’s Middags brengt de politie twee Roemenen van 13

Grunberg in een gesloten jeugdinrichting 5 Schrijver Arnon Grunberg leeft veertien dagen dag en nacht in de gesloten jeugdinstelling De Koppeling in Amsterdam. Hij schrijft elke dag over het leven daar. Deel 5: Schooltijd

De ochtend begint met wachten op de begeleider. Om half tien ’s avonds gaat de deur op slot, om een uur of acht ’s ochtends gaat die open. Daarna ga je douchen, op niet douchen kunnen sancties staan. Tijdens het douchen klem je een handdoek of een leeg flesje tussen je deur omdat die anders in het slot valt. Wij kinderen hebben geen sleutels, wij zijn afhankelijk van volwassenen en handigheden.

Na het ontbijt begint voor de meeste kinderen op doordeweekse dagen de interne school. Wij zijn druk, gediagnosticeerd met allerlei ziektes, wij zijn een gevaar voor onszelf of voor de anderen.

Jan, een bleke jongen van 14 – over hem zei een begeleider: ‘toen voor hij het eerst straattaal begon te spreken was het echt grappig’ – zit deze ochtend bij mij in de klas.

We moeten een rekentoets doen. Juffrouw Truus vraagt aan Jan: „Heb je lekker geslapen?”

„Bagger,” antwoordt Jan.

Na de rekentest dreigt een test Engels. „Ik heb een talenknobbel,” zegt Jan, „maar niet voor Engels.”

In plaats van de test mag er het spel Zombie Royale op de computer worden gespeeld.

„Moet je zombies vangen?” vraag ik.

„Mensen killen,” zegt Jan.

Op weg naar kookles vindt er een incident plaats. Een jongen uit een andere groep, hij mag als enige met open deur slapen omdat hij last heeft van epileptische aanvallen, is boos. Hij slaat op een deur en roept: „Wat is dit voor kankerschool?”

Een begeleider wil hem kalmeren. „Raak me kanker niet aan,” roept de jongen. Dan wordt er op het alarm gedrukt. Binnen twee minuten staan er begeleiders uit andere groepen om de jongen heen. Ze fixeren hem, dat wil zeggen, ze werken hem tegen de grond. Daarbij moeten ze oppassen dat hij zijn hoofd niet tegen de grond slaat. Wij kinderen zijn soms zo boos dat we ons hoofd tegen de grond slaan om niets meer te voelen.

In de middag worden er twee Roemenen van 13 door de politie afgeleverd. Ze zijn opgepakt wegens winkeldiefstal, hebben geen identiteitspapieren. Ze spreken Frans en Italiaans, een van hen heet Rocky, hij beweert Kroatisch-Italiaans te zijn. Voor hij werd opgepakt was hij drie weken in Amsterdam. De laatste keer dat hij zijn ouders zag, waren ze in Straatsburg.

„Waar wil je heen?” vraag ik aan Rocky in het Frans.

Hij haalt zijn schouders op.

Wij kinderen delen onze toekomstplannen liever niet met volwassenen.

Wordt vervolgd