‘Jonge Chinezen kopen graag opvallende kunstwerken’

Kunstmarkt China De kunstmarkt heeft in China stevige klappen gekregen, maar verzamelaars blijven kopen en musea openen. Met kunst kun je je onderscheiden. En een eigen museum vergroot de waarde van je collectie, is de hoop.

Foto Garrie van Pinxteren

Op een glimmend zwarte vloer staat een felgekleurd oranjerood beeld. Als je er vanuit de verkeerde hoek naar kijkt, denk je even dat het een man is met een enorme penis over zijn schouders gedrapeerd. Als je er recht voor staat, zie je dat het een dik varken is, gedragen door een kleine man.

Het is een werk van de Chinese neorealistische kunstenaar Chen Wenling (1969). Chen won in 1999 een Gouden Leeuw op de Biënnale van Venetië. Kunsthandelaar Tao Yuanming, die het werk in zijn kleine tentoonstellingsruimte in de Oost-Chinese stad Hangzhou heeft staan, vindt het geen aangenaam werk. „Het is me te heftig. Het gaat tegen onze traditie in”, zegt Tao. „Maar zoiets is wel meteen een blikvanger, en vooral jonge mensen kopen graag opvallende kunst.”

Tao handelt in kunst sinds begin jaren 90, vooral via een van de vele veilinghuizen die een cruciale rol spelen in China. De kunstmarkt maakte sinds die tijd een ongekende groei door. Volgens een Tefaf-rapport over de Chinese kunstmarkt waren er in 1993 welgeteld twee veilinghuizen in heel China. In 2017 waren dat er 525, met een gezamenlijke omzet van 4,8 miljard dollar (4,3 miljard euro).

Progress in full swing van Chen Wenling in de expositieruimte van kunsthandelaar Tao Yuanming. Foto Frost Huang

Die groei komt vooral doordat Chinezen in de afgelopen dertig jaar heel veel rijker zijn geworden. Die rijkdom willen ze graag laten zien. Wat doe je dan met je geld? Een Ferrari kan elke multimiljonair wel kopen, maar een huis aan de Amsterdamse grachten of een kunstwerk is veel unieker. En, zo dachten veel verzamelaars aanvankelijk: kunst zou snel ook steeds meer waard worden.

Dat viel tegen, zeker voor Chinese moderne kunst. In 2011 was China nog goed voor 30 procent van de wereldwijde kunstmarkt, in 2012 zakte het aandeel van China dramatisch in. Inmiddels is het Chinese aandeel volgens een rapport van Art Basel verder gedaald naar 19 procent. Vooral de moderne Chinese kunst heeft zich nog niet hersteld. Volgens Art Basel liep de omzet van veilinghuizen in China in 2018 met 9 procent terug en werd meer dan de helft van het aangeboden werk niet verkocht.

Eigen museum

Tao Yuanming handelt zowel in moderne als traditionele kunst. Hij loopt naar een fijne, zwart-witte penseeltekening op een waaiervormig stuk papier. Je ziet een traditioneel Chinees landschap met een figuurtje onder een naaldboom. „Kijk, dat vind ik nou mooi”, zegt hij over een werk van de bekende traditionele Chinese kunstenaar Lu Yanshao. „Van hem heb ik nog les gehad op de kunstacademie hier in Hangzhou”, vertelt Tao, die zijn loopbaan begon als schilder van olieverfschilderijen in westerse stijl.

Hij bleek meer een zakenman met lef dan een begenadigd kunstenaar. „Ik ben eind jaren tachtig, begin jaren negentig begonnen met het verkopen van Chinese schilderijen aan verzamelaars in Hongkong en Zuidoost-Azië. Ik merkte dat er vraag naar kwam.” Hij zag hoe buitenlandse verzamelaars aan de grote Chinese musea vroegen of ze werk konden kopen.

De musea wezen ze af. „Die zeiden: We kunnen toch niet zomaar onze kunst gaan verkopen aan kapitalisten?”

Inmiddels is een van die Hongkongse kapitalisten terug naar China gekomen om er een eigen museum te beginnen: de zakenman Samuel Kung. Hij verdiende zijn geld met de handel in jade, en besloot in 2005 in een opwelling om het eerste privémuseum voor hedendaagse kunst van China te beginnen in hartje Shanghai.

Inmiddels zijn er zo’n 1.500 privémusea. Dat is bijna een derde van de vijfduizend musea die China telt. Het is ook een relatief nieuw fenomeen: vooral toen de markt voor kunst instortte nam het een grote vlucht. Verzamelaars begonnen een museum, vaak in de hoop om zo de waarde van hun verzameling te verhogen. Kung was er in 2005 vroeg bij.

Handenvol geld

Samuel Kungs vrouw, de Taiwanese Miriam Sun, zwaait de scepter in het museum. De zon valt door de hoge glazen ramen als ze vertelt over het avontuur dat Kung en zij zijn aangegaan. Het Museum of Contemporary Art, het MOCA, ligt in het Volkspark, dat na de communistische machtsovername in 1949 is aangelegd op de plek in Shanghai waar de Britten vroeger hun paardenraces hielden. Het museum is gevestigd in een grote glazen kas. Zo’n museum is zonder enige financiële ondersteuning van de overheid geen eenvoudige zaak, vertelt Sun. „Als Samuel van tevoren had geweten waar hij aan begon, dan had hij het waarschijnlijk niet gedaan”, zegt Sun lachend. „Denk alleen maar aan de energiekosten. Het kost handenvol geld om zo’n glazen gebouw van vier verdiepingen in de zomer te koelen en in de winter te verwarmen.”

