Als je niet kiest voor carrière, kind en koophuis

Zingeving Bregje Hofstede speelde vroeger Levensweg. Carrière maken, kinderen krijgen, huis kopen, en aan het eind wint de rijkste speler. Nu, als dertiger, twijfelt ze aan die spelregels. Hoe ziet ‘winnen’ in het echte leven eruit? En gaat dat ten koste van anderen?

Illustratie Kwennie Cheng

Levensweg, zo heette het spel dat ik met mijn schoolvriendinnen speelde. We installeerden ons met limonade en Dorito’s op de slaapkamervloer en legden met een klein plastic autootje de route af die over het bord kronkelde, langs schoolprestaties, promoties, bonussen, goedbetaalde banen, partners en kinderen – bij het ‘levensweggen’ moest je die stappen doorlopen om de anderen af te troeven en te winnen.

Succes hing af van een plastic ‘rad van fortuin’ waar we om beurten aan draaiden. Het rad bepaalde hoeveel stappen je vooruitging, en het vakje waarop je terechtkwam kon salaris of ‘statussymbolen’ opleveren, die je richting de winst stuwden. Soms moest je juist betalen: je huwelijksreis, meubels voor in je bungalow, een cruise naar de Caribische eilanden, of les bij tennisclub ‘De Ballen’. En zo’n zeilboot, dat kost ook wat.

De finish was je pensioen, gesymboliseerd door een witte renteniersvilla.

In de spelregels stond het doel helder uitgelegd. „Zorg dat jij de rijkste speler bent als iedereen gepensioneerd is.” Immers: „De rijkste speler wint!”

Als ik iets zou moeten bedenken om kinderen spelenderwijs klaar te stomen voor een neoliberale wereld, dan zou ik niet snel iets beters weten dan dit bordspel, „geschikt vanaf een leeftijd van acht jaar”.

Ik moest destijds worden overgehaald om mee te doen, want Levensweg was niet mijn favoriete spel. Het maakte ons te fanatiek. Met vette chipsvingers graaiden we naar het papieren geld, wie pech had, werd uitgejouwd, wie won, sproeide triomfkruimels over het bord. Verliezen was naarder dan bij andere spelletjes.

We waren tieners. We wisten weinig maar wilden veel. De snoeiharde criteria voor een succesvol leven lagen voor ons op het hoogpolige tapijt, geprint op de spelkaartjes. Carrière maken, een huwelijk plus kinderen, een steeds duurder huis. Zo deden de volwassenen om ons heen het, en zo moesten wij het ook doen om te winnen.

Inmiddels zijn we dertig, en alle drie een eind gevorderd. We volgden een opleiding en kregen een baan. We gingen trouwen. We sloten verzekeringen af. We kochten statussymbolen. Het vakje ‘burn-out’ hebben we niet allemaal weten te vermijden, het vakje ‘kinderen krijgen’ ligt nu vlak voor ons. De een is arts, de ander heeft een knettercarrière bij een multinational. Voor spelletjes hebben we weinig tijd, en chips is ongezond, maar nog steeds zijn we iets te fanatiek aan het levensweggen.

Het enige echt relevante verschil met de kartonnen Levensweg is dat we inmiddels oud genoeg zijn om de vooraannames, afgedrukt op robuuste kaartjes en minstens even stevig in ons brein geprent, ter discussie te stellen. Waarom heeft een levensweg noodzakelijk déze opties? Waarom is omkeren onmogelijk? Waarom is méér verdienen een stap richting winst? Hoe zou ‘winnen’ in het leven er überhaupt uitzien, en gaat dat dan ook ten koste van anderen?

Lees ook: Jongere voelt van alle kanten druk

De afgelopen jaren heb ik best wel wat geklaagd over De Maatschappij. Ik heb geschreven over stress en burn-out, over het Grote Moeten en het altijd online zijn. Ik heb getobd over de aandachtseconomie, over consumentisme, over de klimaatcrisis en de toename van slaapproblemen. Maar kritiek hebben op de samenleving is toch een beetje als afgeven op het feestje waar je desondanks je avond doorbrengt.

Je hóéft niet mee te doen.

Toch?

Afgelopen winter besloot ik de proef op de som te nemen. Ik stopte het hoogstnodige in mijn rugzak, nam de metro naar het Centraal Station en verruilde mijn Amsterdamse kamer voor een experiment.

Sindsdien ben ik onderweg.

Het spel dat ik dit jaar speel, heeft geen bord, geen etappes en geen duidelijke finish. Het doel van mijn omzwerving is om zijwegen te vinden, alternatieven voor het gedicteerde pad. Wat als je ‘carrière’, ‘kind’ en ‘koophuis’ niet bestempelt als vaste stations?

Om die vragen te beantwoorden, zocht ik mensen op die de spelregels niet volgen. Mijn reis bracht me van Vlaanderen naar Parijs en de Pyreneeën, en leerde me anders kijken naar geld, gezin en wonen. Het leverde bovendien drie nieuwe spelkaarten op.

Spelkaart 1: Je besluit dat tijd meer waard is dan geld. Verkoop je bezittingen en trek je terug in het groen

De enige maatstaf waarlangs een mensenleven wordt gelegd bij Levensweg, is de financiële. Zorg dat je rijk wordt. En de enige methode daarvoor is een zo hoog mogelijk inkomen.

Maar er zijn andere manieren om rijk te worden, en de snelste is om weinig geld nodig te hebben.

Zo bezien is Timo Waag rijk. Via via kom ik terecht bij deze Nederlandse dertiger, die met zijn Catalaanse vriendin Esther op een kleine lap grond woont, totaal afgelegen in een uitgestrekt bos aan de voet van de Pyreneeën. Ik logeer er een paar weken en help in de tuin.

Het huis is oud en niet aangesloten op welke nutsvoorziening dan ook. Er is geen statussymbool te bekennen. Wel zijn er: kippen, honden, katten, grote kruiken voor het bronwater dat Timo in het bos gaat halen en een museale Peugeot. Hij is bezig de aandrijfstang te vervangen.

’s Ochtends vroeg, vanuit mijn kamertje op de zolder van de hooischuur, zie ik Timo met een flesje melk naar het lam lopen dat onderaan de helling hartverscheurend mekkert. Daarna raapt hij eieren. Hij spit de grond om waar hij straks pompoenpitjes zaait. Hij drinkt thee op het terras. Hij laat me de muziek horen die hij op zijn drumsynthesizer componeert. Esther en hij werken hard, maar tegelijk wekt Timo de indruk dat hij de tijd heeft.

Wanneer ik hem zo bezig zie, is het moeilijk om te beweren dat hij het leven niet goed aanpakt.

Als er een plan achter dit leven zit, dan heet dat plan Permacultuur: een verzamelnaam voor een handvol principes die je kunt toepassen om een stuk land zo slim mogelijk te gebruiken. De bedoeling is dat je je land zo bebouwt dat je dat, zonder inmenging of hulpstoffen, permanent zou kunnen volhouden. Je bemest je land door de kippen er een tijdje op te laten lopen. Je sproeit met zelf verzameld regenwater. Je spuit niet met gif, maar hebt lieveheersbeestjes tegen de luizen. Alles wordt hergebruikt, duurzaamheid troef. Zoveel begrijp ik in elk geval uit het boek dat Timo me leent, kleurrijk en vol tekeningen van groentetuinen en irrigatiesystemen. Uit de kaft hebben muizen een hoekje geknaagd. Ik lees het ’s avonds, totdat de dagopbrengst van het enige zonnepaneel is verbruikt en de lampen uitgaan.

Buiten, in de tuin, gaat alles onvermoeibaar door. Het groeit en Timo snoeit. De beesten blijven mest maken, de groentes worden groot. Er zijn aardappels, sla, pompoenen, selderij, er zijn fruitbomen en kruiden. Wat niet door Timo en Esther opgegeten wordt, gaat naar de kippen. Permacultuur betekent ook: zo veel mogelijk doen met de middelen die je al hebt. De echte fanatiekeling streeft naar volledige zelfvoorzienendheid.

