Leenstelsel is voor links toch niet sociaal

Studiefinanciering De steun voor het leenstelsel, dat nog maar vier jaar geleden is ingevoerd, brokkelt af. Na GroenLinks is nu ook de PvdA gedraaid.

Aankomende studenten maken kennis met elkaar in de ballenbak tijdens de UIT, de introductiedagen die in augustus werden georganiseerd in Utrecht.
Aankomende studenten maken kennis met elkaar in de ballenbak tijdens de UIT, de introductiedagen die in augustus werden georganiseerd in Utrecht. Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

Een van de grootste voorstanders keert zich tegen het leenstelsel – en nu is een Kamermeerderheid tegen. PvdA-leider Lodewijk Asscher zei dinsdag dat hij de aanvullende beurs wil verruimen. Als het aan hem ligt krijgen studenten wier ouders minder dan drie keer modaal verdienen zo’n beurs, in plaats van alleen de studenten met ouders met een inkomen van 46.000 euro of minder.

1Brengt dit de basisbeurs weer dichterbij?

Alleen regeringspartij VVD is nog voorstander van het leenstelsel. D66 liet dinsdagavond weten bereid tot aanpassing te zijn. Coalitiepartners ChristenUnie en CDA waren altijd al tegen – maar het kabinet sprak af er deze regeerperiode niet aan te tornen.

Maar dat de basisbeurs na de verkiezingen in 2021 terugkomt, is onwaarschijnlijk. Die beurs werd in 1986 ingevoerd en was een gift voor alle studenten, om hen minder afhankelijk te maken van hun ouders. De hoogte hing af van de woonsituatie: thuis of op kamers. Tien jaar later werden de voorwaarden strenger: studenten moesten voortaan binnen tien jaar afstuderen, anders moesten ze het geld terugbetalen. In 2015 werd de basisbeurs vervangen door het leenstelsel, waarbij alleen kinderen van minder draagkrachtige ouders nog een aanvullende beurs kregen.

Asscher stelt geen terugkeer naar de basisbeurs voor, maar een leenstelsel met ruimere voorwaarden. Ook GroenLinks, dat zich voor de zomer tegen het leenstelsel keerde, wil niet per definitie terug naar de basisbeurs zoals die was. Over de precieze vorm denkt de partij nog na.

2Wat is de kritiek op het leenstelsel?

Volgens Asscher zorgt het leenstelsel ervoor dat jongeren „een emmer vol onzekerheid” over zich heen krijgen, zei hij in het Algemeen Dagblad: er is al woningnood en baanonzekerheid en dan is geld lenen om te studeren volgens hem „de druppel die de emmer doet overlopen”. GroenLinks-leider Jesse Klaver zei eerder dat het stelsel zorgt voor leenangst, stress en problemen met de doorstroom tussen onderwijsniveaus.

Studentenorganisaties roepen al jaren dat het leenstelsel negatieve effecten heeft op de levens van jongeren omdat zij hun carrière starten met een schuld.

3Wat zijn de effecten van het leenstelsel?

Niet erg verrassend: studenten zijn meer gaan lenen. De gemiddelde studieschuld van 20- tot 25-jarigen steeg van 7.600 euro in 2015 naar 10.600 in 2018. Die verhoogde schuld kan weer allerlei andere gevolgen hebben. Sinds 2012 blijven studenten volgens het CBS ruim een jaar langer bij hun ouders wonen. Dit zou te maken kunnen hebben met de komst van het leenstelsel, maar ook met het tekort aan studentenwoningen.

De studieschuld heeft ook gevolgen voor de verdere levensloop van jongeren, denkt het Jongerenplatform van de SER, dat vorige week een rapport publiceerde over de positie van jongeren in de samenleving. De auteurs vermoeden dat jongeren vanwege hun hoge schulden het kopen van een huis en het krijgen van kinderen uitstellen. Hiernaar is nog geen onderzoek gedaan. Minister Van Engelshoven heeft aangegeven dit te gaan doen, voor de periode 2011 tot 2019.

Lees ook: Jongere voelt van alle kanten druk

Uit verschillende studies zou daarnaast blijken dat het leenstelsel leidt tot meer stress en andere psychische klachten, maar daarvoor ontbreekt nog bewijs. Volgens onderzoekers is het moeilijk verschillende factoren die tot klachten leiden van elkaar te isoleren en het leenstelsel aan te wijzen als de hoofdoorzaak.

Dan is er nog de vraag of het leenstelsel de toegankelijkheid van het hoger onderwijs heeft beïnvloed. Sinds 2007 steeg het percentage leerlingen dat na de havo naar het hbo ging, aldus het CBS, met een piek in 2013 en 2014: vlak voor de invoering van het leenstelsel. Daarna daalde de doorstroom van havo naar hbo, de jaren daarna stabiliseerde het weer.

Bovendien werden de verschillen tussen de hoogste en laagste welvaartsgroepen niet groter. Van de havo-gediplomeerden uit gezinnen in de laagste inkomensgroep studeerde in 2017 85 procent aan een hogeschool, bij de hoogste inkomensgroep was dat 87,3 procent. De doorstroom van vwo naar universiteit daalde niet na de invoering van het leenstelsel.

Wel daalde de doorstroom van mbo naar hbo de afgelopen tien jaar, volgens het CBS van 42 procent in 2005 naar 35 procent in 2016. Maar het is onduidelijk of dat door het leenstelsel komt, zoals GroenLinks beweert – de daling is al in 2006 ingezet.

4Waarom is het leenstelsel ingevoerd?

De discussie over het leenstelsel is niet nieuw. Bijna een eeuw geleden, in 1924, werd het al eens ingevoerd; pas vanaf 1956 werd de lening voor sommigen een gift, en vanaf 1986 voor iedereen. Acht jaar daarna zinspeelde de PvdA in haar verkiezingsprogramma alweer op een herintroductie van het lenen: een diploma was immers van „persoonlijk belang van de betrokkene, omdat ze de kans geeft op een hoger inkomen”.

Dit argument stond ook centraal in het debat over het huidige leenstelsel. Wouter Bos, destijds PvdA-leider, was in 2006 al ontevreden met de basisbeurs: „Nu betaalt de slager op de hoek mee aan de studie van een advocaat.” Hij pleitte voor een ‘sociaal leenstelsel’ waarbij welvarende afgestudeerden hun lening moesten terugbetalen. De slager en de advocaat kwamen in het debat over de studiefinanciering nog vaak terug, onder andere in 2012 bij Bram van Ojik. De toenmalige GroenLinks-leider gebruikte het duo om het leenstelsel binnen zijn partij te verdedigen.

Overigens is de spreekwoordelijke slager met de afschaffing van de basisbeurs weinig opgeschoten, want de 620 miljoen euro die de maatregel op termijn jaarlijks oplevert, moet worden geïnvesteerd in het hoger onderwijs. Die 620 miljoen wordt de eerste jaren na de afschaffing nog niet behaald; tot het zover is, moeten de universiteiten en hogescholen zelf 600 miljoen per jaar betalen aan kwaliteitsverbetering. Volgens een rapport van de Rekenkamer hebben ze dat de afgelopen jaren slechts deels gedaan.

Update (3 september 2019): dit artikel is geüpdatet nadat D66 dinsdagavond gereageerd had op het nieuwe standpunt van de PvdA.