Als je regering de kunst haat, bouw dan een vrijhaven

Prins Claus Laureaten 2019 In de Republiek Congo is er één centrum voor jonge artiesten. Kunstenaar en oprichter Bill Kouélany startte hiermee in 2012. Het behoud ervan is onzeker. Kunst is weinig geliefd bij de leiders van de Republiek Congo.

Het is nog redelijk vroeg in de ochtend wanneer Mbamzlla Zely zijn voet op de binnenkant van zijn knie zet. De armen spreidt hij alsof hij een reusachtige vogel is. Terwijl de zon steeds feller gaat schijnen, wordt zijn dans dynamischer. Zely is een van de dansers die elke ochtend in het Congolese Ateliers Sahm, zijn opwachting maakt. Dit is de plek waar hij zich kan uiten zoals hij wil. Net als een tiental andere kunstenaars komt hij elke dag naar het kunstencentrum aan de rand van het centrum van Brazzaville, de hoofdstad van de Republiek Congo (niet te verwarren met de grotere buur in het oosten: de Democratische Republiek Congo).

De Republiek Congo is een land waar het kunstenaars niet makkelijk wordt gemaakt: wie iets doet wat tegen de smaak ingaat van de 75-jarige president Denis Sassou N’Guesso heeft grote kans opgepakt te worden om het daglicht daarna niet meer te zien. Wie taboes als homoseksualiteit of oorlog wil aankaarten wordt door de toeschouwers al snel voor Europese aansteller gezien. Het is deze stad waar kunstenaar Bill Kouélany (1965) in 2012 Ateliers Sahm oprichtte.

Lees ook het interview met hoofdlaureaat van de Prins Claus Prijs Kamala Ibrahim Ishag (80). Ze is een van de belangrijkste vrouwelijke hedendaagse kunstenaars uit Afrika.

Kouélany is een van de laureaten van de Prins Claus Prijs die donderdag 5 september worden bekendgemaakt. Niet alleen vanwege haar eigen werk als beeldend kunstenaar, maar ook omdat ze de oprichter is van het enige kunstenaarscentrum in haar land. In een land waar menig kunstenaar – vooral schrijvers en journalisten – kiest voor ballingschap even over de grens, is Kouélany een vreemde eend in de bijt. Standaard in het zwart gekleed en vorsend kijkend vanonder een zwarte hoed, neemt ze geen blad voor de mond. „Ik heb geen zin om me in mijn werk aan te passen aan de politiek”, vertelt ze wanneer we onder een gekleurd golfplaten dak praten over haar werk en het centrum.

Bekend werd ze met haar muren van papier-maché, die te zien waren op de vijfde Biënnale in Dakar (2002) en op Documenta 12 in Kassel (2007). Haar werk draait om de „deconstructie der dingen”, aldus de catalogus van de Biënnale van Dakar. Haar werk, waarop menselijke lichamen zijn te zien, deels van hun huid ontdaan en zonder hoofd, gaat volgens veel interpretaties over geweld en conflicten.

Muurschilderingen Ateliers Sahm door kunstenaars in opleiding. Foto Toef Jaeger

„Mijn muren worden vaak gezien als een teken van afbraak, en gekoppeld aan de kapotte huizen in mijn land. Je kan van een muur eenvoudig iets negatiefs maken, maar ik fotografeerde de kapotte muren juist om ze daarna opnieuw op te bouwen. Ik ben niet uit op deconstructie, maar bouw iets wat kapot was. Vanuit iets dat kapot is, kan je iets nieuws creëren.”

Hetzelfde geldt voor de lichamen zonder hoofd, of de hoofden die op sommige collages als bolletjes bij elkaar liggen. „Mensen associëren ze vaak met de dood, maar wat ik er juist mee wil laten zien, is dat we allemaal hetzelfde zijn: als je de huid eraf haalt is iedereen gelijk. Haal je het hoofd eraf, dan geldt hetzelfde. Het is vanuit artistiek oogpunt bovendien sterker: mensen beschouwen het hoofd als de kern van een portret, juist daarom laat ik het bewust achterwege.”

Dat is al meer uitleg bij haar werk dan ze eigenlijk wenselijk vindt, je moet er zelf maar in zien wat je wilt – ze geeft niet voor niets geen titels aan haar werk mee, legt ze uit. En dat haar werk politiek geduid wordt, moeten de mensen ook zelf weten. Het gaat haar om de verbeelding van het maakproces. „Voordat ik kunstenaar werd, was ik zelf eigenlijk een kapotte muur. Door kunst te maken – zowel beeldend als in teksten – heb ik mezelf kunnen opbouwen, ben ik zelf die herstelde muur geworden.” De vraag wat voor muur ze is geworden, roept de nodige verwarring op, maar wanneer we het erover eens zijn dat dit een merkwaardige vraag is, stelt ze: „Dit kunstencentrum is de muur die ik ben geworden.”

Haar Ateliers Sahm is een bijzonder bolwerk waar iedere dag hard gerepeteerd wordt aan onder meer een dans die in september bij een festival voor het Institut Français opgevoerd wordt. De dans gaat over ontheemd zijn, vertelt danser Jackson Mampouya. Met een ladder die deel uitmaakt van de choreografie, beelden ze de zoektocht uit, het gevecht om een fles water toont de tocht door de woestijn – nergens lijken ze welkom. Of ze een bestemming vinden, „mag je zelf bedenken. Dat hangt ervan af hoe je naar de wereld kijkt”, lacht Mampouya.

