Geld in oude sok onder matras

Ewoud Sanders

Woordhoek

Terug in het maatschappelijke debat: de beeldspraken geld in een oude sok stoppen, onder je matras leggen of desnoods in de tuin begraven.

De aanleiding zal bekend zijn: banken waarschuwen dat een negatieve rente binnenkort tot de mogelijkheden behoort. Dus klanten moeten hun bank wellicht gaan betalen om daar (spaar)geld te mogen stallen.

Het is een interessante samenloop van omstandigheden: sommige banken kunnen schijnbaar moeiteloos honderden miljoenen euro’s aan boetes betalen voor hun witwaspraktijken, maar ze waarschuwen dat reguliere klanten teveel gaan kosten.

Zijn geld in een oude sok stoppen of onder je matras leggen slechts beeldspraken? Of waren dit ooit gangbare praktijken? Van geld begraven is dat algemeen bekend: nog jaarlijks worden er munten opgegraven, soms in potten en kruiken. Voor de achterliggende tragiek heb je maar weinig fantasie nodig.

Banken ontstonden in de middeleeuwen in Italië, en de Amsterdamsche Wisselbank werd in 1609 opgericht. Ze werden vooral gebruikt door handelaren en rijke families. Wie arm was maar toch iets kon sparen, hield het geld dicht bij zich.

Vanaf het begin van de twintigste eeuw vinden we bronnen waarin geld wordt bewaard in een ouwe of oude sok, al dan niet onder een matras. Er zijn ook varianten te vinden. Zo schreef A. van Hoogstraten-Schoch in 1909 in Onkeltje: „Ze had het geld in haar matras genaaid, de eenige manier om zeker te zijn, dat het haar niet afgenomen zou worden.”

Maar vervang de sok door een kous en je reist opeens veel verder terug in de tijd, helemaal naar 1600, toen er in Nederland nog geen banken waren. Het was toen zo gangbaar om geld in een (oude) kous te bewaren, vooral als appeltje voor de dorst, dat kous er de betekenissen ‘spaarpot’ en ‘beurs’ bij kreeg.

Dat zien we onder meer terug in de zeemanstaal. Een kous (over)varen betekende onder zeelieden: op een zeereis veel geld sparen. Een spreekwoordenboek uit het midden van de negentiende eeuw vermeldt de uitdrukking: hij gaat naar Oost-Indië om eene kous te maken, met als uitleg: „Hij zal een goed kapitaal bijeen zien te brengen, om daar naderhand op zijn gemak van te kunnen leven. Eene kous maken is bij de zeelieden geld met varen overwinnen [sparen].”

Ook uitgezonden soldaten gebruikten deze uitdrukking.

Een oude kous hebben betekende volgens de Dikke van Dale: spaargeld hebben. De kous omkeren werd gebruikt voor ‘spaargeld bijeenzoeken’. In romans kom je zinnen tegen als „al kostte dat een kous vol geld” (1932, Herman de Man) en „Hendrickje’s kous wordt opnieuw aangesproken” (Jan Mens, 1946).

Ook de uitdrukking de kous op de kop krijgen wordt in verband gebracht met de kous als textiele spaarpot. Aanvankelijk zei men: met de kous op de kop thuiskomen. Dit betekent ‘niet geslaagd zijn, van een vergeefse reis (ook met schade en schande) terugkomen’. In de oudste vindplaatsen gaat het om zeereizen. De matroos die had gehoopt met een volle kous naar huis te zullen komen, krijgt hem leeg als narrenmuts op zijn hoofd.

Dat de kous in het hedendaagse taalgebruik is verdrongen door de oude sok, lijkt mij een gevolg van veranderingen in de mode: kousen zijn ouderwets.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders