De nationale ploeg telt in Israël niet mee

EK-kwalificatie Israël speelt donderdag in de EK-kwalificatie tegen Noord-Macedonië. Op veel belangstelling kan de wedstrijd niet rekenen.

De Israëlische aanvaller Eran Zahavi maakte zeven doelpunten in de eerste vier EK-kwalificatiewedstrijden.
De Israëlische aanvaller Eran Zahavi maakte zeven doelpunten in de eerste vier EK-kwalificatiewedstrijden. Foto Piotr Nowak/EPA

Ze hebben een kans. De bondscoach zegt het. De sportjournalisten zeggen het. De bonkige supporter bij de falafeltent zegt het. Maar het Israëlische voetbalelftal moet donderdag in de Europese kwalificatiewedstrijd tegen Noord-Macedonië eerst maar eens bewijzen dat ze kunnen winnen, voordat het Israëlische publiek massaal uitrukt om de blauw-witte ploeg aan te moedigen.

Israëliërs houden van voetbal. Bij het WK in 2018 reisden ze in groten getale af naar Rusland, ook al deed Israël niet mee. Na vergeefse pogingen sinds 1996, zou het nationale elftal zich deze keer eindelijk kunnen kwalificeren voor het EK. Maar supporters hebben meer met clubvoetbal. Bijna elke stad heeft één of twee professionele voetbalclubs.

Bij een sportwinkel in Jeruzalem hangt een kledingrek vol shirtjes en broekjes in kindermaten. Rood en blauw, wit met zwart. Messi, Ronaldo, Mbappé. „Shirts van Israëlische teams? Die hebben we niet”, zegt de verkoper. „Daar is geen vraag naar.” Met de globalisering is de belangstelling van de Israëli verschoven naar de buitenlandse competities, ziet ook café-eigenaar Avi Goldberger (43). Op een scherm achter hem staat de Spaanse competitie op. „We zullen de wedstrijd van donderdag wel uitzenden”, zegt hij. „Maar ik reken op enkele tientallen die komen kijken. Als ik volgende week de Champions League opzet, is het volle bak.”

Toen hij klein was, liep hij net als zijn klasgenootjes in een shirt van de lokale favoriet, vertelt Goldberger. Israëlische clubs werden ooit opgericht door politieke partijen. Vaak is het voetbal gekoppeld aan basketbal, ook een populaire sport in Israël.

Nederlands voetbal

„De Gggraafschap!” roept barmedewerker Thomas Mali (26) ineens hard door het café. „Ik vind het gewoon grappig klinken.” De Nederlander Jeroen Tesselaar (ex-De Graafschap) voetbalde een seizoen voor ‘zijn’ club, Hapoel Katamon. Ook bij andere clubs zijn Nederlanders actief. Nigel Hasselbaink (28), sinds september vorig jaar aanvaller bij Be’er Sheva, kan de Israëlische supporters wel waarderen. „Bij thuiswedstrijden is het hier een gekkenhuis”, zegt hij aan de telefoon. „Ze steunen ons negentig minuten lang. Ze zijn fanatieker dan Nederlandse fans.” Ook als het minder goed gaat, zoals vorig seizoen met Be’er Sheva, laten supporters van zich horen.

Israëlische voetbalfans lepelen moeiteloos de namen van Nederlandse clubs op, en niet alleen Ajax en Feyenoord. „We hebben iets met Nederland”, zegt cafébaas Goldberger. „In 1974 speelden ze de WK-finale tegen West-Duitsland. Dat was toen nog het absolute kwaad voor Israëli, dus dat leverde Nederland sympathie op. En natuurlijk was dat ook het Cruijff-tijdperk.” Inmiddels zijn Israëli ook openlijk fan van Duitsland. „Toen was de Holocaust nog vers, nu telt dat ze aantrekkelijk voetbal spelen.”

En het nationale elftal? Daar wordt niemand warm of koud van. Goldberger herinnert zich een interland thuis tegen Italië. „Het stadion zat vol”, zegt hij. „Bij het eerste doelpunt bleek dat zeker de helft van de Israëlische supporters voor Italië was.”

Hoewel Israël eigenlijk in Azië ligt, is de voetbalbond sinds 1994 officieel lid van de UEFA en speelt het nationale elftal kwalificatiewedstrijden voor EK en WK tegen Europese landen. Daarvóór zit een gat van twintig jaar, waarin het even met Oceanië meedeed. De positie van het Israëlische nationale elftal is vanaf de eerste interland in 1948 gecompliceerd.

Weggestemd in Azië

In 1958 won Israël de Afrikaans-Aziatische kwalificatie voor het WK, zonder ook maar één wedstrijd te spelen – alle Arabische en islamitische tegenstanders trokken zich terug. Hierop organiseerde de FIFA een play-off met Wales, die Israël verloor. In 1964 gebeurde iets soortgelijks: Israël won de Aziëcup, nadat het grootste deel van de teams zich terugtrok. In 1970 kwalificeerde Israël zich voor het WK in Mexcio, maar in 1974 werd het land om politieke redenen uit de Aziatische federatie gestemd, op initiatief van Koeweit.

De beste periode voor het nationale elftal was rond 2008. Toen stond Israël zelfs even op de vijftiende plaats van de FIFA wereldranglijst. „Ik denk niet dat die classificering realistisch was”, zegt sportjournalist Ron Amikam. „Maar we wonnen toen van Rusland, dat was bijzonder.” Het elftal telde destijds spelers als Eyal Berkovic en Yossi Benayoun, die worden gerekend tot de beste Israëlische voetballers ooit. „Nu zijn er minder creatieve spelers,” zegt Amikam. De laatste jaren ziet hij wel „een beetje progressie”.

Volgens de vaste volgers zou er meer geïnvesteerd moeten worden in het Israëlische voetbal, te beginnen bij de basis. „In Israël moet je lid zijn van een club om te voetballen, anders moet je op beton spelen”, zegt Goldberger. „In Nederland of Duitsland zie je overal voetbalveldjes.”

Toch is er enige hoop dat Israël het deze keer in de EK-kwalificatie verder brengt dan de groepsfase, dankzij een gunstige loting en het deelnemersveld van opnieuw 24 landen. „Mensen houden van succes”, zegt Goldberger. „Als ons elftal nu gaat winnen, zullen de supporters vanzelf wel volgen.”