De kinderen blijven maar thuis wonen

Niet op kamers Studenten blijven langer bij hun ouders wonen en dat gaat best prima. Er is nauwelijks nog sprake van een generatiekloof. „We gaan binnenkort een kamer bijbouwen.”

Sonja Loth (41): „Ik vind het leuk dat ze nog thuis zijn, maar als ik in de jacuzzi wil stappen, heb ik geen zin in zuchtende dochters.”
Sonja Loth (41): „Ik vind het leuk dat ze nog thuis zijn, maar als ik in de jacuzzi wil stappen, heb ik geen zin in zuchtende dochters.” Illustratie Lotte Dijkstra

Sonja Loth (41) trok op haar zeventiende de deur van het ouderlijk huis achter zich dicht om op zichzelf te gaan wonen. „De eerste de beste kans die zich voordeed om uit huis te gaan, greep ik aan. Het was een vanzelfsprekendheid. Dat gold voor mijn hele generatie.” Haar studerende dochters, Karen van 19 en Frederieke van 21, wonen nog thuis, in het West-Friese Westwoud, samen met hun drie pleegzusjes van drie, vijf en zes. En, zo verwacht Loth, voorlopig zijn ze nog niet weg.

Frederieke woonde ruim een half jaar in een appartement op de campus van het Amsterdam University College, maar stopte met de studie en trok weer bij haar ouders in. Na de zomer begint ze met scheikunde in Amsterdam maar ze gaat geen kamer zoeken. „Het is bijna niet te doen om woonruimte te vinden, en bovendien zou ik dan veel moeten lenen. Ik spaar liever om te kunnen reizen.”

Uit de laatste cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat voor het eerst meer studenten bij hun ouders wonen dan op kamers. Tussen 2007 en en 2014 ging ruim 60 procent van de universitair studenten en 23 procent van de hbo-studenten binnen zestien maanden uit huis. Nu is dat respectievelijk 39 en 11 procent. Het zijn niet alleen praktische factoren zoals dure kamers, afschaffing van de basisbeurs en toegenomen studiedruk waardoor studenten ervoor kiezen om langer thuis te blijven wonen. Zeker zo belangrijk is de goede verstandhouding tussen ouders en hun jongvolwassen kinderen; ze gaan meer op voet van gelijkheid met elkaar om, en hun belevingswerelden liggen niet meer mijlenver uit elkaar, zoals dertig, veertig jaar geleden.

Freek Bucx is ontwikkelingspsycholoog en wetenschappelijk medewerker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau. In 2009 promoveerde hij op een onderzoek naar de relatie tussen jongvolwassenen en hun ouders, met de veelzeggende titel Linked lives. Hij beschrijft daarin de band tussen ouders en hun jong-volwassen kinderen (18-35 jaar), die hechter bleek dan altijd gedacht.

Gelijkwaardiger relatie

„De meeste ouders en kinderen kunnen goed met elkaar overweg”, zegt Freek Bucx. „Er is minder emotionele afstand dan vroeger en de relatie is gelijkwaardiger. Dat heeft te maken met de veranderde omgangsvormen, die weer voortvloeien uit onder meer de sterk afgenomen invloed van tradities, en de kerk. En anders dan in de jaren zeventig en tachtig hebben de ouders van de huidige generatie studenten zelf vaak ook gestudeerd. Dat maakt dat ze elkaar beter begrijpen.”

Voor de vaders en moeders, die zelf vaak al jong het ouderlijk nest verlieten, is het soms even wennen. Sonja Loth: „Ik vind het leuk en gezellig dat Frederieke en Karen bij ons wonen, maar ik heb wel mijn beeld moeten bijstellen. Altijd ging ik ervan uit dat ik twee nieuwsgierige, zelfstandige dochters had, die net als ik zo snel mogelijk op eigen benen wilden staan. Nieuwsgierig en zelfstandig zijn ze nog steeds, alleen kiezen ze ervoor om thuis te wonen. Dat heb ik totaal niet zien aankomen.” Toen Frederieke vertrok, dachten haar ouders en zijzelf dat dat voor altijd zou zijn. Loth: „We hebben haar kamer in Amsterdam helemaal ingericht, compleet met nieuwe vloer, en plechtig afscheid genomen met een etentje, omdat we verwachtten haar veel minder te zien.” Intussen gaat Loth ervan vanuit dat de beide dochters de eerstkomende jaren nog wel in Westwoud zullen blijven wonen, vermoedelijk tot ná hun studie. „We gaan binnenkort een kamer bijbouwen en een tweede badkamer laten maken.”

