Opinie

‘Met een goede baan verdien je hier hoogstens 400 euro’

Michel Krielaars raakt aan de praat met de 44-jarige bibliothecaresse Lilja. „De oorlog van de jaren negentig heeft alles kapotgemaakt.”

In de Montenegrijnse badplaats Herceg Novi ontdek ik het zomerhuis van de Joegoslavische schrijver en Nobelprijswinnaar Ivo Andric (1892-1975). Het ligt pal achter mijn hotel en heeft hetzelfde fraaie uitzicht over de baai. Binnen een paar minuten sta ik voor zijn deur, vol verwachting om zijn schrijftafel en bibliotheek te zien en iets van zijn geest te ontwaren. Maar ik heb pech, want het huis met zijn mooie balkon wordt verbouwd en is gesloten.

Even later staar ik vanuit mijn loggia over de zee uit en denk aan Andric’ epische roman De brug over de Drina uit 1945. Het verhaal is dat van een Servische jongen, die halverwege de 17de eeuw door de Ottomaanse bezetters van zijn land bij zijn moeder wordt weggehaald om te worden bekeerd tot de islam. Hij maakt carrière onder de Sultan, wordt grootvizier en is in die functie verantwoordelijk voor het bestuur van de Balkan. Daar laat hij in zijn geboortestad een brug bouwen over de rivier de Drina, die het christelijke Westen van het islamitische Oosten scheidt. Het is een verhaal over verzoening, maar ook over overheersing en de onmogelijkheid van diverse culturen om elkaar te kunnen begrijpen. Je zou het zo op de Balkan van nu kunnen toepassen, waar de spanningen tussen Serviërs en Montenegrijnen, Kroaten, en Bosnische moslims weer toenemen.

In Montenegro merk ik het een paar dagen later in de voormalige hoofdstad Cetinje, waar ik in de stadsbibliotheek in de Njegosevastraat aan de praat raak met de 44-jarige bibliothecaresse Lilja. „De oorlog van de jaren negentig heeft alles kapotgemaakt”, zegt ze. „In Joegoslavië hadden we wat we nodig hadden om redelijk van te kunnen leven. Mijn ouders konden sparen en een huis kopen. Het was de gelukkigste tijd van mijn leven. Maar sinds onze onafhankelijkheid hebben we niets. Tegenwoordig verdien je in Montenegro met een goede baan hoogstens 400 euro in de maand.”

Ook is Lilja verontwaardigd over de kunstmatig gekweekte haat tussen volkeren die het vroeger prima met elkaar konden vinden. „De Kroaten hebben ons heel lang het bombardement van Dubrovnik van 1991 kwalijk genomen. We waren zelfs niet meer welkom in die stad. Terwijl niet wij het bevel daartoe hebben gegeven, maar die idioot van een president Milosevic.”

Haar collega Milan mengt zich in ons gesprek. „Het is allemaal te wijten aan die minister van Buitenlandse Zaken van jullie, Van den Broek. Door Kroatië zijn onafhankelijkheid te geven, heeft hij ons land in een oorlog gestort. Waarom hebben jullie ons na 1995 eigenlijk niet met een soort Marshallplan weer op de been geholpen, zoals in 1945 in Duitsland is gebeurd? Dan waren al onze jongens die geen werk hadden nooit naar dat land geëmigreerd.”

Gelukkig houdt ook Milan van literatuur. Als ik hem vraag welke schrijvers er in de bibliotheek vaak worden uitgeleend, noemt hij behalve Ivo Andric en Miljenko Jergovic, de beste Bosnisch-Kroatische schrijver van dit moment, de jonggestorven Danilo Kis, die als hij wat langer had geleefd ongetwijfeld ook de Nobelprijs zou hebben gekregen. „Zijn moeder kwam uit onze stad, wist u dat? Ze was Joods, maar dat kon in het Joegoslavië van Tito niemand iets schelen. We gingen met elkaar om als gelijken. Kom daar nu nog maar eens om.”