Zo ver gaat Timo niet; graanproducten bijvoorbeeld koopt hij in de winkel. Zijn vriendin Esther is kunstenaar en betaalt haar deel van de rekeningen; Timo werkt bij een hotel in de buurt. Een paar keer per week zoeft hij op zijn crossmotor – op benzine, ja – de bosweg af om Qigong-lessen te geven aan hotelgasten of om iets te repareren. Zo verdient hij wat geld. Genoeg.

Wanneer heb je geld genoeg? Die vraag heb ik me de afgelopen maanden vaak gesteld.

Ik kwam op mijn reis nog een aantal mensen tegen die ervoor gekozen hebben geen auto’s of villa’s maar vrijheid te verzamelen. Zo logeerde ik bij een oud-klasgenoot die imker is geworden in Zuid-Frankrijk, en samen met zijn vriendin goed leeft van nog geen driekwart van één Nederlands minimumloon. Ze kunnen ervan doen wat ze willen, hebben een groot huis, een moestuin, een hond, de tijd. Over hen straks meer.

Ook zelf ontdekte ik dat geld en tijd op een gekke manier met elkaar verbonden zijn. Om de tijd te hebben voor mijn experiment, moest ik zorgen dat ik tijdens mijn reis zo min mogelijk schrijfopdrachten aannam, en om weinig opdrachten aan te kunnen nemen, moest ik spaarzaam zijn met mijn geld. Ik hield dus nauwkeurig een kasboekje bij, kwam alleen in cafés als ik wifi nodig had en werd creatief met campinggas.

Kortom: ik was zuinig. Niet met mijn tijd omdat ‘tijd geld kost’; maar juist met mijn geld, omdat geld tijd kost.

Illustratie Kwennie Cheng

Aan het begin van de zomer kampeerde ik bij een meertje dat grensde aan een chic bungalowterrein. Daar, aan de overkant, stonden glazen paviljoentjes, inclusief designlampen en ligstoelen met schapenvacht; aan mijn kant van het meer was alleen een grasveld. Verschillende prijsklassen, gescheiden door een waterplas. In het midden dreef een houten vlonder. Elke dag zwom ik erheen, liet me opwarmen in de zon en zwom terug. Soms kwam ik iemand van de overkant tegen.

Wat is het verschil, vroeg ik me af, tussen mij en die man van de overkant? Hij zit in een paviljoen (à 120 euro per nacht) en niet in een tent (à 12); hij heeft minstens vijfendertig jaar langer gebuffeld voor dezelfde duik in blinkend water.

In de gewone versie van Levensweg heeft een speler decennia nodig om genoeg geld te verzamelen voor dit soort dingen. Maar als je nou heel weinig geld uitgeeft, kun je dan niet vroeger met pensioen?

Dat idee staat aan de basis van de FIRE-beweging. FIRE staat voor Financially Independent, Retire Early. Je leeft een tijdlang heel zuinig en spaart geld. Hoe minder geld je uitgeeft, hoe sneller je met pensioen kan. En dat doe je op mijn leeftijd, niet pas als late zestiger.

Geld en tijd zijn niet écht inwisselbaar. Geld kun je aanvullen als het op is, maar ben je door je tijd heen, dan is het game over. Dat betekent dat het eigenlijk niet zo slim is om al je tijd te steken in het vergaren van meer geld. Je kunt beter al je geld steken in het verzamelen van vrije tijd, zo redeneert de FIRE-adept.

Ik las over de leer der financiële onafhankelijkheid via het blog van een Canadese dertiger die zichzelf Mr Money Mustache noemt. Na een korte kantoorcarrière is hij gestopt met werken. Al zijn tijd is vrije tijd.

Dat hij genoeg heeft kunnen sparen om het de rest van zijn leven uit te zingen, komt „gewoonweg door een leven te leiden dat 50 procent goedkoper is dan dat van mijn leeftijdsgenoten, en de rest van het geld te investeren in heel saaie indexfondsen”, schrijft de pensionado monter.