Het rode beeld van Chen Wenling is me te heftig. Het gaat tegen onze traditie in

Tao Yuanming, kunsthandelaar

Volgens Sun zitten privémusea vaak in mooie gebouwen, maar ontbreekt het meestal aan goede collecties en interessante tentoonstellingen. „Het is ook voor ons heel duur om kunstenaars binnen te halen. En we hebben tegen de honderd man in dienst, die moeten we ook betalen.” Ze zegt dat haar man het museum niet is begonnen omdat hij uit is op financieel gewin, maar om een collectie op te bouwen die waarde heeft voor de toekomst.

Voor de stad Shanghai moet het fijn en prestigieus zijn dat ze het MOCA zomaar gratis konden binnenhalen. Hoeft het museum daarom misschien minder huur te betalen? „We huren gewoon tegen commerciële tarieven. Er zijn ook geen speciale belastingmaatregelen”, zegt Sun. „Dat is lastig. Er moet elk jaar nog geld bij.”

Self-made men

James Fang heeft van zijn vier verdiepingen tellende nieuwbouwflat aan de rand van Hangzhou een eigen klein museumpje gemaakt, alleen voor zijn familie en vrienden. Fang draagt een houthakkershemd en heeft een moderne bril op, maar hij gedraagt zich als een traditionele Chinese kamergeleerde. De ruimte waarin het interview plaatsvindt staat vol oude Chinese meubels. Er staan ook Boeddhabeelden en inktstenen, een klassiek Chinees hemelbed domineert een hoek van de ruimte. Fang schenkt kleine kopjes kostbare thee uit, met achter hem een wand vol boeken over Chinese kunst.

Jullie eisen toch ook niet dat alle Van Goghs terugkomen naar Nederland?

James Fang, verzamelaar

James Fang (55) is een self-made man, en zoals hij zijn er veel in China. Mensen die in de jaren 90 de kansen wisten te grijpen die een opener economie bood, en die snel rijk werden. Dergelijke nieuwe rijken gingen in kunst investeren. „Ik was toegelaten tot de beste universiteit van Shanghai, maar mijn moeder kon dat niet betalen. Ik koos voor een opleiding tot geschiedenisleraar, want daarvoor kon ik een beurs krijgen.” Omdat hij betrokken was bij de studentenopstanden in de lente van 1989, vluchtte hij in mei dat jaar naar Australië. „Ik wist dat het gevaarlijk voor me begon te worden, dus ik moest wel weg.”

Toen hij halverwege de jaren negentig terugkeerde naar China, ging hij warmtelampen voor in de badkamer maken en verkopen. „Daarmee kon je veel meer verdienen dan als leraar. Zeker in die tijd. Alles wat je bedacht, was meteen goed te verkopen.” Hij zag hoe iedereen opeens een eigen badkamer kreeg. „Voor die tijd gingen mensen een keer per week naar het badhuis. Of eens per maand.”

Hij begon met de 40.000 dollar die hij in Australië bij elkaar had weten te sparen, en inmiddels is zijn bedrijf beursgenoteerd. Hij heeft naar eigen zeggen ongeveer een derde van de markt voor warmtelampen in heel China in handen. Dan schiet er al snel wat geld over om kunst te kopen.

Op de vraag of hij het als zijn plicht als Chinees ziet om Chinese kunst uit het buitenland terug te halen naar China, trekt hij een vies gezicht. „Kunst is van de hele wereld. Jullie eisen toch ook niet dat alle Van Goghs terugkomen naar Nederland?” Fang wijst erop dat veel van het Chinese culturele erfgoed alleen behouden is gebleven omdat het zich tijdens de Culturele Revolutie (1966-1976) buiten China bevond.

Toekomst

Fang richt zich op het verzamelen van Chinese antieke meubels en van jade. „Die collecties mogen na mijn dood niet verdeeld worden. De stukken moeten bij elkaar blijven. Ik schenk ze aan en museum, of ik breng ze onder in een trust.”

Hij verzamelt vooral om meer rust in zijn hoofd te krijgen. „Ik ben nu over de vijftig, ik wil mijn levenskrachten voeden door rustiger te leven. Daarom verdiep ik me in kunst. Ik schrijf er ook over.” Voor dit jaar heeft hij een boek over jade gepland. „Maar de echte kenners van jade en ook van Chinese meubels zijn nog altijd buitenlanders.”

Hij laat ook de rest van het huis even zien. In zijn woonkamer hangt een zwaar geretoucheerde, hyperrealistische foto van zijn vrouw en vier kinderen. „Voor die kinderen heb ik veel boetes moeten betalen, want je mocht tot voor kort maar één kind per gezin krijgen. Maar dat was het waard. Zij brengen de Chinese cultuur verder.” Op het balkon heeft hij een kleine, traditionele Chinese tuin ingericht met een vijver, vissen en een miniatuur-rotspartij.

Wat verwacht hij voor de toekomst? Denkt hij dat zijn kinderen dan meer hebben aan zijn bedrijf of aan zijn kunstverzameling? „Nu is mijn bedrijf nog meer waard, maar als de Chinese maatschappij stabiel blijft, dan gaat mijn kunst sneller in waarde stijgen dan mijn bedrijf.”