Ook het bestek zit achter slot en grendel

Grunberg in een gesloten jeugdinrichting Schrijver Arnon Grunberg leeft veertien dagen dag en nacht in de gesloten jeugdinstelling De Koppeling in Amsterdam. Hij schrijft elke dag over het leven daar. Deel 2: Raples.

We zitten bij Joram in de klas die ons zal leren rappen. Er gaan begeleiders mee als we ons verplaatsen en als we in een lokaal zijn aangekomen gaat de deur meteen op slot.

Ik zit naast Jayden. Hij draagt een zwart mutsje, hij is vijftien, zijn moeder komt uit Rusland. Naar eigen zeggen is hij verslaafd aan het verzamelen van messen en liggen er messen onder zijn matras. Ook vindt hij het prettig achter je te gaan staan en hij kijkt je aan met een blik waarvan je niet zeker weet of hij contact zoekt of dat hij je stiekem uitlacht.

„Ik kan niet rappen”, zegt Jayden.

„Waarom zit je dan hier?”, vraag ik.

Hij wijst met zijn vinger naar zijn voorhoofd.

Dan is er Sara, een meisje van 14 in een trainingsbroek, ze lijkt ouder. „Op deze beat lukt het niet”, zegt ze.

Joram laat een rap horen die de vorige les is gemaakt. „Iedereen houdt van zijn moeder”, stelt Joram. „Dit is voor iedereen.”

Ik hoor: „Mama, I love you/ Deze dagen had jij veel pijn/ Sorry dat het zo moest zijn.”

Daarna gaan we aan nieuwe raps werken.

Een grote, donkere jongen uit een andere groep roept: „Mijn hoofd zit vol met geld.”

„Schijf daar dan over”, zegt Joram.

Later rapt de jongen: „Money maken/ kan je leren/ dat is twenty six.”

Ik vraag: „Wat is twenty six?”

„Mijn gang.”

„Een bekende gang?”

De jongen kijkt me meewarig aan. „Upcoming, broer”, mompelt hij.

Joram zegt tegen me: „Je bent hier nieuw, probeer toch wat te schrijven.”

Ik werk aan een rap waaraan ik ooit ben begonnen: „Ik ben een puber in de liefde/ ik neem een Uber naar de liefde/ vrouwen geven me hun vertrouwen/ maar ze kunnen nooit op me bouwen.”

De lunchtijd, bestek zit achter slot en grendel, mes en vork hebben een nummer dat correspondeert met het kamernummer van de jongere.

Ik heb nog geen nummer, ik doe het zonder mes.

Mijn mentor vertelt dat een jongere uit een andere groep vroeg of de schrijver ook tegen de grond wordt gewerkt als hij zich misdraagt.

Als begeleiders menen dat er geen andere oplossing is, drukken ze op de alarmknop en dan komen van alle kanten begeleiders aangerend die met zijn vijven de jongere tegen de grond werken.

Mijn mentor antwoordde: „Als de schrijver zich misdraagt, werken we hem tegen de grond.”

Wordt vervolgd

Om privacyredenen zijn achternamen in deze serie weggelaten. Ze zijn bij de redactie bekend.