Voor de inwoners van Francorchamps is de grand prix van hen

Formule 1 Francorchamps komt één weekend per jaar tot leven. Vrijwel alle dorpsbewoners profiteren van de Grand Prix van België.

Max Verstappen in zijn Red Bull tijdens de vrije training op het circuit van Spa-Francorchamps.
Max Verstappen in zijn Red Bull tijdens de vrije training op het circuit van Spa-Francorchamps. Foto Remko de Waal/ANP

De mooiste race van het jaar is hier van iedereen en tegelijk van niemand. Tal van dorpen en stadjes in de Belgische Ardennen zijn dankzij een ruim zeven kilometer lang circuit – misschien wel het populairste asfalt onder de coureurs – verbonden met de Formule 1. Half Wallonië profiteert, veel hotels zijn al een jaar van tevoren volgeboekt. De Grand Prix van België is van de hele regio, een affiche voor alle pracht die de heuvels te bieden hebben.

Maar de inwoners van Francorchamps zien de race toch echt alleen als hun grand prix. Door het nabijgelegen Burnenville rijd je alleen om naar het zuiden te gaan. Stavelot heeft die prachtige abdij waarin het circuitmuseum huist, maar vanaf daar is het toch nog een eindje rijden.

Richting Hockai staan mensenmassa’s op geaccidenteerde kampeerterreinen met hun opgooitentjes en weggooibarbecues, maar dat mag verder geen naam hebben. En Spa? Dat grotere stadje komt weliswaar voor in de circuitnaam en is natuurlijk wereldberoemd, maar ligt ook niet echt in de buurt.

Nee, dan Francorchamps. Het dorpje stelt qua omvang misschien weinig voor, dichter bij het circuit kom je niet. Hier trekken één weekend per jaar drommen gelegenheidstoeristen langs als in een geïmproviseerde avondvierdaagse. Hun auto’s geparkeerd, voor een tientje per dag, in tuinen, weilanden, opritten – big business, voor even.

Een stukje over de N640 en dan de knik op de N62 en je komt bij de hoofdingang, de grote fanzone, de paddock. En bij de ingang voor de tribunes in een van de mooiste bochten die het Ardense circuit kent: La Source. De allereerste, spektakel gegarandeerd.

Pain saucisse

Francorchamps is een dorpje waar je nog even blijft hangen. Door de kraampjes bij de rotonde, met tabak en merchandise, vooral van Max Verstappen. Er is een frietkot en de restaurants hebben speciale Formule 1-menu’s. ‘Les prix ne changent pas pour le F1’, verzekert een van de uitbaters op een geel uithangbord. Nee, de prijzen zijn niet verhoogd voor het jaarlijkse racefeest, een pain saucisse kost gewoon vijf euro. De bakker en de slager doen zaken zoals op elke andere dag, alleen met ander publiek. De apotheek blijft dicht. Het ene hotel pakt uit met een minifestival op straat, het andere opent de deuren alleen voor zijn gasten.

Een paar zijstraten verderop, een rustige woonwijk met pittoreske huizen met grote erven. Bewoners lopen op straat met boodschappentassen of slechts een brood onder hun arm. ‘Bonjour’ en een glimlach – iedereen lijkt elkaar te kennen. Het enige wat hier aan de grand prix doet denken, is het snerpende geluid van de Formule 1-motoren.

Aan de Rue des Thiers is de gepensioneerde Colette (64, liever geen achternaam ), bezig haar oprit op te ruimen. Ze woont al haar hele leven in Francorchamps. Ze is de jaarlijkse drukte gewend – „c’est l’habitude”. In een normaal weekend zijn er nauwelijks toeristen te bekennen - „très, très calme” – maar in een raceweekend als dit is het een dorpje dat tot leven wordt gewekt.

En daar profiteert heel Francorchamps van, vertelt Colette. De winkels, de restaurants, de mensen die parkeerplaatsen aanbieden. Wel moeten ze een deel van de inkomsten afdragen aan de gemeente. Zijzelf profiteert ook. Al een aantal jaar heeft ze rond de grand prix hetzelfde kwartet journalisten in huis.

Een beetje geluk

In het verlengde van de Rue des Thiers, maant de 74-jarige Maria aan de Rue du Centre haar hond tot kalmte. „Er zijn ook wel mensen die klagen over het circuit”, zegt ze. De vereniging Sourdine – Frans voor demper – probeert al jaren iets aan de overlast te doen, vertelt Maria. Tot enorme protesten heeft het nooit geleid. „Het is Francorchamps, er is altijd wel wat te doen op het circuit.”

Aan de grote toegangsweg, de Route du Circuit, gaan de bewoners tussen de racetoeristen door met hun dagelijks leven. Op zijn oprit is de 56-jarige Jerome met ontbloot bovenlijf hout aan het bewerken. Hij baalt dat hij deze dagen zijn woning moeilijk kan bereiken. „Maar het is één keer per jaar. Het levert het dorp altijd ook een beetje geluk op.”

Een van de buurmannen van Jerome zit heerlijk onderuitgezakt in een tuinstoel op zijn gazon. Hij slaat de voorbijtrekkende menigte racefans gade. „Ga je nog naar het circuit dit weekend?”, roept iemand hem toe. „Nee, ik kijk lekker op televisie.”