Zijn blog begon hij uit frustratie. Hij was het zat om zijn vrienden en ex-collega’s te horen klagen over hun geldzorgen, en te horen verzuchten dat ze zo graag minder zouden gaan werken. „Deze opmerkingen werden meestal begeleid door dure glazen ambachtelijk gebrouwen bier in een restaurant”, schrijft Money Mustache. De meeste mensen houden er volgens hem een peperdure levensstijl op na, en zijn vervolgens „stomverbaasd dat ze geen geld overhebben om hun eigen vrijheid te kopen”.

Wil je dat geld verzamelen, dan lijkt het misschien logisch om te streven naar meer inkomsten: meer werken, of geld lenen. De FIRE-beweging zegt juist: nee, minder. Minder uitgeven.

Het is eigenlijk simpel: wie minder behoeft, heeft sneller genoeg. En is sneller Financieel Onafhankelijk.

Omdat tijd niet kan worden ‘bijgemaakt’, is het in feite een hardere munt. Dat besef ligt niet alleen aan de basis van FIRE, maar ook aan de zogenoemde ‘time banks’. Dat zijn platforms waar je ruilhandel kunt drijven op basis van tijd, in plaats van geld. De munteenheid: uren. Zo kun je bijvoorbeeld één time bank hour van jouw boekhoudingsvaardigheden ruilen voor een uur van een klusser. Tijd is eigenlijk een eerlijker ruilmiddel dan geld, is het idee, want een dag telt vierentwintig uur, hoe rijk of arm je ook bent.

Dit concept is niet nieuw – begin 19de eeuw circuleerden er in het Verenigd Koninkrijk al ‘time notes’, ter waarde van een of meer uren werk – maar maakt nu een comeback. Brussel, Den Haag en binnenkort ook Amsterdam hebben al een ‘time bank’, een online platform waar je zaken kunt doen met je uren. Je kunt je uren ruilen voor die van een ander, of krediet opbouwen.

Het leuke van denken in tijd-kapitaal, in plaats van in geld, is dat mensen zoals ik, of Timo, of Mr Money Mustache, in één klap behoorlijk kapitaalkrachtig zijn.

Eigenlijk heb ik, net als zij, liever veel tijd om vrij te besteden dan veel geld.

Daarom – en omdat ik graag spelletjes win – zou ik de Levensweg-spelregel willen herschrijven. Niet de speler die bij zijn pensioen het meeste geld heeft, wint, maar degene die de meeste tijd voor zichzelf heeft weten te veroveren.

Spelkaart 2: Je wil géén standaardgezin. Geef je buggy weg en start een ander soort familie

Wie Levensweg speelt, moet trouwen en kinderen krijgen. In het autootje is plek voor een bijrijder, en op de achterbank is plaats voor vier roze of blauwe pinnetjes.

De gedeukte BMW die aan komt rijden in de zinderende Provençaalse zomerlucht vervoert geen kinderen. De bestuurder heet Milan, en toen ik elf was, zat ik bij hem in de brugklas. Ik verloor hem uit het oog en ben hem nu komen opzoeken in Zuid-Frankrijk, waar hij al tien jaar woont.

Guitig gezicht, eerste lachrimpels; zo zal hij ook bij mij wel speuren naar de verstreken tussentijd. Het eerste wat hij zegt: „Ik herinner me jou nog. Jij had in de brugklas een cijferlijst in je agenda, en alle tienen had je gemarkeerd met een roze marker.” Zodra hij dat zegt, weet ik het weer, en schaam ik me voor die pijnlijk intense wens van destijds om het goed en volgens de regels te doen. Wat speelde ik het spel braaf mee, en wat had ik daar buikpijn van.

Milan niet. School kon hem niet schelen, hij stopte met zijn studie, en ook het stichten van een gezin zegt hem weinig. Ze zien geen toekomst met eigen kinderen, daar zijn hij en Kim het wel over eens. Niet omdat het hem niet leuk lijkt, of omdat hij zich alleen op zichzelf wil kunnen richten, maar omdat er nog zoveel meer dingen zijn in het leven. Hij is al deel van een andere zwerm: hij is imker.