Ook Paula Boon en haar man Wouter Opgenoort gingen al jong het huis uit om op kamers te gaan in de stad waar ze studeerden. Hun zoon Corné (18), tweedejaars student Environmental Sciences in Wageningen, heeft geen haast om op zichzelf te gaan wonen, ondanks de forse reistijd vanuit zijn woonplaats Cothen, een dorp in de provincie Utrecht. Hij maakt lange dagen op de universiteit en is daarnaast actief in zijn studievereniging. Daarom is hij geregeld van half zeven ’s morgens tot het begin van de avond van huis, soms tot voorbij middernacht. Voor Corné vooralsnog geen punt. „Ik was 17 toen ik ging studeren en ik vond dat ik nog niet toe was aan op mezelf wonen. Het leek me het beste om te kijken hoe het ging met het reizen. Als je je niet opwindt, bijvoorbeeld omdat je je aansluiting hebt gemist, is het eigenlijk heel relaxed.”

Anders dan met hun eigen ouders, ervaren Opgenoort en Boon geen generatiekloof met hun kinderen. Behalve Corné is er ook nog Merel van 16. Wouter Opgenoort: „Wij vinden gelijkwaardigheid belangrijk.” Of, zoals Corné het zegt: „Alles gaat hier altijd in goed overleg.”

Orchidee of paardenbloem

Mooi natuurlijk, die huiselijke harmonie, maar wat voor invloed heeft het op je persoonlijke ontwikkeling als je pas (ver) na je twintigste op eigen benen moet leren staan, terwijl sommige leeftijdgenoten dan al jaren zelfstandig wonen? Volgens Freek Bucx zal dat in de meeste gevallen niet tot problemen leiden. „Het hangt vooral van je persoonlijkheid af. In de ontwikkelingspsychologie wordt onderscheid gemaakt tussen ‘orchideeën’ en ‘paardenbloemen’. Ofwel gevoelige kinderen die sneller uit het lood geslagen zijn door veranderingen, en kinderen die zich gemakkelijk aanpassen aan verschillende situaties, en die zich net als paardenbloemen overal thuis voelen. Voor een ‘orchidee’ zou het bijvoorbeeld misschien juist goed kunnen zijn wat langer thuis te wonen.” Jongeren die later uit huis gaan kunnen misschien weliswaar wat achterlopen in praktische vaardigheden als koken en de was doen, zegt Bucx, maar dat hoeft niet te gelden voor hun emotioneel-psychische onafhankelijkheid. „Die kun je ook op andere manieren leren.”

Niet dat soepel met elkaar samenleven altijd vanzelf gaat. Voor Corné en zijn ouders was het zoeken tijdens de eerste maanden van zijn studie. Paula Boon: „Opeens was hij een soort hotelgast geworden. Soms at hij ’s avonds mee, soms niet, en we wisten niet altijd wanneer. Daarbij slokte de nieuwe studie veel energie op en áls hij thuis was, zat hij op zijn kamer te studeren of te chillen. Het kwam voor dat we elkaar een aantal dagen helemaal niet zagen.” De ergernissen over en weer namen toe. Corné: „Zelf vond ik het ook vervelend dat het niet lekker liep thuis. We hebben het erover gehad, en we hebben afspraken gemaakt. Bijvoorbeeld dat ik laat weten of ik mee-eet of niet.”

Lees ook: Willen studenten nog op kamers?

Frederieke paste zich na terugkeer uit haar studentenwoning gemakkelijk weer aan. „Juist omdat ik al op mezelf had gewoond, denk ik. Ik was blij dat ik nooit meer op crackers hoefde te leven omdat mijn geld op was.” Loth: „Ja, je waardeerde het misschien meer dat er brood in de la lag. En dat daar iemand voor had moeten betalen.”

Voor Loth en haar man was het wel even omschakelen. „Ik had een tijdlang gedacht dat óns leven nu zou beginnen. Met een eigen planning en meer privacy. Als ik naakt de jacuzzi in wil stappen, heb ik geen zin in twee zuchtende dochters op de bank.” En, zo blijkt, er gaat met hen in huis tweemaal zoveel geld uit aan boodschappen. „Maar ben er wel een beetje trots op dat ze allebei thuis wonen. Het betekent dat we toch iets goed hebben gedaan.”

M.m.v. Brecht van der Meulen