Zo’n klassiek geval van een jongetje dat alles goed moest maken.”

Foto Merlijn Doomernik

Sprookjes

Ook in het gezin van Bloem waarde de oorlog rond. Maar wel gestold in ronde, veilige anekdotes. „Mijn vader was een groot verteller, maar het ging hem altijd om het leuke, spannende verhaal. Sprookjes eigenlijk. Zeker niet bedoeld om het verleden prijs te geven.” Dat haar vader als KNIL-militair in september 1944 ternauwernood de scheepsramp met de Junyo Maru overleefde – waarbij bijna zesduizend mensen om het leven kwamen, bijna vier keer zoveel als met de Titanic – kwam nooit aan de orde. „Behalve dat hij het belangrijk vond dat wij als kinderen op zwemles gingen. Omdat hij het schoolzwemmen te langzaam vond vorderen, moest mijn moeder ons van het schaarse huishoudgeld extra zwemlessen laten nemen. Als hij weleens met ons in het zwembad was – in z’n militaire zwembroek – wilde hij alleen in het ondiepe badje; ‘Ik kan niet zwemmen.’ Als we hem daar dan mee plaagden, zei hij: ‘Maar ik heb het wel twaalf uur in de oceaan volgehouden’.”

Haar ouders hadden geen woorden voor hun eigen traumatische ervaringen. Ze deden thuis ook niet aan 4 mei. „ Soms zeiden ze beledigd: het gaat weer alléén over wat hiér gebeurd is. Het gaat nooit over ons.” Bloem en Wolffers besloten halverwege de jaren zeventig samen naar Indonesië te gaan. „Pas toen ik daar was en met ooms ging praten, begon ik te beseffen wat ze hadden meegemaakt. Het trof me diep. Ik raakte zwaar geëmotioneerd bij elke Indonesische man die net zo zat als mijn vader.”

Tegen haar man: „Het is eigenlijk aan jou te danken dat ik die geschiedenis ben gaan begrijpen. Zonder jou was ik daar nooit heengegaan.”

Hoe het is om elkaar bijna een halve eeuw te kennen? „Gewéldig”, antwoordt Wolffers ogenblikkelijk. „Ik zie in Marion nog steeds dat meisje van vroeger, ook nu ze ouder wordt. Je ziet de hele wordingsgeschiedenis. We hebben elkaar gemaakt.” Tegen haar: „Ik ben een heel andere man geworden dan wanneer ik jou niet naast me had gehad. Ik zou vast ook wel geneeskunde zijn gaan doen. En ik was ook wel gaan schrijven. Maar toch heb jij veel aan mij toegevoegd.” Weer tegen mij: „Het gekke is: toen we voor het eerst samen een boek maakten, ging ik tekenen en zij ging schrijven.” Hoewel: zo gek was dat ook weer niet, bedenkt hij. Hij heeft zichzelf altijd een mindere schrijver gevonden dan Marion. „Zij heeft een soepeler pen. Ze komt als schrijver dichter bij mensen, kruipt meer onder de huid.”

Door de jaren heen lazen ze vaak met elkaar mee. Al schreef Wolffers vaak sneller dan Bloem kon lezen. „En hij kan ook niet wachten. Als ik vraag of ik het mag lezen, heeft hij het vaak al bij een krant of tijdschrift ingeleverd. Ik laat mijn werk altijd wel aan hém lezen. Desnoods honderd keer. Ik blijf maar schaven.”

Wolffers: „Of ze leest het aan mij voor. In onze bibliotheek staat een grote leren stoel. Daar zit ik dan in te luisteren en onthoud ik over welke momenten ik straks een compliment wil geven. Waar in de tekst er opeens een deur opengaat naar begrip en inzicht.”

Bloem: „Ik ben harder in mijn kritiek, een muggenzifter. Daarom laat hij het niet vaak lezen. Later denk ik dan: láát ’m nou, wees toch niet zo ongenuanceerd.”

Foto Merlijn Doomernik

Schaduwkanten

Schrijven wordt niet bepaald makkelijker in de schaduw van een omvangrijk oeuvre, weten ze allebei. Eerder moeilijker. „Schrijven is als pianospelen: je moet het vaak doen om in vorm te blijven”, zegt Wolffers.

Zijn vrouw knikt. „Ik schreef met gemak 15.000 woorden per dag. Nu haal ik met moeite 3.000 . Ik ben veel kritischer, schrap meer. En ik kon vroeger beter focussen. Ik ging zitten en het begon te stromen.”

Wolffers: „Marion is dit jaar al zes keer begonnen aan haar nieuwe boek.”

„Zeven keer.”

Dat merken ze sowieso: ouder worden heeft schaduwkanten. „Het is een raar besef om mee te maken dat je netwerk kleiner wordt”, vertelt Wolffers. „Je schuift steeds meer naar de buitenrand van het leven. Terwijl je zo graag betrokken blijft bij de wereld.”

Bloem: „Vroeger ging alles vanzelf. Toen moest je de wereld juist krampachtig buitenhouden. Nu moet je je best doen om bij die wereld te mogen horen. Dat vind ik benauwend. Er valt toch al zoveel weg. Mijn zusje is twee jaar geleden overleden. Zoveel gezamenlijke herinneringen zijn verdwenen. Dat mis ik verschrikkelijk.” Geëmotioneerd: „We hebben zoveel samen meegemaakt. Ik ben heel bang dat ik ons verleden ga vergeten. Zij heeft ook míjn tijdperk met zich meegenomen. Dat is een enorm zwarte kant van ouder worden.”