Milan en Kim wonen in een groot huis aan de rand van een piepklein dorp. Hun tuin ligt ingeklemd tussen de spoorrails en het park van een kasteel. In een polytunnel groeien allerlei groentes, er is een bed vol frambozen, een laurierstruik.

Aan de rand van de tuin staan de bijenkasten hoog opgetast, en al zweven er hier en daar nog bijen omheen, de meeste kasten zijn leeg. De klimaatverandering decimeert zijn volken, daarbij geholpen door de Aziatische hoornaar, een roofwesp die systematisch bijen uitmoordt. En dan zijn Milans laatste kasten, die verderop in het bos stonden, ook nog eens omgegooid door de herten. Het deed pijn om zijn volken na al die jaren op te geven, maar doorgaan werd onmogelijk. Inmiddels is zijn werk veranderd. In plaats van te zorgen voor individuele bijenfamilies, zet hij zich nu in voor het behoud van bijen wereldwijd. Vanuit dit kleine Franse dorpje werkt hij voor een internationale ngo die het bijenhouden stimuleert om armoede te bestrijden en tegelijk de biodiversiteit te beschermen. Een paar keer per jaar bezoekt Milan conferenties of doet hij veldonderzoek in den vreemde. Kim is intussen bezig met het opzetten van haar ijszaak. Die plannen zijn voorlopig genoeg.

Het is minder vanzelfsprekend dan ooit om roze en blauwe pinnetjes op de achterbank te prikken. Het percentage bewust kinderloze vrouwen neemt in Nederland, en elders in Europa, elke generatie toe. De tijd dat dat een keuze van hoogopgeleide vrouwen was, ligt stilaan achter ons: ook zij met een middel- en lagere opleiding blijven toenemend kinderloos. Geboortecijfers dalen niet alleen door uitstelgedrag en anticonceptie, maar ook doordat kinderloosheid steeds vaker als kindervrijheid wordt gezien: niet als gebrek, maar als een positieve optie.

Niet de speler die bij zijn pensioen het meeste geld heeft, wint, maar degene die de meeste tijd voor zichzelf heeft weten te veroveren.

Terwijl ik rondtrok, las ik het ene na het andere boek over leven zonder nageslacht. Ik was gewend om kinderloosheid vooral te zien als iets waar je mogelijk spijt van kon krijgen, maar het tegenovergestelde is natuurlijk ook mogelijk. Zo blijkt wel uit de studie Regretting Motherhood, waarin Israëlische vrouwen indringend beschrijven waarom ze liever géén moeder waren geworden. Veel van de vrouwen hebben het gevoel dat er nooit een keuze was. De druk was groot, alternatieven waren onzichtbaar. Pas toen de afslag al genomen was, werden ze een mogelijk andere route gewaar.

De route namelijk die werd genomen door de zestien schrijvers van Selfish, Shallow and Self-Absorbed: Sixteen Writers on the Decision Not to Have Kids. De stemmen in dat boek benadrukken stuk voor stuk dat ze heus van kinderen houden, dat ze geen mensenhaters zijn, maar dat ze op andere manieren invulling geven aan hun gemeenschapszin: door tante of pleegouder te zijn, door zich te richten op vrienden. Voor sommigen betekent verantwoord ouderschap, met het oog op overbevolking en de klimaatcrisis, dat ze besluiten géén kinderen op de wereld te zetten.

Mijn persoonlijke favoriet onder de boeken die zagen aan de vanzelfsprekendheid van ouderschap, is Motherhood, waarin de Canadese schrijfster Sheila Heti eindeloos twijfelt: wel of niet proberen zwanger te worden? Ze werkt jarenlang aan een boek over deze kwestie, en schrijft zo net zo lang door tot haar baarmoeder met pensioen is. Met haar studie over moederschap heeft ze haar vruchtbare periode overbrugd. Ten slotte besluit ze dat ‘moederschap’ voor haar zal draaien om het verzorgen van haar eigen moeder.

