‘Bij elke revolutie hoort een bloedbad’, vertellen de Papoea-strijders voor onafhankelijkheid

Interview Papoea-studenten In een koffietentje in Jakarta verklaren twee studenten de onrust en het opgelaaide geweld in Papoea. „We zijn tweederangsburgers.”

Studenten protesteren op 22 augustus in Jakarta
Studenten protesteren op 22 augustus in Jakarta Foto Bay Ismoyo/AFP

In Papoea liggen internet en telefoon er meestal uit – afgesloten door de Indonesische regering. Toch lukt het Ambrosius af en toe om contact te krijgen met zijn familie en vrienden. „We kunnen vijf minuten bellen, dan valt de verbinding weer weg.”

In een koffietentje in Jakarta vertellen Ambrosius en zijn vriend Mika Dawi over de onrust die de afgelopen weken is ontstaan in Papoea, het gebied in het uiterste oosten van Indonesië waar zij vandaan komen. Ambrosius (23, hij heeft geen achternaam) studeert bestuurskunde en is coördinator van een club studenten die strijdt voor een onafhankelijk Papoea. Mika (21) studeert architectuur en is bijna net zo fanatiek als Ambrosius. „Strijders”, noemen ze zichzelf.

Hun telefoons staan vol foto’s en filmpjes over Papoea. Van hun eigen protest in Jakarta: studenten zwaaien met vlaggen met de Morgenster erop, ook al zijn die officieel verboden in Indonesië. „We zeiden tegen de politie: houd je cellen maar leeg voor ons, want wij hebben de vlag allemaal meegenomen.” Na het gesprek op vrijdag blijkt dit stoere grapje werkelijkheid geworden. Afgelopen weekend heeft de politie Ambrosius opgepakt, samen met nog zeven andere Papoea’s zit hij nu vast op verdenking van verraad.

Afgebrande marktkramen op de Thumburuni-markt in Fakfak in West-Papoea. Foto Bea Wiharta/EPA

Tientallen arrestaties

Sinds ruim twee weken is het onrustig in Papoea. In tientallen steden gaan demonstranten de straat op, ze steken auto’s en gebouwen in brand. Er vielen enkele doden, hoeveel precies is onbekend. De Indonesische regering riep op tot kalmte, maar stuurde ook duizenden extra militairen om de situatie onder controle te houden. Zondag werd bekend dat de politie tientallen arrestaties heeft verricht.

Aanleiding voor de protesten was een incident op het Indonesische eiland Java, waarbij Papoea-studenten voor honden en apen werden uitgemaakt. Dat soort dingen gebeurt zo vaak, zegt Mika. „In 2016 en 2018 waren er precies al zulke incidenten. We willen nu laten zien dat we solidair zijn en dat zulke opmerkingen ons kwetsen.”

Ook in Jakarta krijgen de Papoea te maken met racisme, vertelt Mika. Hij heeft vaak het gevoel dat mensen vooroordelen over hem hebben. „Ze denken dat Papoea dom zijn.” Op de campus, op straat, overal eigenlijk, voelt hij dat mensen „met halve ogen naar hem kijken”. Dit betekent zoiets als dat ze geringschattend naar hem kijken, hem minderwaardig vinden. „We zijn tweederangs burgers.”

Dat we zwarten zijn, stinken, dat soort termen heeft Indonesië als kolonisator voor ons bedacht

Mika Dawi Papoea-student in Jakarta

Slaapt al 8 jaar in een herberg

Ambrosius woont al bijna acht jaar in Jakarta, maar hij slaapt nog steeds in de gemeenschappelijke herberg voor Papoea-studenten. Zulke onderkomens biedt de overheid standaard aan studenten uit alle regio’s aan. Daar deelt hij een kamer met vier of vijf anderen. Als Papoea lukt het eigenlijk nooit een eigen kamer te vinden, zegt hij, omdat niemand die aan hen wil verhuren. „Ze denken dat we dronkenlappen en probleemmakers zijn.”

Ambrosius en Mika noemen Indonesië consequent „de onderdrukker” of „de koloniale macht”. Het leger en de politie noemen ze „het apparaat”. Zij vinden dat Indonesië in 1962 onterecht de zeggenschap over Papoea heeft overgenomen en ze willen een referendum voor onafhankelijkheid. Het racisme dat Papoea ervaren kun je niet scheiden van de onderdrukking waar ze van af willen, zegt Mika: „Dat we zwarten zijn, dat we stinken, dat soort termen heeft Indonesië als kolonisator voor ons bedacht. Dat is de taal van een onderdrukker.”

Boerenzoons

Het is ook weer niet helemaal toevallig dat de onrust precies nu ontstaat. De twee provincies Papoea en West-Papoea hebben een speciale autonome status binnen Indonesië en die loopt af in 2021. Aan die status is ook extra subsidie verbonden. Zo ongeveer nu moeten de partijen besluiten hoe het vanaf 2021 verder gaat.

De huidige Indonesische regering heeft wel geprobeerd Papoea economisch vooruit te helpen, dat zien Mika en Ambrosius wel in. Al hebben ze er weinig goeds over te zeggen. Mika: „De regering zegt dat Papoea welvaart en infrastructuur nodig heeft, maar dat klopt niet. We hebben onafhankelijkheid nodig.” De regering heeft een referendum over onafhankelijkheid al expliciet uitgesloten, waardoor het hoogst haalbare extra geld voor de regio vanaf 2021 lijkt te zijn.

Een vernietigd gebouw in Jayapura. Foto Indra Thamrin Hatta/AFP)

De jongens komen allebei uit een boerengezin uit Wamena, een stad midden in de hooglanden van Papoea. Ambrosius heeft vier broers en zussen, Mika acht. Zij zijn de enige die zijn gaan studeren. Ze wilden wel eens zien hoe het er in Jakarta aan toe ging, in „de moderne stad”. En Ambrosius wil dat wat hij in Jakarta over besturen leert, uiteindelijk mee terugneemt naar Papoea. Al denkt hij voorlopig niet aan teruggaan: „Hier kan ik beter overzicht houden.”

Overzicht houden – nu hij in de cel zit zal dat lastig gaan, maar daarvóór kwam dat erop neer dat Ambrosius bijhoudt hoeveel slachtoffers er zijn gevallen en waar het Indonesische leger volgens hem over de schreef gaat. Strijdlustig zegt Ambrosius dat geweld er nu eenmaal bij hoort. „Bij elke revolutie hoort een bloedbad.”

Toch zien de studenten liever geen ‘horizontale conflicten’, zoals ze geweld tussen Papoea’s en non-Papoea’s noemen. Daar was hier en daar wel sprake van de afgelopen weken, zo dwongen Papoea’s lokale bestuurders de Morgenster-vlag te hijsen en werden non-Papoea’s daar boos over. Er wonen veel ‘gewone’ Indonesiërs in het gebied, omdat de overheid hen aanspoort naar Papoea te verhuizen. Maar, zoals Mika zegt: „Wij zijn niet tegen de Indonesiërs zelf, wij zijn tegen het systeem.”