Opinie

De baard van de koning

Frits Abrahams

‘Zie je wel”, zei ik tegen mijn vrouw, „ik heb het toch goed gezien.” Het is het type uitspraak waar ik me thuis niet overdreven populair mee maak, maar soms moet zoiets gewoon gezegd kunnen worden. Van bescheidenheid is nog nooit iemand rijker geworden.

„Hoezo?” vroeg ze onwillig.

Ruim een week eerder had ik op een foto van de stoet bij de uitvaart van prinses Christina de baard van koning Willem-Alexander ontdekt. Hij droeg ’m nog een beetje verstolen, lopend aan de buitenkant naast Máxima, alsof hij bang was dat iemand zou roepen: „Moet je nou ’s kijken!” Ik liet het opgewonden mijn vrouw zien, blij dat ik eindelijk in mijn toch al vrij lange leven ook eens zélf iets ontdekt had.

„Weet je zeker dat het geen schaduw is?” vroeg ze, waarna ze verder las in de memoires van Michelle Obama, die getrouwd is met een man van wie het me nóg meer zou verbazen als hij ooit zijn baard liet staan.

Ik wist het niet zeker en deed er verder maar het zwijgen toe. Zieners, échte zieners, hebben geduld. Ik was dus niet verrast toen ik gisteren op de website van De Telegraaf de kop zag: „Baard Willem-Alexander straalt gezag uit.”

Er stond een citaat bij van Mari van de Ven: „Stoer en mannelijk”. Mari is zelf ook een man. Ik had nog nooit van hem gehoord, maar hij schijnt een vooraanstaand „haar- en make-up-stylist” te zijn. (Zulke informatie in De Telegraaf klopt wél altijd.)

Ik toonde mijn vrouw de foto van de koning bij zijn recente bezoek aan Terneuzen voor de viering van 75 jaar vrijheid. Ze keek er aandachtig naar. „Het staat hem wel leuk”, zei ze toen, „het maakt hem inderdaad mannelijker en pas nu zie ik hoe rossig hij is. Dat verklaart waarom zijn dochter Alexia ook zo rood is.”

Die toevoeging interesseerde mij minder dan haar constatering dat de koning dankzij zijn volle baard opeens een stuk mannelijker was geworden. Volgens mij was dat ook de bedoeling van de koning – en van al die andere mannen die tegenwoordig als op commando massaal hun baard lieten staan.

„Kan ik nog wel achterblijven?” vroeg ik schuchter. Als baard- en snorloze man krijg je door die baard-rage het gevoel dat je met een soort babyface rondloopt. Je bent geen man meer, maar een jongen die nog kletsnat achter de oren is – een knaapje eigenlijk.

„Als jij vindt dat je het nodig hebt…”, zei ze.

Daarmee was de bal weer op mijn helft. „Het lijkt me zo’n gedoe, zo’n baard”, zei ik, „moet je dat óók nog bijhouden.”

„Alsof scheren geen gedoe is”, zei ze.

Het leek wel alsof ze het een aantrekkelijk visioen vond – haar man als ruige baarddrager. Dit gesprek ging de verkeerde kant op. Waar ging het over? Over des konings baard. Over niets dus.

Ik gooide het over een andere boeg. „Zou jij een man met een baard graag zoenen?” vroeg ik.

Daar moest ze verheugend lang over nadenken. „Het voelt nogal kriebelig en het is ook niet altijd fris”, gaf ze toe.

Dat antwoord stemde me tevreden, hoewel ik me wel even afvroeg op hoeveel ervaring haar reactie precies berustte. Maar juist om die vraag openlijk te stellen had ik het gezag van zo’n stoere macho-baard nodig, dus liet ik het verder maar rusten.