Ook de bekende Franse feministe Thérèse Clerc zorgde jarenlang voor haar bedlegerige moeder. Intussen hield ze ook haar werk en haar eigen gezin in de lucht. Dat was zo uitputtend dat het diepe indruk maakte op Clerc, die haar eigen ervaring plaatste naast de vergrijzingsstatistieken. Al die bedlegerige ouders op komst! Wie, vroeg Clerc zich af, gaat er voor ze zorgen? Weet je wat, we zorgen wel voor elkaar.

Clerc besloot een anti-bejaardentehuis op te richten: een denktank voor alternatieve ouderdom moest het worden, onder de naam Maison des Babayagas. Baba Yaga is de oude kraai in veel Slavische sprookjes, dus vrij vertaald is dit ‘het huis van de heksen’. De bewoners voeren zelfbestuur en baseren hun beslissingen op feminisme, ecologie, solidariteit en actief burgerschap, dat was het plan. Ruim een decennium streed Clerc om het te realiseren.

In 2014, twee jaar voor haar overlijden, was het eindelijk af. Het Maison des Babayagas staat nu in Montreuil, een levendige buurt aan de rand van Parijs, en bestaat uit 25 sociale woningen, waarvan 21 voor ‘heksen’ en vier voor jongeren. Er zijn meerdere gemeenschappelijke ruimtes, er is een groentetuin, en het huis opent haar deuren voor sociale en culturele projecten in de buurt en in de stad. Vivre et vieillir autrement is het credo: anders ouder worden. Bijvoorbeeld in een gemeenschap van grijsaards (en jonkies) waar je lezingen kunt volgen of kunt tekenen naar naaktmodel – fier oud naaktmodel, in dit geval. De generatie van mei ’68 verliest misschien haar jeugd, maar niet haar idealen. De belangrijkste daarvan, solidariteit, loopt in dit heksenhuis buiten bloedbanden om. Een familie beginnen kan op zoveel manieren.

Spelkaart 3: Je hebt geen huis nodig. Leen een tent of camper en zwerf een tijdje rond

Wie Levensweg speelt, moet ergens wonen. Bij het spel horen ‘eigendomsaktes’ waar de speler uit kan kiezen: die van een oude flat bijvoorbeeld, gekocht bij ‘Vrek & Krent’, of van een landhuis van ‘Blauw Bloed Makelaars’ („inclusief oude butler!”). De keuze is zogenaamd vrij, maar zie maar eens weerstand te bieden aan de boodschap dat je helemaal op de goede weg bent met je luxueuze stadspand, „perfect voor 2 mensen met 2 kinderen of meer” van ‘Makelaarskantoor Nog Lang En Gelukkig’. Wat goed wonen is, is wel duidelijk: zo groot en opulent mogelijk.

Wat dat betreft heb ik weinig geluk in het spel. Ik bracht zo’n vijftien weken door in een mosgroen tentje, dat ik steeds verplaatste. De rest van de tijd logeerde ik in huizen en appartementen, een schuur, een busje, een woongroep. Ik at mee met verschillende diëten, leerde de weg in een handvol keukens, wandelde met andermans hond en aaide andermans kat, besproeide nu eens een enorme moestuin en druppelde dan weer water in het trechtertje van een miniatuurplant die tegen de koelkastdeur plakte.

Intussen werd me keer op keer verteld over wéér andere soorten van wonen. Had ik al gehoord over de gecrowdfunde, sociale wooncoöperatie De Warren? Over dat ecodorp in Wales, Lammas? Over de tienduizenden Nederlanders die permanent in een vakantiepark wonen?

