Ontwerper Ann Demeulemeester: ‘Voor het eerst in mijn leven kan ik zeggen dat ik vrij ben’

Interview Toen Ann Demeulemeester vijf jaar geleden stopte als modeontwerper begon ze met tuinieren en het kweken van eigen groente. En dacht: „Als ik nu toch nog een mooi bord had om dat op te leggen.”

Foto Victor Robyn

‘Iedereen verklaarde me voor zot dat ik wegging. Ik heb nog geen minuut spijt gehad van mijn beslissing. Mode slokt al je tijd op, je zit in een vast ritme en staat onder enorme druk. Ik wilde gewoon nog iets anders doen in mijn leven. En ik was moe, heel moe.”

Bijna dertig jaar stond Ann Demeulemeester aan het hoofd van haar eigen modemerk. Ze deed dat met veel plezier en toewijding en was blij met en trots op wat ze had bereikt – haar herkenbare, eigenzinnige, stoer-poëtische en veel nagevolgde modebeeld was een wereldsucces.

In november 2013 kondigde ze, schijnbaar uit het niets, met een handgeschreven brief aan dat ze vertrok. Het merk bestaat nog altijd, onder haar naam. De collecties van Ann Demeulemeester worden tegenwoordig gemaakt onder de artistieke leiding van de Fransman Sébastien Meunier, ooit haar assistent voor de mannencollecties, en zakelijk geleid door haar voormalige compagnon Anne Chapelle.

Ann Demeulemeester, de vrouw, ziet er vijfenhalf jaar na haar afscheid van de mode uitgerust en vrolijk uit, en veel jonger dan de 59 jaar die ze is. Gekleed in mouwloos T-shirt, gilet, vestje, broek en korte laarzen – allemaal zwart, allemaal Ann Demeulemeester uit de tijd dat ze zelf haar merk nog leidde – ontvangt ze in het hoofdkantoor annex showroom van Serax, net buiten Antwerpen. Het bedrijf doet in potten, servies, pannen, bestek, lampen en meubels, vaak in samenwerking met bekende namen. Piet Boon heeft er een lijn, Sergio Herman, de Italiaanse ontwerper Paola Navone. En, vanaf dit najaar, Ann Demeulemeester.

Ze ontwierp twee serviezen, bestek, drie collecties glas – allemaal verkrijgbaar in verschillende kleuren. Het wordt verkocht onder de naam Ann Demeulemeester-Serax. Haar modebedrijf is dan niet meer van haar, haar naam is dat nog wel.

Ja, zegt ze, ze volgt het merk nog steeds. „Natuurlijk, het is mijn kind. Dat gaat de deur uit, een eigen leven leiden, maar je gaat nog wel eens kijken hoe het er mee is. En mijn zoon doet er grafisch werk voor.” Hoe vindt ze dat haar opvolger het doet? „Het is mooi dat wat ik heb opgebouwd verder leeft. Ik geef het team graag de vrijheid om het vervolgverhaal te schrijven.”

Lees ook: Influencers zijn de nieuwe modebepalers

En hoe vindt ze dat de mode in het algemeen zich heeft ontwikkeld de laatste vijf jaar? „Een mooie vorm creëren, een patroon maken – dat is zo moeilijk, mensen zonder knowhow kunnen dat niet. Maar daar gaat het nu meestal niet meer om. Het gaat om merknamen, om de Instagramfoto, en het gaat vooral om geld, hoeveel miljoen of miljard een merk omzet, hoeveel procent dat is gestegen. Ik word er helemaal misselijk van. En iedereen die beroemd is, noemt zich tegenwoordig modeontwerper. Er wordt ook zóveel weggegooid, daar kan ik niet tegen.”

Modern beroep

Demeulemeester was nooit de klassieke modeontwerper-in-de-dop die kleertjes voor haar poppen maakte. Ze tekende als tiener graag portretten en raakte zo geïnteresseerd in wat haar modellen droegen. „Toen ik 16 was dacht ik: modeontwerper, dat is een modern beroep waarmee ik veel mensen kan bereiken.”

Ann Demeulemeester FALL/WINTER 2013 Foto Peter Stigter

Ann Demeulemeester, de ontwerper, is de langste periode dat het modemerk bestond eigenlijk twee mensen geweest: zijzelf en Patrick Robyn, de man met wie ze sinds haar zestiende samen is. Toen zij na de Academie van Schone Kunsten begon met haar eigen merk – ze presenteerde zich aanvankelijk samen met schoolgenoten als Dries Van Noten en Walter Van Beirendonck als een van de Zes van Antwerpen – werkte hij als fotograaf.

„Maar hij werd het op den duur een beetje beu om zich steeds in de wereld van anderen te verplaatsen”, zegt Demeulemeester. „En hij was bang dat zijn werk ons uit elkaar zou drijven: ik moest vaak naar het buitenland en hij ook, en we hadden een jong kind. Dus stelde hij voor om te kiezen voor één carrière, en dat hij mijn assistent zou worden. We doen eigenlijk alles met z’n tweeën, alleen blijft hij liever op de achtergrond.”

Samen, zegt ze, hebben ze een eigen beeldtaal ontwikkeld. Mode was jarenlang het vehikel waarmee ze die de wereld instuurden. „Als je zo’n taal eenmaal hebt ontwikkeld, kun je die natuurlijk ook toepassen op iets anders. En wij zijn altijd makers geweest. Als we een tafel nodig hebben, dan kopen we die niet, die maken we zelf.”