Maar ja, het alternatief is: zelf als eerste gaan, beseft ze. Ook niet aantrekkelijk. Al heeft ze dat best weleens gedacht. „Toen ik hoorde dat Ivan kanker had, ging dat echt door mijn hoofd: we hebben allebei zo intens geleefd, laat het dan ook maar afgelopen zijn.”

Wolffers wordt er niet verdrietig van, zegt hij. „Eerlijk gezegd moet ik zelf ook best vaak aan het einde denken. Dat komt ook door de bijwerking van mijn medicijnen. Daar word je depressief van. En vergeetachtig.” Die vergeetachtigheid baart hem steeds meer zorgen. Lezingen deed hij moeiteloos uit het hoofd. Dat lukt allang niet meer. „Ik heb gemerkt dat ik steeds niet op namen kan komen. Dan stokt het zomaar. Het vervelende is dat het publiek het ook echt merkt.”

Bloem: „Hij kan soms ook niet op heel simpele woorden komen. Daar heb ik zelf ook last van.”

Wolffers: „Het maakt je ontzettend onzeker. Soms denk ik: over een paar jaar weet ik misschien helemaal niks meer.”

Ze leven al zestien jaar onder een zwaard van Damocles. Hij hoorde het in 2002, op de dag voor Kerst, in de vroege ochtend in de spreekkamer van de uroloog. „Toen ik daarna in het donker naar huis reed, dacht ik alleen maar: dit kan ik haar helemaal niet vertellen.”

Bloem: „Ik lag nog in bed toen hij de slaapkamer binnenkwam. ‘Lieverd, ik moet je iets vervelends vertellen: ik heb een beetje kanker’.” Aanvankelijk begon Bloem bij de eerste onheilstijding al met rouwen. „Ik voelde me er zo eenzaam in. Want Ivan kan er niet over praten. Hij begon ook van die akelige dingen te zeggen: ‘Daar, in dat laatje, liggen de papieren’.”

Het is best opmerkelijk dat hij er na zestien jaar nog steeds is, realiseert Wolffers zich. „Waar het precies door komt, weet niemand.” Of hij er aan gewénd is dat hij kanker heeft? Hij schudt resoluut het hoofd. „Nee, daar wen je nooit aan. Je kunt je eigenlijk nooit losmaken van die schaduw. Er is altijd wel iets dat je eraan herinnert. Iemand oppert een leuk plan. ‘Drie jaar? Oh, dat haal ik nooit’.”

Bloem: „Hij moest een nieuwe heup. Volledig herstel kan drie jaar duren. Dus wij dachten: moet je dat wel doen? Achteraf had hij het gewoon moeten doen. Nu heeft hij er veel last van.”

Maar dan heeft hij de afgelopen zestien jaar dus wel vijf keer gedacht: ik heb nog maar drie jaar? Hij knikt. „Zo werkt het wel, ja.”

Bloem: „Ivan heeft het geluk gehad dat alle behandelingen aansloegen. Zijn jeugdvriend kreeg het tien jaar later. Die had die mazzel niet. Hij is twee jaar geleden overleden.”

Ze leven met de dag, al zestien jaar. Soms is er paniek, zegt Bloem. „Moeten we misschien toch ons huis verkopen? Want het is financieel best zwaar met zo’n groot huis. We zouden kunnen kiezen voor een huis met een lift waar een rolstoel makkelijk in kan.”

Wolffers staart voor zich uit. Zwijgend.

Bloem: „Wat ik erg vind is dat jij nog vooral gevraagd wordt door de media als ‘de dokter die zelf kanker heeft’. Terwijl je zoveel kennis hebt, en zulke prachtige boeken hebt gemaakt.”

„Ach ja…”

Ze zijn zich er terdege van bewust dat ze allebei leven met een verschillende horizon, beaamt Wolffers. „Het zit er dik in dat ik eerder doodga dan Marion. Van de week hebben we nog over euthanasie gesproken. Hoe pak je zoiets aan? Wanneer neemt het leven onwenselijke vormen aan?”

Bloem: „Die medicatie maakt het ook extra zwaar. Ivan was vroeger een fantastische kok. Hij kookte met gemak voor zeventig mensen. Dat lukt niet meer.”

„Het geeft te veel stress.”

Buddy

Maar de liefde is altijd gebleven. Daar zijn ze het over eens. Bloem: „Ook op momenten dat je jezelf haatte omdat je van hem houdt. Met Ivan is het leven nooit voorspelbaar. Als het er op aankomt is hij er voor je.”

Haar woorden ontroeren hem zichtbaar: „Ik ben heel dankbaar dat ik met haar heb kunnen leven. Vanaf het moment dat ik Marion ontmoette wist ik: ik heb een buddy. Een zielsverwant. Wij met z’n tweeën tegen de rest van de wereld.”

Zijn vrouw: „Ik ben heus weleens verliefd geweest op een ander. Maar ik heb bij niemand ooit gevonden wat ik bij Ivan vond. Niet vóór hem. En dat zal ná hem ook niet zo zijn.”