Brieven

Brieven

In de afgelopen decennia is er weinig lering getrokken uit het verleden als het gaat om het recherchevak. Het is geen erkend vak meer, maar een soort aanhangsel van het geüniformeerde politiewerk. Er wordt uitgegaan van het adagium dat iedere politiefunctionaris recherche ‘er wel bij kan doen’. Doordat georganiseerde criminaliteit niet zichtbaar is, geen directe overlast geeft en benadeelden vaak geen aangiften doen, raakt het uit het zicht wanneer er niet gericht op wordt ingezet. De recherche is als gespecialiseerd vak intern inmiddels deskundig de nek omgedraaid. In de loop der jaren kwamen er vele signalen dat de zware misdaad ongeremd groeide en dat inspanningen van politie en justitie om deze met een goed recherche-apparaat aan te pakken, achterbleven. Pas nu in onze hoofdstad de emmer dreigt over te lopen, spreken de burgemeester en de minister van Justitie zich uit voor een harde aanpak (‘Amsterdam is centrum van Europese cocaïnehandel’, 29/8). Ze laten op geen enkele wijze weten hoe, wat, tegen welke kosten en met welk meetbaar doel die aanpak vorm zal worden gegeven. Ik noem dat ‘intentioneel beleid’. Een substantiële aanpak van het in Amsterdam geschetste probleem zal eerst vertaald moeten worden in concrete investeringen in adequate wetgeving, capaciteit, kennis, kunde, gespecialiseerd materiaal en financiële ondersteuning. Dat zal altijd ten koste gaan van, of concurreren met geüniformeerd politiewerk, waarin 80 procent van de capaciteit wordt weggezet. Als voormalig hoofd van een centrale recherche-eenheid weet ik als geen ander dat je het altijd aflegt als je niet gedekt wordt door een gezaghebbende autoriteit die voorkomt dat je als recherche stelselmatig wordt uitgekleed. Voorlopig komen autoriteiten nog steeds weg met ‘intentioneel beleid’. Zolang de pers hem niet kritisch en controlerend volgt, voorspel ik dat er opnieuw niets wezenlijks zal veranderen.


commissaris van politie b.d. en voormalig Hoofd Regionale Recherche Rotterdam