Opinie

Therapietijd

Ellen Deckwitz

Na de grote vakantie heeft mijn zus het op haar werk – ze is psychologe – altijd superdruk. „Ik weet niet hoe het bij andere praktijken zit, maar na de zomer stijgt het aantal aanvragen voor relatietherapie bij ons explosief”, zei ze gisteravond. „Misschien dat zo’n periode van rust je opeens doet inzien dat een relatie meer is dan de huur delen. Na de vakantie zijn het de laatste jaren trouwens niet alleen stellen die bij ons aankloppen om relatietherapie, maar ook families. Moeders en zonen die weer willen leren praten, broers die hun contact proberen te herstellen. Ik ken zelfs zakenpartners die gezamenlijk in therapie gingen na een mislukt project.”

„Het lijkt wel alsof therapie tegenwoordig echt geen taboe meer is”, zei ik.

„Mensen zoeken voor het herstel van bijna ieder soort relatie tegenwoordig hulp”, zei mijn zus, „behalve voor vriendschap. Men verwacht dat, omdat vriendschappen vaak toch een beetje vanzelf ontstaan, er geen hulp van buitenaf nodig is om de boel gesmeerd te laten verlopen. Maar ja, welke menselijke band heeft geen hulp van buitenaf nodig? En zo groei je uit elkaar. Verdrietig, want een verbroken vriendschap is toch een van de ergste gebeurtenissen in het leven.”

Ja. Ik heb in mijn leven maar één keer een vriendschap verbroken. Ik was jarenlang boezemvrienden met I., maar te veel bleef onuitgesproken, waardoor er op het laatst van alles tussen ons in stond dat niet meer kon worden opgelost. We schoven elkaars grenzen zo ver op waardoor er voor ons geen ruimte meer was om nog te kunnen ademen.

Terwijl ik naar huis liep dacht ik dat het best vreemd is dat niemand in vriendschapstherapie gaat. Voor je relatie en familie heb je hulpverlening te over, voor je vrienden niet. Terwijl vriendschappen vaak de pijlers zijn van je dagelijks leven. Ik heb met mijn vrienden een intiemere band dan met mijn ouders. En mijn vriendschappen duren altijd langer dan mijn relaties.

Op weg naar huis dacht ik aan I. Het is inmiddels bijna twaalf jaar geleden dat ik het contact verbrak. En hoe blij ik ook ben dat we elkaar niet meer spreken – op het laatst was alles dat eruit kwam beladen, om niet te zeggen giftig – nog steeds denk ik bijna dagelijks aan haar. Aan hoe we het anders aan hadden kunnen pakken. Ik mis wie ze was. Wie ze misschien had kunnen blijven als we eens waren gaan zitten, eens eerder hadden gesproken.

Op mijn schrijftafel staat nog steeds een kristallen zwaantje dat ik eens van haar kreeg. Stil streelde ik het kopje.

„Nou niet sentimenteel worden”, zou I. hebben gezegd, „Ik heb je dat ding alleen maar gegeven omdat ik niets anders kon vinden.”

Zelfs dat miste ik nu.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.