Het idee voor servies kwam echter niet via de tafel, maar via de tuin. Al voor ze wegging bij haar modemerk, was Demeulemeester geïnteresseerd geraakt in tuinieren en had ze een kleine rozentuin aangelegd. „Het was heerlijk om met mijn handen in de aarde te zitten. Het eerste wat we deden toen we eindelijk tijd hadden, was al onze energie in tuinieren steken. We wilden zelf een tuin ontwerpen. We hebben ons keihard verdiept in allerlei soorten planten en bomen, de beste zaden, alles wat natuur is.”

Bij het nieuwe huis – tot ze stopte woonde Demeulemeester in het enige Belgische huis van Le Corbusier, waarnaast ze haar atelier had laten bouwen – kwam niet alleen een rozentuin, maar ook een bloementuin, een bomencollectie en een moestuin. En toen ze „al die prachtige groenten” had geoogst, dacht ze: „Als ik nu toch nog een mooi bord had om dat op te leggen.”

Superperfectionist

Omdat ze, zoals ze zelf zegt, een „superperfectionist” is, begon ze wederom aan een intensieve studie, dit keer van porselein, keramiek en glazuur. Ze bezocht fabrieken in Duitsland en Frankrijk, volgde cursussen, richtte een atelier in, schafte ovens aan en begon te boetseren. „Dat deed ik vroeger ook al. Als ik schoenen ontwierp, boetseerde ik zelf de leest en de hak. Ik heb nooit met een computer gewerkt, dat kan ik niet. Ik had in het begin helemaal geen commerciële bedoelingen. Ik maakte een bord voor mijn groenten. En ik vond het heerlijk om in mijn eentje bezig te zijn, zonder dat ik aan anderen moest uitleggen waarmee.” Maar toen ze een kast vol had, vond ze het toch jammer dat alleen haar familie en vrienden van het servies konden eten. „Mijn ervaring is dat als iets juist lijkt voor mij, er meestal ook andere mensen zijn voor wie dat geldt. Ik ben opgevoed met het idee dat je je talent moet gebruiken. Ik ben geen dokter, ik kan geen geneesmiddel vinden tegen aids, maar wel andere dingen die mensen gelukkiger maken.” Een gezamenlijke kennis stelde haar vorig jaar aan de directeur van Serax voor.

Zwart-rode borden: Servies Dé
Foto’s Marc Wouters
Zwart-rode borden: Servies Dé
Zwart-rode borden: Servies Dé
Foto Marc Wouters

In de showroom van het bedrijf hebben Demeulemeester en haar echtgenoot een stand gebouwd: een cirkelvormige ruimte met een cirkelvormige tafel in het midden.

Van Demeulemeesters servies Dé is elk stuk met de hand in China beschilderd met een abstract ‘geborsteld’ rood en/of zwart motief, variërend van een dunne rand tot een bijna geheel bedekkend dessin. Om dat alle ruimte te geven, is aan het kopje het oortje overdwars en bovenaan aangebracht, zoals je dat ook wel ziet bij gietijzeren pannen. „Zo’n eenvoudige oplossing, het kan toch eigenlijk niet dat niemand daar niet eerder op is gekomen”, zegt ze.

Bij servies Ra, verkrijgbaar in wit, zwart en groen, zijn onder alle borden en schalen korte sokkels gezet. Van groot naar klein gestapeld lijken de schalen en borden op een oosterse tempel. De vorken, messen en lepels van het slanke bestek hebben allemaal andere facetten, waardoor ze handgemaakt lijken. En dan zijn er nog verschillende glasserviezen: er is een serie met een klein randje bovenaan, dat opvallend prettig aanvoelt aan de mond, er zijn wijnglazen met een extra lang en een zonder steel, en speciaal voor haarzelf, een elegant, extra smal champagneglas, waar minder drank in past dan normaal. „Het is chic om kleine hoeveelheden champagne te schenken, dan blijft het ook beter bruisen.”

Het enige wat niet van mondgeblazen kristal is, is een reeks glazen – Dora – met de robuustheid die ook kenmerkend is voor Demeulemeester – denk aan haar stoere laarzen met brede hakken die nog altijd worden gemaakt.

Poëzie van de schaduw

Als ik af en toe een stuk oppak om het van dichtbij te bekijken, en het terugleg op wat ik denk dat de goede plek is, schuift zij het daarna zo dat het exact goed ligt. Is het voor iemand die zo precies is en graag de controle heeft niet lastig om met zo’n groot bedrijf samen te werken? „Ik vind het heerlijk”, zegt ze. „Ik word serieus genomen, zonder dat ik voor alles verantwoordelijk ben. Het is nooit mijn droom geweest een bedrijf te hebben. Met de mode is het gewoon zo gegroeid. Ik wilde een collectie maken en er was geen fabrikant die zei: ik ga dat allemaal eens voor jou doen. Dus ben ik het zelf gaan opzetten. Nu wil ik niet meer de verantwoordelijkheid dragen voor een grote firma. Voor het eerst in mijn leven kan ik zeggen dat ik vrij ben. Ik kan als ik wil een hele dag met mijn kleinzoon doorbrengen, met mijn zoon lukte dat nooit.”

Op de valreep laat ze weten dat de lamp die in haar ronde stand hangt, ook door Serax in productie wordt genomen – en dat dat is uitgegroeid tot een hele lampencollectie, met franjes van textiel en linten van porselein, waarbij licht en vorm net zo belangrijk zijn als wat ze „de poëzie van de schaduw” noemt.

En nu? Meer servies en lampen, meubels wellicht? „Ik weet het niet. De toekomst is open. We zien wel. Als ik mij maar kan amuseren.”