Opinie

De oude Grieken spraken anders over tijd

Marjoleine de Vos

Een bijna afgesleten vraag die je toch nooit loslaat: als je de dingen niet kunt zeggen, kun je ze dan wel denken? En dan is met ‘zeggen’ niet bedoeld dat je ze niet over de lippen kunt krijgen, of dat je zoekt naar een formulering, maar dat ze gewoonweg niet uit te drukken zijn. Voelen kun je zeker zonder te spreken – we voelen Wittgenstein nu alweer naderen met zijn aanbeveling om vooral onze mond te houden over de onuitdrukbaarheden.

Maar door een boek dat ik las diende zich een andere vraag aan, de omgekeerde: als de uitdrukkingsmogelijkheid verdwijnt, verdwijnt dan ook het bijbehorende gevoel? Het boek is van Andrea Marcolongo, een jonge Italiaanse graeca, over de verrukkingen van het (oud) Grieks, De geniale taal heet het. Waarom we allemaal van het Grieks moeten houden. Het gaat vooral over de verdwenen mogelijkheden van het Grieks: de aspecten van het werkwoord die wij niet meer kennen, de dualis, de optativus.

Hun gevoel voor tijd moet anders geweest zijn dan het onze, dat helemaal bepaald is door de klok en andere meetinstrumenten, betoogt Marcolongo. Zij konden iets uitdrukken over het begin en het eind van een handeling als ware het in één keer, niet alsof alles is vastgelegd op bepaalde momenten in de tijd, zoals wij dat altijd doen.

En als je daar even over nadenkt, dan voel je weer dat de taal je denken toch minder bepaalt dan je soms meent, want iedereen weet dat tijd er soms helemaal niets toe doet en dat gebeurtenissen in of uit het verleden zeer present kunnen zijn in het heden. Onafgerond, ook al gebruiken we de voorgoed verleden tijd. Het Grieks had daar minder moeite mee, dat kon zonder omhaal van woorden iets zeggen over onbepaaldheid of duur, dat lag al besloten in de vorm van het werkwoord die ze kozen.

Het is moeilijk die verdwenen aspecten weer na te voelen, want ze zijn verdwenen en wij drukken ons anders uit. Toch krijg je het gevoel dat je, als je die taal echt zou beheersen en doorvoelen – wat niet kan, want er zijn geen sprekers meer van en ook de graeci tasten in het duister – dat je dan ook meer en verfijnder je eigen binnenwereld zou weten te beleven. Alles wat aan de tijd morrelt, aan de tijd zoals we erover praten, als een lijn met punten waar we langs gaan, dat alles is welkom. Want er klopt iets zo totaal niet aan dat spreken, dat je zou willen zeggen: zo is de tijd helemaal niet. En ik weet hier de fysici aan mijn zijde, alleen beheers ik hun taal nog veel minder dan het oud-Grieks.

Niet alleen is er dat werkwoord dat zo prettig weigerachtig is ten opzichte van onze tijdlijn, ook is er de dualis, de vorm waarin je kunt uitdrukken dat het om twee bijbehorende ietsen gaat. Twee schepen die samen ten oorlog gaan, twee paarden voor één wagen. Twee ogen, twee handen, twee armen. Twee zielen. Hebben wij ook niet meer. Het gaat niet om het feit dat het er twee zijn, het gaat erom dat de spreker wil uitdrukken dat die twee nu, zolang ze in de dualis staan, bij elkaar horen.

Het verlangen dat je die taal zou spreken is meer dan het verlangen naar een vreemde taal. Het is het verlangen de gehele veelvuldigheid van wat er in je is tot spreken te kunnen brengen. Misschien is dat het verlangen naar poëzie. Of naar heelheid – maar heelheid bestaat niet, hoeveel taal je er ook op loslaat.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.