Opinie

Een eenzaam beest op de Zuidas

Column Amsterdam

‘De Zuidas bruist’, stond op de uitnodiging voor de ‘eerste enige ZUIDASBORREL’ die op vrijdag 30 augustus werd gehouden op het George Gershwinplein. ‘Om 16:00 mogen bij de volwassenen de stropdassen af, de hakjes uit en de dansschoenen aan.’

Gedanst werd er niet op de eerste Zuidasborrel, althans niet op de vroege avond toen een dj op een podium temidden van mobiele biertaps en eettenten opgepimpte disco uit de oude doos draaide. Veel vrouwen hadden hun hoge hakken ook niet uitgedaan. Maar het was op de laatste vrijdagavond van augustus wel gezellig druk op de Zuidas. Niet alleen op het George Gershwinplein maar ook bij enkele cafés in de drie lanen (geen straten) die de Zuidas telt, stonden groepjes drinkende en etende Zuidassers.

Toen ongeveer twintig jaar geleden de bouw van de Zuidas begon, was het de bedoeling van de stedenbouwers dat de nieuwe wijk tussen de A10 en Buitenveldert ‘gezellig' zou worden. Dit was in de jaren negentig, toen de Superdutch- architectuur haar hoogtijdagen beleefde, een even ongebruikelijk als dapper streven. Gebouwen mochten toen van alles zijn – conceptueel, nomadisch of desnoods parametrisch - maar niet gezellig. Gezelligheid was een achterhaald begrip in het digitale tijdperk waar noties als tijd en plaats elke betekenis hadden verloren, vonden veel Superdutchers.

Het streven om van de Zuidas een ouderwets gezellige wijk te maken was even ongebruikelijk als dapper

Maar architect Pi de Bruijn, de supervisor van de Zuidas, dacht daar anders over. Om de nieuwe wijk ouderwets gezellig te maken, bepaalde hij dat de Zuidas niet alleen een zakenwijk zou worden maar voor de helft uit woningen zou bestaan. Bovendien wilde hij dat woningen en kantoren in dezelfde blokken of torens zouden komen. Verder had hij knusse pleintjes in zijn masterplan getekend, en parkjes aan het water. En de ‘plinten’, zoals architecten de onderkant van gebouwen noemen, moesten levendig worden. Want als de naoorlogse stedenbouw iets had geleerd, dan was het dat grote gebouwen met saaie puien en weinig ingangen de dood van een straat betekenen.

Er is weinig terechtgekomen van het plan van De Bruijn, die in 2006 na een conflict vertrok als supervisor van de Zuidas. Na twintig jaar bouwen bestaat de Zuidas nu toch vooral uit kolossale kantoortorens. En de tweeduizend woningen (van de zevenduizend die volgens het oorspronkelijke plan gebouwd zouden worden) zijn niet gemengd met kantoren maar ondergebracht in saaie bakstenen blokken of mislukte pixelbergen die bijna allemaal in gelid staan langs een gracht. Ook de plinten zijn een faliekante mislukking. In de drie hoofdlanen hebben de meeste kantoortorens hoge glazen puien met heel weinig ingangen gekregen, in de zijstraten overheersen de brede entrees van parkeergarages.

Twee dagen na de ‘eerste enige ZUIDASBORREL’ blijkt de drukte op de Zuidas op de laatste vrijdag van augustus dan ook een incident te zijn geweest. Tijdens het borreluur is het in de lanen, waar bijna alle cafés en restaurants zijn gesloten, unheimlich stil. Maar het treurigst is het George Gershwinplein. Daar staat midden op de vlakte een van de wonderbaarlijke strandbeesten van Theo Jansen de doodenkele voorbijganger vergeefs om aandacht te vragen. Zijn hangende poten en eenzaamheid maken het George Gershwinplein nog desolater dan het al is.

Redacteur Bernard Hulsman vervangt op deze plek tot half oktober Auke Kok, die de laatste hand legt aan zijn boek over Johan Cruijff.