Percussionist, gitarist en zanger Diouf Samba geeft – voor de oefensessies met de dansers beginnen – gitaarles aan jonge jongens. Hij overhoort de toonladders, vraagt ze naar muzikanten en zegt „tsssk” wanneer hij vindt dat zijn jongens te weinig algemene kennis van de muziek hebben of hun toonladders niet blijken te beheersen. Elders krijgen drie jongetjes tekenles van Girel Nganga. Hij wil ze leren om zich uit te drukken op papier. Vooralsnog is de auto het uitdrukkingsmiddel bij uitstek, al tekent één jongen een weergaloos buitenaards wezen. In het kleine gebouw is in het midden een ruimte waar Nganga zijn schilderijen en objecten heeft hangen. Als de kinderen weg zijn, schildert hij een muur van het centrum. Ondertussen is ook beeldend kunstenaar Sandoine Mia aan het werk. Haar schilderijen gaan over „water, vuur, lucht en aarde”, vertelt ze, terwijl ze de doeken vastspijkert op wat latten. Ze wordt een tijdje financieel ondersteund door Kouélany zodat ze materiaal kan kopen voor haar werk.

Soms lukt het om internationale workshops te organiseren, maar ook op andere dagen is er genoeg te doen. Voor het publiek in de omgeving zijn er ’s avonds optredens: schrijvers dragen verhalen voor waar meer publieksparticipatie bij is vereist dan de Europese luisteraar gewend is. Op de momenten dat het gehoor even de aandacht lijkt te verliezen, roept Thalès Zokene „zeg: wooh.” Het publiek roept braaf „wooh”, waarna iedereen weer bij de les is.

Op een andere avond kan het publiek kijken naar de klucht De beer van Anton Tsjechov. Om te accentueren dat het hier om een Russisch toneelstuk gaat, dient een foto van Tsjechov als portret van de overleden man in het toneelstuk, een rijtje matroesjka-poppetjes maakt het decor compleet. Er wordt gescholden, hard gelachen en heftig gezoend, de gratis toegankelijke voorstelling is een succes. Wie geld over heeft voor het spektakel, gooit wat in de hoed die rondgaat.

Kouélany begeleidt overdag de jongeren die komen oefenen. „Meer dynamiek”, roept ze naar de dansers wanneer de boel even lijkt in te zakken. „Niet je armen in de lucht gooien, je smijt ze er in één beweging naartoe”, legt ze uit. Schilders kunnen bij haar met vragen komen, naar de literaire teksten luistert ze intensief. Schilders als Mia ondersteunt ze, ook al raakt ze hierdoor soms zelf in de schulden.

Terwijl er veel gelachen wordt en hard gerepeteerd, zijn er zorgen. Het is woensdagmiddag 21 augustus wanneer Kouélany voor een grote groep kunstenaars zit. Er is onvrede. Op 16 juni traden acteurs en dansers op bij het Institut Français du Congo, er werden schilderijen en foto’s tentoongesteld, schrijvers lazen voor. Niemand werd betaald voor het optreden. Het instituut biedt de gelegenheid om op te treden, maar betaalt nooit. Ook vanuit Ateliers Sahm wordt er niet betaald, domweg omdat het geld er niet is. „Het zij zo, deze keer. Volgende keer verkopen we kaarten om iets aan inkomsten voor de artiesten te hebben”, stelt Kouélany voor. Haar blik die nog net onder de hoed is op te vangen staat strak.

Muurschilderingen Ateliers Sahm door kunstenaars in opleiding. Foto Toef Jaeger

Geldzorgen zijn er constant. Subsidie van een regering die kunst als bedreiging ervaart, is er natuurlijk niet. In het land zelf is nauwelijks een markt voor kunst. „Het zijn nog steeds de Europeanen die de kunstmarkt hier bepalen”, vertelt Kouélany. „Een kunstenaar kan in dit land niet leven van wat hij maakt. Sommige Europeanen geven je de helft van het bedrag dat je vraagt, omdat ze weten dat het toch moeilijk te verkopen is. Ze gaan niet van de waarde van het werk uit, maar van wat zij ervoor willen betalen.”

Zelf ervoer ze enkele jaren geleden in Frankrijk dat kunsthandelaren ervan uitgingen dat ze wel blij zou zijn met alles wat ze ervoor kon krijgen. Recentelijk had ze ook nog een aanvaring met een Franse kunsthandelaar. „Er was een kunstenaar uit Kameroen in Brazzaville. Een Franse handelaar wilde voor zijn werk 20.000 Congolese franc voor neerleggen (30 euro), terwijl de kunstenaar er 150.000 Congolese franc (ca. 225 euro) voor wilde hebben.” De kunstenaar overlegde met Kouélany, die prompt een brief schreef aan de Franse ambassade om te vertellen dat de Franse handelaar aan uitbuiting deed. Ze vond dat de kunstenaar uit Kameroen moest staan voor wat zijn werk waard is. „Je mag je nooit laten leiden door de omstandigheden”, benadrukt ze. Eind slecht, al slecht: de Fransman paste zijn bod niet aan.

Hoe gering de waardering is voor kunst in de Republiek Congo zelf, blijkt ook uit de plannen voor het kunstencentrum. Sinds de oprichting moet het nu voor de tweede keer op zoek naar een andere plek. Het kleine gebouw zonder stromend water waar de zandgrond eromheen dienst doet als podium voor optredens, wordt binnenkort verkocht aan particulieren. Dat Kouélany te weinig geld heeft om de grond te kopen, kan de regering niets schelen. Want in een land zonder kunstopleiding is zoiets irrelevant. Op Bill Kouélany en de jonge kunstenaars na, is er niemand in de Republiek Congo die daar wakker van ligt.

De Prins Claus Prijzen worden op 4 december uitgereikt in Amsterdam. Inl: princeclausfund.org en les-ateliers-sahm.org