Mijn Instagram-feed kent meer dan één ‘van life’; meestal dat van een koppel jonge dertigers die hun Zuidas-carrière hebben verruild voor een Volkswagenbusje en nu rondkomen van de advertentie-inkomsten die zo’n fotogeniek leven genereert. Tik de woorden ‘digitale nomade’ in en je vindt allerlei websites die je laten zien hoe je zonder vaste verblijfplaats je (computer)werk kunt doen; behalve een laptop en een internetverbinding lijk je vooral veel cocktails, hangmatten en tropische zonsondergangen nodig te hebben. En in allerlei woonrubrieken in kranten en tijdschriften bezingen tiny house-bewoners de eenvoud van het leven op 15 vierkante meter. Doe alle spullen de deur uit en ze maken plaats voor de Essentiële Dingen Des Levens, is het idee dat bijvoorbeeld wordt verkondigd door @theminimalists of @healyourliving.

Het spel dat ik nu al maanden speel is leuk, maar ook vermoeiend. Als je iedere beslissing op losse schroeven zet, kost elke handeling aandacht en denkkracht.

Aan de norm van ‘groter en meer’ wordt driftig getornd. Veel (jonge, stadse, westerse) mensen zijn bezig met woonexperimenten die draaien om versimpeling. Niks oude butler of luxueus stadspand.

Het klinkt als een modeverschijnsel, maar het gaat verder dan lifestyle en raakt aan existentiële vragen. Bijvoorbeeld: hoe te voorkomen dat je, in deze tijd van stijgende cortisolspiegels, verzuipt in stress, om maar te zwijgen van de opkruipende vloedlijn en het recordbrekende kwik? ‘Anders wonen’ is vaak een poging tot zingeving of een verzet tegen ecologische verwoesting.

In de bovenflap van mijn rugtas zat deze zomer het boek Zero Waste Home, waarin Bea Johnson me achter de smetteloos witte kaft uitlegde hoe zij haar gigantische en vervuilende huis in de Californische suburbs verruilde voor een klein chalet, waarvan de vier bewoners samen per jaar nog geen weckpot aan vuilnis vol krijgen. Het streven is om helemaal geen rommel te veroorzaken. Zero Waste is een beweging aan het worden: google er maar eens op, plus de naam van je dichtstbijzijnde stad. Zo bezocht ik in Parijs een Maison Zero Déchet, waar je je eigen herbruikbare brood- of granenzakjes leert maken om vol te laten scheppen op de markt of in verpakkingsvrije winkels.

In een FlixBus dwars door Frankrijk zat ik naast een man die me onderhield over collapsologie, en me ernstig ried zo snel mogelijk een stuk land te kopen waarop ik mezelf in leven kan houden als ‘het systeem’ instort. Dit soort radicale zelfvoorzienendheid klinkt extreem, maar is steeds minder buitengewoon. Ik noemde al de permacultuur; zoeken op off grid levert honderden YouTube-kanalen en blogs op van mensen die je laten zien hoe je zonnepanelen installeert, regenwater opvangt of een composttoilet aanlegt.

Je kunt het gek gedoe vinden, van mensen die het noorden kwijt zijn. Millennial-aanstellerij en lifestylegeneuzel. Ik zie het anders. Namelijk als een poging om verschillende manieren van leven uit te proberen.

Het gevaar van het noemen van meer extreme voorbeelden is dat het lijkt alsof het gaat over uitzonderingen die niets te maken hebben met het ‘gewone’ leven, en niets zeggen over de geijkte levensweg. Maar de marge vertelt je altijd ook iets over het midden.

Ook de ‘gewone’ mens, die niet zo lustig experimenteert, is meer op drift dan hij in generaties geweest is. Nederlanders, meldt het CBS, verhuizen steeds vaker – vooral tussen gemeentes. Voor de Belg geldt hetzelfde. De doorsneemens is nomadischer geworden. Net als de vaste baan en de vaste partner ligt ook het vaste honk niet meer zo heel vast.

Terwijl ik rondtrok en me ophield in de marge van andermans levens, dacht ik aan wat Milan me vertelde over zijn bijen. Af en toe moet een bijenkolonie op zoek naar een nieuwe verblijfplaats, zei hij. Een deel van de kolonie splitst zich af en zwermt uit, op zoek naar een geschikte locatie. Op een tijdelijke plek ‘regroeperen’ ze zich en proberen consensus te vormen over hun toekomstige, vaste woonst.

