Ik ben

geeft Nederlandse les aan expats. Afl. 2: De talenverzamelaar

Scandinaviërs beheersen over het algemeen hun talen nog beter dan Nederlanders. De Deense manager die ik vandaag onder handen mag nemen, spreekt ook Zweeds, Noors, Duits, Frans en zo goed Engels dat ik bijna terug ga praten.

Maar dat doe ik niet. Als ik iets heb geleerd, is het wel dat je alleen een taal leert als je die nodig hebt om te communiceren. Daarom hebben mensen zoveel moeite met Nederlands. Het is niet moeilijk, maar je hebt het niet nodig om hier te overleven.

Dus in de talenschool waar ik les geef, spreek ik alleen Nederlands met de cursisten. Deze Deen is dat uitgelegd. Hij gaat bereidwillig zitten.

„Ik ben Josephine”, ik wijs op mezelf.

„Ich ben Bendt.” zegt hij prompt. Hij is breedgeschouderd met een vierkant gezicht en blonde kuif. .

„Ik”, corrigeer ik.

„Ik ben Josephine.” zegt hij braaf.

„Nee, jij bent Bendt.”.

„Jij er bent.”

Ik kijk hem een beetje wantrouwend aan en besluit opnieuw te beginnen: „Ik ben Josephine, jij bent Bendt.” Het is nu zijn beurt om mij een waakzame blik toe te werpen. Hij wijst op zichzelf: „Jij Bendt.”

Ik schud mijn hoofd en zeg, wijzend op hem: „Ik ben.”

Hier zitten we, twee volwassen, in het normale leven goed functionerende mensen, die hoofdschuddend naar elkaar zitten te wijzen. Z’n humor heeft hem even verlaten. Dit was zijn zevende taal, een inkoppertje, iets tussen Duits en Engels in met wat Franse leenwoorden. Hij zou deze horde lachend nemen. Niet dus. En ik dacht dat ik hier de makkelijkste les van mijn leven ging geven aan een Europese talenverzamelaar. Opeens herinner ik me iets van mijn rudimentaire kennis van het Zweeds, misschien lijkt het op Deens.

„Ah! Jag!” zeg ik en wijs op mezelf. De manager die zich meestal bezighoudt met het op orde houden van de verkopen van een miljoenenconcern, kijkt blij op.

„Jeg!” roept hij vrolijk en wijst op zichzelf.

„Jeg er Bendt”, duik ik nog dieper in mijn niet bestaande kennis van het Deens. Maar hij straalt en ik ook. We zijn er! Twee afgedwaalde homo sapiens die elkaar op een verwaaide duintop ontmoeten. Dan keren we terug in de werkelijkheid. Ik wijs op mezelf en schudt mijn hoofd: „Niet ‘Jeg’, maar ‘Ik’.”

„Ah, Ich!”, zegt hij.

Om privacyredenen zijn herkenbare details aangepast.