Opinie

Geen extra geld naar het lerarentekort? Slob heeft gelijk

Onderwijsblog De onderwijsclubs willen meer geld van minister Slob om het lerarentekort te bestrijden. Maar geld is het probleem niet, schrijven drie leraren: schoolbesturen hebben geld genoeg.

Stakende leraren uit de provincies Zuid-Holland en Zeeland in Rotterdam.
Stakende leraren uit de provincies Zuid-Holland en Zeeland in Rotterdam. Foto Koen van Weel/ANP

Het is 5 juli. De sociale partners uit het onderwijs sturen een brandbrief, met daarin het verzoek om extra geld teneinde het lerarentekort te bestrijden, naar het centrale mikpunt voor het primair onderwijs (PO) in onze democratie: minister Slob.

Het is 23 augustus. De onderwijsminister laat in een Kamerbrief weten dat er geen extra geld beschikbaar gesteld wordt door het kabinet. Om twee redenen heeft Slob een punt.

Ten eerste: onderwijsbeleid is in onze democratie sterk gedecentraliseerd (in vergelijking met de ons omringende landen). Om die reden hangen er rondom scholen ook legio instituten die wel betaald worden met belastingeuro’s, maar die geen onderwijs ‘produceren’, zo laat bijvoorbeeld hoogleraar Edith Hooge zien in haar oratie Besturing van Autonomie: Over de Mythe van Bestuurbare Onderwijsorganisaties (pdf). Scholen worden beheerd door schoolbesturen, die in het PO sinds 2006 lumpsumfinanciering ontvangen. Dat betekent dat schoolbesturen zelf mogen bepalen welk bedrag ze aan welk doel besteden, als de eindopbrengsten maar voldoende zijn’, aldus de besturenorganisatie PO-raad op zijn website. De (eind)verantwoordelijkheid van goed onderwijs en het bestrijden van het lerarentekort ligt in eerste aanleg daarom vooral bij schoolbesturen in plaats van bij het centrale mikpunt - de overheid.

Ten tweede: het sturen van brandbrieven hoort dus pas aan de orde te komen als de financiële voorwaarden vanuit Den Haag jarenlang ver beneden peil zijn, en hier gaat het mis! De relevante feiten daarom op een rij.

Voorzichtig begroten

Elk jaar publiceert de Inspectie van het Onderwijs de zogeheten Financiële Staat van het Onderwijs met daarin relevante financiële kengetallen. Wat blijkt? De sector PO schreef vier keer rode cijfers (2009, 2010, 2011 en 2014) en in alle andere jaren zwarte cijfers (positieve rentabiliteit). Dit maakt dat de gemiddelde liquiditeit (de mate waarin een organisatie op de korte termijn aan betalingsverplichtingen kan voldoen) van schoolbesturen sinds de invoering van de lumpsumfinanciering is gestegen – uiteraard geldt bij een gemiddelde dat er uitschieters naar boven en naar beneden zijn.

Eerder hebben we hier al betoogd dat er in de sector PO vanwege onder andere gebrek aan financiële deskundigheid en te voorzichtig begroten te veel geld op spaarrekeningen staat. Slob beseft dit maar al te goed. Op 20 juni deed hij de Tweede Kamer het rapport Doelmatige Omvang van de Reserves (pdf) toekomen. Maar over dat rapport wordt met geen woord gerept in de brandbrief van de sociale partners. Uit dit rapport blijkt dat er, alleen al in de sector PO, 1,16 miljard euro teveel aan publiek eigen vermogen is (in de vorm dus van ruim gevulde spaarrekeningen). Deze constatering staat in schril contrast met de ophef over het lerarentekort, dat inderdaad wordt ervaren op de werkvloer.

Lees ook: Zijn scholen te rijk, of juist te arm?

Maar er is helaas nog meer. In 2015 publiceert de Inspectie van het Onderwijs De Financiële Situatie in het Onderwijs 2014. De inspectie rapporteert: in ‘de periode van 2009-2013 daalde het aantal leerlingen in het primair onderwijs met 4,5 procent’, maar ‘het aantal fte’s in loondienst in het po in die periode is gedaald met ongeveer 11 procent’. Voorts rapporteert de inspectie dat ‘veel besturen [een] uitgesproken beleid [voorstaan] om een flexibele schil van personeel te hebben’. Hier lijkt een serieuze voorbode te ontstaan voor een toename in baanonzekerheid en grotere klassen, die inderdaad een vervolg heeft gekregen.

Stel een diploma-eis in voor bestuurders

Kortom, na 13 jaar lumpsumfinanciering is de (toch al hoge) liquiditeit van schoolbesturen gestegen; is de gemiddelde groepsgrootte gestegen; en krijgt een leerkracht, ondanks het lerarentekort, minder snel een vaste baan als pas-afgestudeerde. Het is daarom zaak dat Slob vaart maakt met een drietal, voor de Rijksbegroting, budgettair neutrale ingrepen.

  1. Hij dient zo snel mogelijk financiële bovengrenzen in te voeren voor schoolbesturen zodat het teveel aan financiële reserves wordt afgebouwd in de sector PO en voor in de toekomst wordt voorkomen.
  2. Schoolbestuurders behoeven, anders dan docenten, vanwege de Rijksoverheid aan geen enkele diploma-eis te voldoen. Werkelijk iedereen mag van de Rijksoverheid schoolbestuurder worden. Het lijkt ons passend dat elk schoolbestuur wordt geleid door een bestuurder die, onder accreditatie van bijvoorbeeld het ministerie van OCWMinOCW, van Rijksoverheidswege een proeve van bekwaamheid heeft afgelegd. We denken dan vooral aan harde kennis over onderwijsrecht en financiën zodat beter recht wordt gedaan aan de wens van de belastingbetaler: conversie van belastingeuro’s in onderwijs.
  3. Minister Slob doet er goed aan om de waslijst aan organisaties die rechtstreeks, of via de lumpsumfinanciering, uit de onderwijsruif mee-eten, te verkleinen. Het geld dat vrijkomt, kan dan naar de klas. Pas daarna hoeft hij brandbrieven van sociale partners te lezen.

Arjen Boerstra (docent Frans), Jan Hop (gepensioneerd docent schei- en natuurkunde) en Arjan Linthorst (docent scheikunde), allen op persoonlijke titel.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.