Dat is het moment waarop een imker in actie komt. Bijen zonder plek zijn heel erg mild: je kunt de zwerm, die bijvoorbeeld ergens aan een boomtak hangt, zo met je handen oppakken, vertelde Milan. Omdat de bijen op dat moment geen territorium te verdedigen hebben, staan ze open voor van alles.

Hoe kiest een zwerm een nieuwe plek? Verkenners (‘scouts’) vliegen uit, en als ze een geschikte plek gevonden hebben, rapporteren ze dat aan de groep met een bepaalde dans. Al dansend probeert elk van hen zoveel mogelijk bijen voor zich te winnen. Is een dans overtuigend, dan voegen andere bijen zich daarbij. De meest overtuigende dans vergaart volgelingen en zet ten slotte de hele zwerm in beweging. Die settelt zich ergens, en is voorlopig niet meer goedschiks in beweging te krijgen.

Dit hele proces duurt soms maar een paar uur. Als imker heb je haast wanneer een bijenzwerm zwermt; het is te riskant voor de kolonie om nergens thuis te zijn.

Aan het verhaal van de imker denk ik telkens wanneer ik mijn tas weer eens in- of uitpak. Ik herken het gevoel van op drift zijn – voor mij is dat een gevoel van mogelijkheden en belofte – maar ook de kwetsbaarheid, en het groeiende verlangen naar iets veiligs en vasts.

Het spel dat ik nu al maanden speel is leuk, maar ook vermoeiend. Als je iedere beslissing op losse schroeven zet, kost elke handeling aandacht en denkkracht.

Illustratie Kwennie Cheng

Dat voel je ook als je niet rondtrekt met een tentje, want het is tekenend voor deze tijd. In theorie zijn er nauwelijks nog grenzen aan de mogelijke keuzes: weg kerk, vaste baan, heldere rolverdeling. Dat betekent vrijheid, maar de meest wezenlijke keuzes worden er niet makkelijker op. Hoe minder stukjes er van een puzzel vastliggen, hoe lastiger het is om de volgende de leggen. Mijn generatie legt een puzzel zonder rand.

Dat is niet oneindig houdbaar. Mensen willen graag een Levensweg met duidelijke spelregels en een overzichtelijk speelbord. Kijk maar naar de populariteit van het zelfhulpboek, van de eindeloze ‘zelftests’ en tips in tijdschriften en glossy’s, van Jordan Peterson’s 12 rules for Life en andere levensleidraden. Houvast is geliefd onder de zoekenden. Hoe meer mogelijkheden er zijn, hoe groter ook het verlangen naar sturing.

De fascinatie die uitgaat van de alternatieve leefwijzen, de discussies over ouderschap, over werk en levensdoelen, de Instagram-accounts van zero waste- goeroes met tienduizenden volgers: allemaal zijn het bijendansen. Boodschappen aan de rest van de zwerm, een uitnodiging om dezelfde dans te komen doen en iets in beweging te zetten.

Lees ook: ‘Ergens helemaal thuishoren bestaat niet meer’

Dat het met de bij zo slecht gaat, komt me in deze metafoor goed uit. Ook de mens heeft fikse problemen. Het politieke vertrouwen is historisch laag, internationale spanningen lopen op, klimaattechnisch zitten we grandioos in de nesten. Ik denk dat we er beetje bij beetje klaar voor zijn om afscheid te nemen van een aantal oude spelregels. En met name van de levensweg op louter financiële leest. Misschien is het tijd om de finish van onze levensweg niet te leggen bij maximale persoonlijke rijkdom, maar bijvoorbeeld bij een eerlijk verdeelde rijkdom. Of bij een mondiale opwarmingsgrens van 1,5 graden. Of bij … tja, waar?

Mijn generatie is aan het zwermen. Wil je iets te zeggen hebben over de bestemming, kijk dan om je heen, en voeg je bij een dans.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.