Ik stink, want ik kan niet douchen

Essay | Droogte Wie in de hoorn van Afrika woont, leert de waarde van water kennen. In Kenia wordt om iedere druppel water gestreden, weet correspondent Koert Lindijer.

Een man vult jerrycans met water in een van de sloppenwijken van Nairobi.
Een man vult jerrycans met water in een van de sloppenwijken van Nairobi. Foto Daniel Irungu/EPA

De shampoo bijt in mijn ogen als plots het laatste water uit de douche druppelt. Het water in onze tank is op. Het is een dagelijks ongerief, maar onvergelijkbaar met het lot van veel bewoners in de Hoorn van Afrika. Dit jaar zijn ruim 15 miljoen mensen als gevolg van droogte afhankelijk van hulp. Droogte verschijnt in een steeds snellere en steeds noodlottiger kringloop in grote delen van Afrika.

Ook in 1973, toen ik voor het eerst naar Afrika kwam, was er droogte. Razende stofwolken trokken over een schraal land. Na maanden zonder regen was alle groen verdwenen. De wereld was grijs geworden. Buffels en giraffen stierven in het wildpark bij Nairobi, alleen de hyena’s lachten.

„Waarom doet u niets om die arme beesten bij te voeden”, vroeg ik ontsteld aan een wildwachter. Wat een naïviteit van die witte, straalde er van zijn gezicht. „De natuur vindt zijn eigen weg”, antwoordde hij schamper. „Droogte hoort bij het leven, zoals sterven bij het leven hoort. In een cyclus van acht tot tien jaar blijven de regens een seizoen uit of regent het onvoldoende. Droogte is er geweest zolang er een geschiedenis bestaat.”

Wie in Afrika woont, leert de waarde van water kennen. Elk jaar weer, steeds vaker. In 2011 hadden bijna 10 miljoen mensen hulp nodig in Kenia, Somalië en Ethiopië. Alleen al in Somalië stierven ongeveer 260.000 mensen. In 2017 was er opnieuw sprake van een grote crisis en dit jaar dus weer. Nu zijn in drie landen zo’n 15 miljoen zielen in nood. Volgens de National Drought Management Authority, een overheidsinstelling die permanent op het weer let, hebben zeker 2 miljoen Kenianen voedselhulp nodig om te overleven.

Altijd zijn er in dit gebied vernietigende periodes van droogte geweest. Een grote droogte en runderpest maakten in 1883 in grote delen van Oost-Afrika een einde aan de heerschappij van de Maasai, rampspoed waarvan dit herdersvolk nooit meer zou herstellen. De neergang van dit krijgshaftige volk gaf de Britten de kans zonder tegenstand Kenia te koloniseren. Die cirkelgang van droogte en afsterven gevolgd door regen en wedergeboorte, aanvaardde ik als vanzelfsprekend.

Maar nu is niets meer vanzelfsprekend aan het weer in Afrika. De droogtecyclus is niet meer eens in de tien jaar, de regens blijven tegenwoordig om de twee of drie jaar uit. Ook kennen de seizoenen geen vaste begin- en eindtijden meer, de regenval is grillig en onvoorspelbaar. Kenia behoort intussen tot de landen met de grootste waterschaarste ter wereld. „De beschikbaarheid van water is een van de grootste uitdagingen voor Kenia in deze eeuw”, schreef professor Hezron Mogambi, een waterexpert, dit voorjaar in de Keniaanse krant The Standard.

In 1983, net correspondent, maakte ik mijn eerste droogtereis. De droogte had grote delen van Afrika in zijn greep, honderdduizenden mensen stierven. Vooral in Ethiopië, maar niet alleen daar. Ik trok door zuidelijk Afrika en schrok in Zimbabwe in het stadscentrum van een grote afbeelding in de vorm van een thermometer waar het dagelijkse watergebruik van Harare werd bijgehouden. De pijl op de schaal wees naar het niveau ‘kritiek’.

Ook in Zimbabwe is grote droogte, die een aaneenschakeling van problemen heeft veroorzaakt

Een doodstille tropennacht

Toen verkeerde ik nog in de veronderstelling een uitzonderlijke ramp te beschrijven. Sindsdien heb ik vrijwel jaarlijks bericht over droogte en de voedseltekorten die ervan het gevolg zijn. Er is iets fundamenteels veranderd. In de avond tsjirpen de krekels niet meer en de kikkers willen niet kwaken. Een doodstille tropennacht. De bush verschrompelt. Waar je vroeger niet zonder kapmes doorkwam, kun je nu rechtopstaand doorheen lopen. Hongerig speuren wilde dieren naar voedsel. Roofdieren wagen zich steeds dichter bij de steden en grijpen honden, katten en paarden. Kuddes zebra’s en gazellen vallen boerenbedrijven binnen en peuzelen aan de dwergachtige maïsstengels. Melk en verse groenten worden schaars. Hun prijzen rijzen de pan uit, net als die van verdovende planten als mirra en marihuana.

Bij koeien hangt het vel over hun botten. De veehouders zijn het zwaarst getroffen. Steeds vaker gaan bewoners van het zanderige Noord-Kenia met hun koeien op lange trektochten, ook de kamelen moeten mee. Sommige grassoorten zijn jaren geleden verdwenen, steeds vaker toont de naakte aarde zijn roodbruine gezicht.

Ook in de steden vertonen de herders zich. Magere koeien en rijzige herdersjongens verdringen zich op de middenberm van een snelweg in Nairobi. De Maasai en hun vee trekken Nairobi binnen, op zoek naar het laatste gras, in achtertuintjes van stadsbewoners, langs wegen, in parken en op begraafplaatsen. Vroeger verbaasden bewoners zich over deze invasie van bushbewoners in hun stad, nu hoort het bij het verscheiden van de jaargetijden.

Ik stink en ben niet de enige. In goede tijden ontvangt mijn huis een keer per week water uit de waterleiding. Maar de goede tijden zijn zeldzaam dus kopen we vrijwel elke week water, aangeleverd door een vrachtwagen, tegen een fors hogere prijs dan het overheidswater. De blauw geschilderde watertankers gingen, net als de Maasai en zijn vee in de middenberm, bij het straatbeeld van Nairobi horen. Ik hoop dat hun water uit een waterput komt, maar vrees soms dat het uit een vervuilde rivier wordt gezogen. Een groot deel van ziektes als tyfus en cholera zijn het gevolg van slecht water.

De krekels tjirpen niet meer en de kikkers willen niet kwaken

In sommige ‘achtergestelde wijken’, zoals in het jargon van de Wereldbank een sloppenwijk heet, stellen bewoners het weken zonder water. Daar vragen waterverkopers 20 tot 50 shilling (20 tot 50 eurocent) voor een jerrycan van 20 liter.

Het tekort is structureel: de vraag naar water in Nairobi bedraagt 790.000 kubieke meter per dag terwijl de capaciteit van het stedelijke waterreservoir 526.000 kubieke meter bedraagt. Om dit aan te vullen bouwt de regering de Northern Collector-tunnel, waardoor volgend jaar dagelijks 140.000 kubieke meter extra beschikbaar is. Het project bestaat uit een 12 kilometer lange en 4 meter brede tunnel door heuvels en bergen en tapt water af van drie rivieren ten noorden van Nairobi.

IJzeren slang

Eens verzoop het gebied waar nu Nairobi ligt in water. De kolonisatie door de Britten begon in 1895 met de aanleg van een spoorweg van Mombasa aan de Indische Oceaan de binnenlanden in. In 1899 bereikte de ijzeren slang enkare nyirobi – ‘de plek van het koude water’ in de taal van de Maasai. Nairobi was tweehonderd jaar geleden een zompige papyrusvlakte omringd door beboste heuvels met over rotsen kabbelend water. „Verlaten maar inspirerend”, noemde een Britse spoorwegbouwer de omgeving, „een moerassig en volgelopen platteland, zonder mensen, het domein van allerlei soorten beesten”.

Onder elk afdak in de stad staan nu grote zwarte watertonnen, iedereen wil water oogsten. Ook buiten Nairobi wordt om elke druppel water gestreden. Ten oosten van de hoofdstad graven boeren kuilen in de geërodeerde heuvels in de hoop het water op te vangen. Op de zuidelijke gras-savanne heeft de overheid het water achter dammen weggesluisd, onbereikbaar voor het vee van de Maasaiherder.

Bevolkingstoename en de druk op het land dragen bij aan de groeiende watertekorten. Elk decennium komen er ongeveer tien miljoen Kenianen bij, een ongekende bevolkingsexplosie. Waar ik ook kom, ik zie vooral jonge mensen. Alleen een kleine minderheid van de bevolking kan zich het rustieke Kenia nog herinneren waarin ik in de jaren zeventig aankwam.

Met steeds meer zorgen praat iedereen over regen. Na de uitgebreide uitwisseling over het wel en wee van de familie, gaat bijna ieder gesprek al gauw over het weer. Ik kwam terug uit een oorlog en zat vol van wat ik had meegemaakt. Ik wilde erover vertellen aan mijn vrienden. Maar al gauw vielen ze me in de rede met de vraag: „En, regent het daar?”